II.

De tocht ging naar een boer, welbekend bij de Verstraetens. Langs den

Loosduinschen weg, in de brandende zon, reed de volle Jan-Plezier,

een enkele maal door de tram tegemoet gestoomd. Mevrouw Verstraeten en

Mathilde zaten achter-in met Nico tusschen haar beiden; Marie, Lili en

Frédérique vulden met Paul, Etienne en Georges de tusschenruimte; de

voorbank was ingenomen door Tine en Lientje en de neefjes Verstraeten;

Johan troonde op den bok en in den kattebak zat Cateautje Van der

Stoor met brutalen Janbroêr. Zoo zou het een gezellige partij worden,

geheel en al een onderonsje, zonder vreemde menschen, waarvoor men

maar een lastig decorum zou te bewaren hebben gehad. Marie deelde

uit een groote mand kersen telkens een handvol uit, aan wie maar

wilde en Etienne vertelde, al etende, hoe Marguerite Van Laren met

een pretentieusen mond beweerd had, dat een Jan-Plezier burgerlijk was.

--De Van Larens gaan zeker altijd in hofrijtuigen naar een

buitenpartij.... met een gegalonneerden knecht! zeide Georges.

--In toiletten à la Watteau, met schaapjes aan roze linten! voegde

Lili er bij en zij lachten elkander toe.

Een ieder lachte en zij gevoelden zich allen zeer opgewekt, in een

humeur om veel plezier te hebben, de meisjes in haar eenvoudige

katoenen japonnetjes, de jongelui in hunne lichte zomerpakken met

strooien hoeden.

--Cateau, wil je kersen? vroeg Marie, en er reisde een handvol naar

Cateau toe. Deel dan met Jan.

--O, ik zal het mijne wel krijgen, riep Jan met zijn brutale

stem. Toos, wil ik je een kunstje leeren?

--Wat voor een kunstje? vroeg Toos.

--Kijk, je ziet die twee kersen aan elkaâr? Nou, steek die eene in

je mond. Zoo....

--Nu, wat is er dan? vroeg Toos, en deed zooals hij begeerde.

--Dan neem ik de tweede, zie je. Zie je, zoo!.... vervolgde de bengel

en hapte naar de tweede kers met een flinken zoen op Cateau's lippen.

--Maar Jan! bestrafte mevrouw verontwaardigd.

--Die Cateau! Domme meid! riep Freddy lachend.

--Ik wist het heusch niet! betuigde Cateau; die akelige jongen!

--Kom Toos, dat meen je niet; je zou het niet geweten hebben! plaagde

Paul.

Cateau was vooral wanhopig, dat Paul haar niet geloofde....

En de Jan-Plezier ratelde voort langs de weilanden vol vette, grazende

koeien, met huiden als glanzend satijn, zwart en wit gevlekt, terwijl

de knotwilgen aan den zoom der slooten op knoestigen stam hun waaiers

van zilvergrijs loover verhieven.

--Ik vind een wilg zoo een melancholieke boom, vindt je ook niet

Georges? vroeg Lili met gevoel.

--O, Lili wordt poëtisch! riep Etienne. Kom Lili, een ode aan den wilg.

--Ik schijn niets meer te kunnen zeggen, of jullie lachen me uit,

antwoordde Lili verstoord. Ik schijn al zeer bespottelijk te zijn....

En het regende plagerijen op Lili en kersen in een ieders schoot

onder een algemeen gelach.

De weg klom, terwijl duinachtige verschieten verrezen. Hier en daar

lag een buitenplaats, verloren in het groen, of een boerderij, met

velden vol wortelen en bloemkoolen en rijen van boonenstaketsels of

een tuintje vol zonnebloemen, papavers en stokrozen. Hier en daar glom

een tuinspiegel, als gepolijst nikkel. Een vrouw, bezig met waschgoed

aan een sloot uit te wringen, hief zich even op en glimlachte en twee

boerenkinderen liepen het rijtuig achterna, daar Jan en Cateautje

hun kersen toewierpen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 86 / 188 题