IV.

Het pad, waarlangs Georges en Lili daalden, was zeer gemakkelijk. Zij

zweefde als het ware naar beneden, terwijl zij met de handen op zijn

schouder steunde, en hij op een drafje afwaarts ging. En hij ging

al vlugger en vlugger, terwijl zij licht lachte. Het was, alsof zij

vleugels aanschoot....

--Hoe dom van ze, daar in die zon te blijven braden; kijk, onder die

boomen daar....

--Die kastanjes?

--Daar is veel meer schaduw. Willen we eens zien?

--Goed...

Zij klommen op, terwijl hij haar hielp en zij drongen het geboomte in,

dat het panorama met zijn zonnige aquareltinten van groen en koeien

voor hun oogen afsloot, maar het was er zeer lommerrijk, als in een

koepel van bladeren, terwijl daar buiten de zon alles stoofde.

--O, hier is het lief! riep Lili uit. En kijk eens, viooltjes...

Zij zette zich op een zetel van mossig zand en plukte. En hij vlijde

zich aan haar voeten neêr, te gelukkig om veel te spreken en speelde

met de roode kwasten van haar parasol.

--Kom, nu moet je fluiten, Georges.... om de anderen te laten

komen! sprak zij schalks, wel wetende, dat hij het niet zou doen.

--Ik kan niet fluiten, ik heb het nooit kunnen doen! antwoordde hij

en keek haar lachend aan.

Zij lachte ook en wierp hem haar viooltjes in het gelaat, en hij

verzamelde ze, en stak ze in zijn knoopsgat. Toen vatte hij haar hand

en zag haar aan.

--Hoû je van me? vroeg hij, met zijn oogen in de hare. Zij legde

haar witte handjes op zijn schouders en terwijl zij hem vast aanzag,

boog zij zich langzaam voorover.

--Wat? vroeg zij vol teêrheid.

--Hoû je van me? herhaalde hij weder en zij boog zich voorover,

zoodat zijn lippen de lokjes op haar voorhoofd beroerden en ze kusten.

--Ja, sprak ze, en liet haar hoofd rusten op het zijne. Ja, ik hoû

van je.

Zoo bleven ze een wijle, terwijl hij in zijn ongemakkelijke houding

genoot onder het wicht van het kopje op zijn hoofd. Maar toen zij

zich oprichtte en hem weder lachend aanzag, vlijde hij zich meer aan

haar zijde uit en legde haren arm om zijn hals.

--Weet je... Emilie... begon hij.

--Wat? vroeg zij.

--Emilie heeft met mijn vader gesproken, en zou ze niet eens met je

ouders kunnen komen praten?

--Ja! antwoordde zij, in een glimlach glanzend. Maar ik geloof

niet.... ik weet niet, of....

--Emilie kan goed praten....

--Je houdt veel van haar, hè?

--Ja,... ook van jou....

Zij drukte zijn hoofd vaster in de mollige ronding van haar arm en

zij gaf hem een kus op zijn hoofd: haar eersten.... En de geur van

het mos en de viooltjes, stovende in de lauwe warmte, die uit het

dak van den bladerkoepel neerzonk, vermengde zich als een zucht,

waarvan de zoetheid haar bezwijmelde, terwijl haar kleine hand zich

liefkoozend sloot en zijn lichtbruin haar verwarde.

Zij luisterde, steeds met dien zelfde gelukkigen glimlach, naar zijn

zachte stem, terwijl hij haar vertelde van het gesprek, dat hij met

zijn zuster had gewisseld vóor hij nog wist, of Lili ooit van hem

zou houden. Hij had zich toen wel een poosje wankelmoedig gevoeld;

nu echter scheen de heele wereld hem een licht te torsen last toe.

--Emilie dacht, dat je geen armen man zou willen hebben... Wil je

geen armen man hebben...?

--Ben jij arm?

--Ja, ik ben niet rijk.

--Goed, dan wil ik wel een armen man hebben. Ik ben, o, zoo zuinig

als het moet. Ik doe soms wel drie maanden met mijn toiletgeld voor

een maand. En zie ik er niet altijd netjes uit?

--Beeldig....

--Maar ik geloof nooit, dat jij zuinig bent. Ik geloof, dat jij veel

behoeften hebt, meer dan ik....

--Ik heb geen behoeften als ik jou heb. Je bent alles voor me.

--Houdt Emilie van me?

--Natuurlijk. Ze zal ons moedertje zijn. En je wilt dus overal met

me meê. Naar Caïro? Naar Constantinopel? Naar de Kaap?

--Naar Lapland, als het moet.... Overal....

--Mijn eigen vrouwtje!

Hij sloot haar even vast aan zijn borst en kuste haar. Het werd hun,

alsof de wereld voor hen wegzonk, en alsof zij alleen waren in een

paradijs... het werd hun of zij het eerste paar waren, dat elkaâr

liefhad, of er nooit bemind was vóor hen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 88 / 188 题