De tocht ging naar een boer, welbekend bij de Verstraetens. Langs den
Loosduinschen weg, in de brandende zon, reed de volle Jan-Plezier,
een enkele maal door de tram tegemoet gestoomd. Mevrouw Verstraeten en
Mathilde zaten achter-in met Nico tusschen haar beiden; Marie, Lili en
Frédérique vulden met Paul, Etienne en Georges de tusschenruimte; de
voorbank was ingenomen door Tine en Lientje en de neefjes Verstraeten;
Johan troonde op den bok en in den kattebak zat Cateautje Van der
Stoor met brutalen Janbroêr. Zoo zou het een gezellige partij worden,
geheel en al een onderonsje, zonder vreemde menschen, waarvoor men
maar een lastig decorum zou te bewaren hebben gehad. Marie deelde
uit een groote mand kersen telkens een handvol uit, aan wie maar
wilde en Etienne vertelde, al etende, hoe Marguerite Van Laren met
een pretentieusen mond beweerd had, dat een Jan-Plezier burgerlijk was.
--De Van Larens gaan zeker altijd in hofrijtuigen naar een
buitenpartij.... met een gegalonneerden knecht! zeide Georges.
--In toiletten à la Watteau, met schaapjes aan roze linten! voegde
Lili er bij en zij lachten elkander toe.
Een ieder lachte en zij gevoelden zich allen zeer opgewekt, in een
humeur om veel plezier te hebben, de meisjes in haar eenvoudige
katoenen japonnetjes, de jongelui in hunne lichte zomerpakken met
strooien hoeden.
--Cateau, wil je kersen? vroeg Marie, en er reisde een handvol naar
Cateau toe. Deel dan met Jan.
--O, ik zal het mijne wel krijgen, riep Jan met zijn brutale
stem. Toos, wil ik je een kunstje leeren?
--Wat voor een kunstje? vroeg Toos.
--Kijk, je ziet die twee kersen aan elkaâr? Nou, steek die eene in
je mond. Zoo....
--Nu, wat is er dan? vroeg Toos, en deed zooals hij begeerde.
--Dan neem ik de tweede, zie je. Zie je, zoo!.... vervolgde de bengel
en hapte naar de tweede kers met een flinken zoen op Cateau's lippen.
--Maar Jan! bestrafte mevrouw verontwaardigd.
--Die Cateau! Domme meid! riep Freddy lachend.
--Ik wist het heusch niet! betuigde Cateau; die akelige jongen!
--Kom Toos, dat meen je niet; je zou het niet geweten hebben! plaagde
Paul.
Cateau was vooral wanhopig, dat Paul haar niet geloofde....
En de Jan-Plezier ratelde voort langs de weilanden vol vette, grazende
koeien, met huiden als glanzend satijn, zwart en wit gevlekt, terwijl
de knotwilgen aan den zoom der slooten op knoestigen stam hun waaiers
van zilvergrijs loover verhieven.
--Ik vind een wilg zoo een melancholieke boom, vindt je ook niet
Georges? vroeg Lili met gevoel.
--O, Lili wordt poëtisch! riep Etienne. Kom Lili, een ode aan den wilg.
--Ik schijn niets meer te kunnen zeggen, of jullie lachen me uit,
antwoordde Lili verstoord. Ik schijn al zeer bespottelijk te zijn....
En het regende plagerijen op Lili en kersen in een ieders schoot
onder een algemeen gelach.
De weg klom, terwijl duinachtige verschieten verrezen. Hier en daar
lag een buitenplaats, verloren in het groen, of een boerderij, met
velden vol wortelen en bloemkoolen en rijen van boonenstaketsels of
een tuintje vol zonnebloemen, papavers en stokrozen. Hier en daar glom
een tuinspiegel, als gepolijst nikkel. Een vrouw, bezig met waschgoed
aan een sloot uit te wringen, hief zich even op en glimlachte en twee
boerenkinderen liepen het rijtuig achterna, daar Jan en Cateautje
hun kersen toewierpen.