I.

Lili was boos, zeer boos; haar lippen beefden en de tranen welden

haar bijna in de oogen.

--Ik begrijp volstrekt niet, waarom hij niet gevraagd kan

worden! antwoordde zij Marie wrevelig. Hij komt geregeld hier aan huis.

--Maar Lili, hoe kan je zoo dwaas zijn! Mama heeft hem van den winter

immers een paar keer gevraagd en zoo intiem zijn we niet met hem,

om hem voor een buitenpartij te vragen. Als je er vreemden inhaalt,

wordt het stijf.

--Hij is niets stijf.

--Daar heb je gelijk in; hij is mij bij nadere kennismaking ook wel

meêgevallen, maar we kennen hem toch niet zooals Paul en Etienne.

--Ja, lieve jongens! Ze slenteren van de Witte naar Linke en van de

Bordelaise naar de Bodega en altijd met dien lammen Vere. We zien ze

tegenwoordig nooit; Paul komt bij hooge gratie eens aan en Etienne is

voor mij een mythe geworden. Vraag dan Vere! eindigde zij op vinnigen

toon. Dan heb je het drietal compleet.

Marie haalde haar schouders op.

--Wordt nu niet boos op mij, Lili, omdat mama De Woude niet wil

vragen. Ik kan het toch niet helpen! antwoordde zij zacht.

--Ach neen! Maar het is altijd zoo, als ik.... als ik eens een idée

heb. Het is nooit goed. Ik bemoei me er ook niet meer meê. De heele

partij kan me niets schelen.

Zij ging, met moeite haar tranen inhoudend, den kleinen salon uit,

terwijl Marie zuchtend haar boek opnam.

Mevrouw Verstraeten was bij haar man, in de serre, gaan zitten. Zij

had iets opgevangen van Lili's korte, driftige zinnen, en zij was

vol van een gedachte, die over haar vriendelijk gelaat een weêrschijn

van weifeling wierp.

--Wat is er? vroeg de oude heer.

--Ach, het is over De Woude! fluisterde mevrouw aarzelend, om niet

door Marie verstaan te worden. Lili wil, dat ik hem voor overmorgen

vragen zal, maar....

--Nu, waarom niet? Ik mag De Woude wel, al is hij wat fatterig;

hij is nogal vroolijk zoo met de meisjes...

--Maar Karel, waarlijk, wij mogen dat niet aanwakkeren... Ik ben,

als ik hem zie, altijd heel beleefd tegen hem, maar we behoeven hem

niet aan te halen, wel? Wat kan daar nu van komen! Lili is nog een

half kind en zet zich allerlei dingen in het hoofd, maar wat... wat

wil je nu dat dit wordt?

--Waarom moet je nu dadelijk denken, dat ze met elkaâr willen gaan

trouwen? Er is nu alleen maar kwestie van een invitatie....

--Ach ja, maar jij ziet ze nooit samen, zooals ik ze zie ... Als je

eens een enkelen keer meê naar Scheveningen ging...

--Ik dank je hartelijk!

--Dan zou je het zelf zien... Hij is niet af te slaan van ons

tafeltje. Hij is wel zoo discreet om niet altijd te accepteeren,

als ik hem vraag meê ijs te gaan eten, maar hij blijft tot wij weg

gaan en spreekt zijn andere kennissen ternauwernood aan. Met Marie

wandelt hij eventjes, pour acquit de conscience, en dan is het Lili

voor en Lili na... Je begrijpt, ik zie daar niets geen goed in...

--En geloof je, dat Lili...?

--Ja natuurlijk, zonder kwestie! Iedereen spreekt er ook over,

iedereen kan het zien; ze winden er dan ook geen doekjes om. Ik weet

het niet... ik weet niet wat daarvan worden moet! sprak mevrouw en

opnieuw gleed die weifeling over haar gelaat als een schaduw.

De heer Verstraeten zag een oogenblik peinzend voor zich uit; toen

vroeg hij fluisterend iets aan zijn vrouw en zij spraken lang met

elkaâr op onderdrukten toon.

Marie intusschen had niet kunnen voortlezen en zij ging naar boven, ten

einde Lili te zoeken. Zij vond haar snikkende op haar bed neêrgezonken,

met haar schokkend hoofd in de kussens verborgen.

--Lili! riep ze zacht.

Lili schrikte toen zij Marie's stem herkende.

--Och, laat me! riep ze ongeduldig uit, als wilde zij niet anders

dan eenzaam en ongelukkig zijn.

Marie echter vatte haar bij de handen en dwong haar op te zien.

