III.

De weg klom en daalde tusschen blonde velden van haver en vlas, blauw

en rood doorspikkeld met korenbloemen en klaprozen, tot men ten laatste

de boerderij bereikt had. De boerin verscheen met een gullen glimlach

aan het hek en van alle kanten sprong men uit den wagen, terwijl

mevrouw en Mathilde doozen, overdekte manden en korven aanreikten.

De koetsier spande uit en bracht zijn dampende paarden naar stal.

Jan Verstraeten, Cateautje en de Van Rijsseltjes maakten zich aanstonds

meester van de beide schommels. Jan had aan mevrouw Van Rijssel beloofd

voorzichtig te zullen zijn en Cateautje zou vooral op Nico passen.

--Het is net een echtpaar met hun kroost! lachte Marie, terwijl zij

hen naoogde.

--Ik jaag ze toch straks weg van den schommel, ik moet ook

schommelen! riep Etienne luidruchtig uit, reeds dronken van den

zon en de buitenlucht. Lili, schommel je straks met me? Ten minste,

als De Woude het goed vindt! fluisterde hij met smachtende oogen.

--De Woude heeft niets over me te zeggen! Maar ik hou niet van

schommelen: ik krijg er hoofdpijn van, dank je.

--Ik ben er dol op, Eetje! riep Marie; ik reken straks op je, als

cavalier, maar hoog, heel hoog, hoor! Tot in de wolken.

--Kom, laten we eens een prettig plekje gaan zoeken, een beetje verder,

op de duinen, ried Paul aan.

--O, natuurlijk: Paul denkt vooral aan zijn gemak. Maar duinen zijn

zonnig, Paultje, sprak Freddy.

--Neen, er zijn boomen, eikenboomen, naar ik meen, voorbij den koepel.

--En route dan. Het is eigenlijk te warm om je veel te vermoeien. Ik

ben van Pauls opinie; ik hou zeer veel van een luie buitenpartij:

heel lang liggen in de schaduw, en dan naar de wolken kijken boven

je hoofd, lispelde Lili.

--Lili weet toch altijd het langoureuze met het poëtische te

vereenigen! schertste haar zuster. In godsnaam, De Woude, beweer eens

wat. We kakelen allemaal door elkaar, en jij loopt stilletjes verzen

te maken, geloof ik.

Georges sprak lachend tegen en zij baanden zich thans allen een weg

door het loover, de twijgen afwerend, die achter hen met een geruisen

van bladeren weder dichtsloegen. Lili schrikte voor een spin, die

aan een langen, zilveren draad naar beneden zakte, en toen De Woude

het dier verwijderde, werden zij beiden zeer geplaagd: zij, als een

schuchtere jonkvrouw, hij, als een dapper ridder, die de monsters om

haar heen versloeg.

--Maar wat doen wij toch voor buitengewoons, dat wij het altijd moeten

ontgelden? riep Georges.

--Ach, Georges, trek het je toch niet aan! sprak Lili. Ze doen het

om geestig te zijn. O, Paul, wat laat je ons klimmen en dalen in die

warmte en ik glijd telkens uit. Het is een heele reis naar dat lieve

plekje. En dan die vervelende takken. Ze vermoeien me. Ai!

Zij bezag hijgend haar vinger, dien een doorn geschramd had.

--Laat mij vóór je loopen! fluisterde Georges, en hij fluisterde

het zoo zacht en gleed zoo behendig vooruit, dat de anderen het in

plagende vroolijkheid over Lili's klacht niet bespeurden. Zij beiden

bleven een weinig achter en Lili ging glimlachend het laatst, terwijl

Georges de takken zoo lang tegenhield, tot zij haar niet meer in het

gelaat konden zwiepen.

--Laat ze maar lachen! Kan het je iets schelen? vroeg hij, geheel en

al verloren in zijn geluk.

--Niets! antwoordde zij zeer kalm, haar blond hoofdje onder den grooten

hoed vol veldbloemen schuddend, terwijl een spotziek trekje om haar

lippen speelde. Wij lachen ze achter hun rug uit. Wie gilt daar zoo?

--Etienne natuurlijk! sprak Georges.

Paul en Etienne namelijk hadden onder kastanjeboomen een mossige

plek gevonden, van waar men een klein panorama zag; eenig weiland,

doorsneden met de rechte strepen der slooten, die flikkerden onder

den tintelenden hemel, en hier en daar een koe. Een molentje in de

verte en daarachter een zoom van populieren, regelmatig en slank.

Lili en Georges naderden en zij vonden de anderen in verrukking.

--Hier is het heerlijk! sprak Paul. Koel mos om op te liggen en een

ruim uitzicht.

Zij beäamden het allen, dat het heerlijk was en lieten zich neêr op

den grond, moede van den onderzoekingstocht. Zij zetten hun hoeden

af, die met de kanten of roode parasols der meisjes het donkere mos

aanstonds met gloeiende, lichte kleuren bezaaiden, terwijl enkele

zonnestralen, door de bladeren zinkend, strepen van lichtende atoompjes

als glinsterend stof deden dansen over het kreukelend lichte katoen

harer rokken en het blond en bruin heurer haren.

--Het is hier nu niet zoo erg schaduwrijk. Ik zit ten minste heelemaal

in de zon! meende Lili, zich in de rozige schaduw van haar en-tout-cas

verbergend, en zij keek verontwaardigd naar Paul, die, het hoogst

en in veel schaduw zoo lang als hij was, neêrlag, het hoofd zalig in

een uitgespreiden zakdoek verbergend.

--Chut--Lili, niet spreken--slapen! fluisterde hij, met gesloten oogen.

--Ja, je bent amuzant, slaap maar toe! Maar ik brand hier!

--Willen we een beter plekje gaan zoeken, Lili? sprak Georges.

--Ja, doe dat, dat is een idée, meende Paul.

--En fluit dan, als je wat gevonden hebt! sprak Etienne.

Georges beloofde te zullen fluiten. Zij stonden op, waarna Lili

steunende op zijne schouders, het duin afkwam, terwijl het zand onder

hun voeten weggleed....

--Je begrijpt, ze zullen ons laten fluiten, in plaats van zelf te

fluiten; zeide Etienne.

--Onrustig is die Lili altijd! geeuwde Paul op zijn zakdoek.

Maar Etienne werd geërgerd over zijn luiheid en trok hem bij de beenen

naar beneden, tot groot vermaak der meisjes.

Het was echter zeer warm, en er was niets aan te doen; zij ook werden

lui. Zij zouden na het déjeuner wel wat wandelen en verderop de

duinen ingaan. Toen de vrede tusschen Paul en Etienne gesloten was,

ging Frédérique met haar hoofd op Eetjes knieën liggen, terwijl hij

haar met een halmpje in de ooren kietelde; Paul sliep bijna in, loom

van warmte en zaligheid, en Marie zag peinzend, met iets zwaarmoedigs

om den mond, uit naar de weilanden en de slooten en de koeien....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 87 / 188 题