De weg klom en daalde tusschen blonde velden van haver en vlas, blauw
en rood doorspikkeld met korenbloemen en klaprozen, tot men ten laatste
de boerderij bereikt had. De boerin verscheen met een gullen glimlach
aan het hek en van alle kanten sprong men uit den wagen, terwijl
mevrouw en Mathilde doozen, overdekte manden en korven aanreikten.
De koetsier spande uit en bracht zijn dampende paarden naar stal.
Jan Verstraeten, Cateautje en de Van Rijsseltjes maakten zich aanstonds
meester van de beide schommels. Jan had aan mevrouw Van Rijssel beloofd
voorzichtig te zullen zijn en Cateautje zou vooral op Nico passen.
--Het is net een echtpaar met hun kroost! lachte Marie, terwijl zij
hen naoogde.
--Ik jaag ze toch straks weg van den schommel, ik moet ook
schommelen! riep Etienne luidruchtig uit, reeds dronken van den
zon en de buitenlucht. Lili, schommel je straks met me? Ten minste,
als De Woude het goed vindt! fluisterde hij met smachtende oogen.
--De Woude heeft niets over me te zeggen! Maar ik hou niet van
schommelen: ik krijg er hoofdpijn van, dank je.
--Ik ben er dol op, Eetje! riep Marie; ik reken straks op je, als
cavalier, maar hoog, heel hoog, hoor! Tot in de wolken.
--Kom, laten we eens een prettig plekje gaan zoeken, een beetje verder,
op de duinen, ried Paul aan.
--O, natuurlijk: Paul denkt vooral aan zijn gemak. Maar duinen zijn
zonnig, Paultje, sprak Freddy.
--Neen, er zijn boomen, eikenboomen, naar ik meen, voorbij den koepel.
--En route dan. Het is eigenlijk te warm om je veel te vermoeien. Ik
ben van Pauls opinie; ik hou zeer veel van een luie buitenpartij:
heel lang liggen in de schaduw, en dan naar de wolken kijken boven
je hoofd, lispelde Lili.
--Lili weet toch altijd het langoureuze met het poëtische te
vereenigen! schertste haar zuster. In godsnaam, De Woude, beweer eens
wat. We kakelen allemaal door elkaar, en jij loopt stilletjes verzen
te maken, geloof ik.
Georges sprak lachend tegen en zij baanden zich thans allen een weg
door het loover, de twijgen afwerend, die achter hen met een geruisen
van bladeren weder dichtsloegen. Lili schrikte voor een spin, die
aan een langen, zilveren draad naar beneden zakte, en toen De Woude
het dier verwijderde, werden zij beiden zeer geplaagd: zij, als een
schuchtere jonkvrouw, hij, als een dapper ridder, die de monsters om
haar heen versloeg.
--Maar wat doen wij toch voor buitengewoons, dat wij het altijd moeten
ontgelden? riep Georges.
--Ach, Georges, trek het je toch niet aan! sprak Lili. Ze doen het
om geestig te zijn. O, Paul, wat laat je ons klimmen en dalen in die
warmte en ik glijd telkens uit. Het is een heele reis naar dat lieve
plekje. En dan die vervelende takken. Ze vermoeien me. Ai!
Zij bezag hijgend haar vinger, dien een doorn geschramd had.
--Laat mij vóór je loopen! fluisterde Georges, en hij fluisterde
het zoo zacht en gleed zoo behendig vooruit, dat de anderen het in
plagende vroolijkheid over Lili's klacht niet bespeurden. Zij beiden
bleven een weinig achter en Lili ging glimlachend het laatst, terwijl
Georges de takken zoo lang tegenhield, tot zij haar niet meer in het
gelaat konden zwiepen.
--Laat ze maar lachen! Kan het je iets schelen? vroeg hij, geheel en
al verloren in zijn geluk.
--Niets! antwoordde zij zeer kalm, haar blond hoofdje onder den grooten
hoed vol veldbloemen schuddend, terwijl een spotziek trekje om haar
lippen speelde. Wij lachen ze achter hun rug uit. Wie gilt daar zoo?
--Etienne natuurlijk! sprak Georges.
Paul en Etienne namelijk hadden onder kastanjeboomen een mossige
plek gevonden, van waar men een klein panorama zag; eenig weiland,
doorsneden met de rechte strepen der slooten, die flikkerden onder
den tintelenden hemel, en hier en daar een koe. Een molentje in de
verte en daarachter een zoom van populieren, regelmatig en slank.
Lili en Georges naderden en zij vonden de anderen in verrukking.
--Hier is het heerlijk! sprak Paul. Koel mos om op te liggen en een
ruim uitzicht.
Zij beäamden het allen, dat het heerlijk was en lieten zich neêr op
den grond, moede van den onderzoekingstocht. Zij zetten hun hoeden
af, die met de kanten of roode parasols der meisjes het donkere mos
aanstonds met gloeiende, lichte kleuren bezaaiden, terwijl enkele
zonnestralen, door de bladeren zinkend, strepen van lichtende atoompjes
als glinsterend stof deden dansen over het kreukelend lichte katoen
harer rokken en het blond en bruin heurer haren.
--Het is hier nu niet zoo erg schaduwrijk. Ik zit ten minste heelemaal
in de zon! meende Lili, zich in de rozige schaduw van haar en-tout-cas
verbergend, en zij keek verontwaardigd naar Paul, die, het hoogst
en in veel schaduw zoo lang als hij was, neêrlag, het hoofd zalig in
een uitgespreiden zakdoek verbergend.
--Chut--Lili, niet spreken--slapen! fluisterde hij, met gesloten oogen.
--Ja, je bent amuzant, slaap maar toe! Maar ik brand hier!
--Willen we een beter plekje gaan zoeken, Lili? sprak Georges.
--Ja, doe dat, dat is een idée, meende Paul.
--En fluit dan, als je wat gevonden hebt! sprak Etienne.
Georges beloofde te zullen fluiten. Zij stonden op, waarna Lili
steunende op zijne schouders, het duin afkwam, terwijl het zand onder
hun voeten weggleed....
--Je begrijpt, ze zullen ons laten fluiten, in plaats van zelf te
fluiten; zeide Etienne.
--Onrustig is die Lili altijd! geeuwde Paul op zijn zakdoek.
Maar Etienne werd geërgerd over zijn luiheid en trok hem bij de beenen
naar beneden, tot groot vermaak der meisjes.
Het was echter zeer warm, en er was niets aan te doen; zij ook werden
lui. Zij zouden na het déjeuner wel wat wandelen en verderop de
duinen ingaan. Toen de vrede tusschen Paul en Etienne gesloten was,
ging Frédérique met haar hoofd op Eetjes knieën liggen, terwijl hij
haar met een halmpje in de ooren kietelde; Paul sliep bijna in, loom
van warmte en zaligheid, en Marie zag peinzend, met iets zwaarmoedigs
om den mond, uit naar de weilanden en de slooten en de koeien....