--Lili, hoe kan je toch zoo onverstandig wezen! berispte zij met haar

zachte, doordringende stem. Je maakt je immers akelig voor niets... Zoo

kan men op het laatst niet meer met elkaâr omgaan en geen woord meer

met elkaâr spreken; van alles maak je tegenwoordig een scène. Lili

hoor nu!

--Ach, toe, laat me nu alleen...

--Vindt je het dan prettig je ongelukkiger te maken, dan je bent en

hier alleen te liggen huilen? Waarom spreek je liever niet ronduit

met me? Het is immers veel beter vertrouwen in elkaâr te stellen en

alles te zeggen...

Zijzelve had zoo gaarne willen spreken, veel willen spreken, alles

willen zeggen, aan Lili of aan haar mama, maar er zijn sommige

gevoelens, waarover men niet spreken mag...

Lili richtte zich een weinig op en streek van heur vochtig gelaat de

verwarde haren weg.

--Ach, wat wil je dan hebben, dat ik zeg? Je weet immers alles! Georges

kan tegenwoordig geen goed meer doen in de oogen van mama!

--Kom, je overdrijft. Zoowel papa als mama mogen hem beiden heel

gaarne.

--O ja, zeker! Maar als het er op aankomt hem een attentie te

bewijzen.... Ach, en jij zelf immers ook...

--Wat ik ook?

--Je noemt hem immers zelf ook een vreemde, die het stijf zou maken!

--Als ik geweten had, dat ik je met die betiteling verdriet zou doen,

had ik iets anders gezegd. Alleen kan ik niet aanzien, dat je je

opwindt voor niets, Lili. Je stelt je heusch aan of je geheele leven

voor altijd gebroken is, en dat alleen omdat mama het nu beter vindt

De Woude niet te vragen.

--Het is toch ook voor mij niet prettig! Ik heb hem al... ik heb hem

al over de partij gesproken en... hij rekent er natuurlijk op...

--Waarom ben je dan zoo onvoorzichtig! Mama vindt het natuurlijk ook

niet prettig, als de menschen over jullie kakelen. Gisteren vroeg

mevrouw Eekhof nog...

--Wat kan ons mevrouw Eekhof schelen, als we van elkaâr houden. Als

je je aan iedereen wilt storen...

Er trok om Marie's lippen een bijna spotzieke glimlach.

--Ja, Lili! antwoordde zij, met een bittere treurigheid, die voor

Lili echter verloren ging in haar scherts, je hebt het zwaar te

verantwoorden! Je houdt van Georges en Georges houdt van jou, en de

geheele wereld is tegen jullie, mama, en mevrouw Eekhof en iedereen,

nietwaar? Het is wel treurig, nietwaar kind, het is wel ongelukkig! en

ik kan me zoo begrijpen, dat je niet de minste hoop meer voedt,

dat het anders wordt. Het is wel ongelukkig!

--Hé, Marie! Hoe kan je zoo spreken, als je weet... als je weet,

dat ik verdriet heb.

--Ja, ik ben wreed, nietwaar? ging Marie voort, maar heur glimlach

werd zachter. Kom, Lili, toe, huil nu niet meer, en geef me een

zoen; vergeef me als ik onaardig was; wil ik mama nog eens zien over

te halen?

--O, als je zoo lief zoudt willen zijn? Mama zal het zeker doen,

als jij het vraagt.

--Ja, mij kan niemand iets weigeren, nietwaar? Mij loopt alles meê

in de wereld. Het is alleen tegen jou, dat iedereen zich verzet. Arm

kind, dat je bent!

Lili lachte even door haar tranen heen, terwijl zij Marie aanzag.

--Marie, wat ben je toch komiek, als je zoo plechtstatig oreert! Ik

moet er heusch om lachen!

--Wel ja, zusje, lach maar; laten we maar lachen, zoolang we het

kunnen doen. Nu adieu, maak je haren wat op, ik ga naar mama.

Zij knikte Lili toe en zij ging en benijdde haar zuster, die kon

uitspreken, wat zij gevoelde. En terwijl zij de trap afging, glimlachte

zij weemoedig om Lili's smart en Lili's wanhoop over Georges. Zij

dacht aan haar zuster als aan een kind, om speelgoed weenend, dat men

het voor een pooze ontnomen had; zij zag Lili's nu zoo innig bedroefd

gezichtje reeds stralen van een blijden lach, zooals het stralen zou,

wanneer zij, Marie, over een half uur bij haar terug zou komen.

Gelukkige Lili, die zoo vrij mocht weenen, die zoo vrij al in

jubelenden overmoed, mocht uitroepen:

--Wat kan ons mevrouw Eekhof schelen, als we van elkaâr houden!

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 85 / 188 题