Mathilde Van Rijssel had aan het strand een tent gehuurd, en Jeanne
Ferelijn gezegd, dat zij maar, zooveel zij wilde, met haar kinderen bij
haar moest komen zitten. Jeanne had eerst, uit bescheidenheid, slechts
een enkele maal aan dit verzoek voldaan, maar Mathilde drong aan en
Jeanne kwam nu zeer dikwijls; soms spraken zij beiden af des morgens
reeds te vertrekken en boterhammen meê te nemen,--de kinderen konden
aan den wagen der melkinrichting melk drinken,--en zij zaten dan beiden
in het opgeslagen zeil der tent, waarop de zon broeide, en die slechts
voor een bewaarplaats van trommels en manteltjes werd gebezigd, en
werkten of lazen of praatten, terwijl haar beider kinderen óf vóor de
tent of in een grooten zandkuil met hun schopjes groeven óf dicht bij
de zee, als kleine ingenieurs, de wonderlijkste aquaducten schiepen. En
Jeanne meende, dat de hare flinker werden en minder zeurden, nu zij
door de woelige Van Rijsseltjes speelsch en vroolijk werden gemaakt,
en zij en Mathilde zagen met genot op het zevental neêr, dat als jonge
honden van hun kuil naar hun waterleiding draafde. Vooral Jeanne had
genoten van dat veelvoudig samenzijn met Mathilde, in wie zij een
vriendin had gevonden, die haar beslommeringen begreep en die haar
met de ondervinding eener treurigheid, waarin zij berustte, raad gaf
en zij spraken veel over hun kinderen en hun huishoudelijke zaken en
Jeanne vond Mathilde, al was deze dan ook steeds gewend geweest aan
eene omgeving van groot comfort, zeer practisch en zuinig.
Maar niet lang duurde dit geluk aan het zonnige strand, want de
Ferelijns moesten weldra vertrekken; zij zouden naar Boppard gaan, voor
de koudwaterkuur van Frans, en Jeanne tobde en rekende het vermoedelijk
totaal van hunne reis- en verblijfkosten uit. Hoe zouden zij het daar
nog anderhalve maand kunnen rekken, met drie kinderen, terwijl zij
haar bovenhuisje in de Hugo de Grootstraat toch niet konden opzeggen?
Mevrouw Van Erlevoort was met Otto en Eline, die de familie van haar
aanstaande wilde gaan opzoeken, voor een paar dagen naar Zwolle
geweest, en mevrouw was één en al verrukking over de kleine Van
Stralenburg: een baby, zoo mollig en dik als er geen tweede was en met,
o, zooveel donker, krullend haar! Zij was Otto dankbaar, dat deze
den tocht naar Zwolle had doorgezet; naar de Horze ging ze iederen
zomer, en de reis naar heur landgoed was haar zoo gewoon geworden,
dat zij er nimmer bezwaren in zag, maar de minste andere verplaatsing
uit haar tehuis deed haar pijn, als sleurde men er haar voor altijd
van weg. Zij genoot wanneer zij weder terug was in haar ruim huis
op het Voorhout, met zijn eenigszins ouderwetsche luxe, verwelkt
en verkleurd, maar vol gemak en gezelligheid. Eline vond de Van
Stralenburgen allerliefst; Suzanne een snoezig moedertje, niet mooi,
nu en dan wat nonchalant gekleed, maar zóo eenvoudig en vriendelijk,
en zóo dol op haar kleinen jongen, dat het heerlijk was om aan te zien;
hij, een goede, grappige vent, maar tot in het dolle toe bedorven door
zijn vrouw, die hem zóo bediende en zóo voor hem de trappen afdraafde,
dat Eline het soms moest uitproesten van het lachen.... neen, zoo
zou ze nooit voor Otto worden; daar moest hij maar niet op rekenen,
hoor! Maar hoewel zij Otto hiervoor schertsend gewaarschuwd had, op
den grond van heur hart had zij gevoeld, dat het zalig was, zich zoo
geheel en al aan een man te wijden als Suzanne zich wijdde aan Van
Stralenburg; zoo als een trouwe slavin in heur meester, in een man
op te gaan, slechts voor hem te bestaan en geheel en al zijn eigendom
te worden. Innig huiselijke voorstellingen van heur leven als Otto's
vrouw, heur leven, dat komen zou, schiep zich dan heure fantazie,
die steeds behoefte had te beelden en te boetseeren, en die zelfs in
een overgelukkig heden niet kon nalaten de tooverbeelden van een nog
gelukkiger toekomst op te roepen.
In deze stemming, die haar ziel als met idyllen vulde, zag zij ook
in alles den weêrschijn van dat geluk, en de menschen harer omgeving
schenen haar allen vriendelijk en liefderijk toe, nooit medegesleept in
hartstochtelijke twisten, en levende voor elkaar, zonder een zweem van
egoïsme. Scènes met Betsy schenen haar nooit meer te zullen voorkomen,
nu dat zij haar zusters schamperen toon niet overnam, maar dien
steeds beantwoordde met een stem vol milde zachtheid, als gedoogde
de waardigheid van haar geluk niet, dat zij het ontroerde door een
enkelen verstorenden klank. Hare zenuwen kwamen tot een groote kalmte
en zij was zelve verwonderd over haar gelijkmatig, blijmoedig humeur,
door geene periodieke buien van levensmoede melancholie verbroken. Er
hingen geen grauwe en zwarte nevels om haar heen; het was als ademde
haar verruimde boezem in een lichte atmosfeer, vol azuur, bloemengeur
en zonnevonken....
Henk had na zijn explicatie met Vincent zich een paar dagen zeer
ontstemd gevoeld; in zijn goedigheid deed hij ongaarne iemand het
minste leed en hij meende Vere gekrenkt te hebben; die arme drommel kon
het toch niet helpen, dat alles hem tegenliep.... Henk had dus Vincent
opgezocht, hem viermaal de gevraagde som willen ter hand stellen,
maar Vincent had geweigerd en integendeel een groot gedeelte zijner
schuld aan Henk afbetaald; hoe hij aan dit geld was gekomen bleef
Henk een raadsel, zooals alles in Vincent hem een raadsel was. Thuis
verweet Betsy aan haar man, dat hij niet wist, hoe met Vere om te gaan
en zij, in heur vage vrees voor dien neef, in wien zij een geheime
kracht vermoedde, die haar heerschzucht naar welgevallen zou kunnen
doen bukken, had het voornemen opgevat coûte-que-coûte haar mans
brusquerie te doen vergeten. Eline was namelijk door Théodore op de
Horze te logeeren gevraagd en zij zou er de Erlevoorten en de Howards,
die nu ook in Den Haag vertoefden, in het laatst van Juli vergezellen,
om gedurende de geheele maand Augustus in Gelderland te blijven. Het
zou dacht Betsy, dus stil zijn in haar groot huis op het Nassauplein;
het lachte haar niet toe nu, alleen met Henk, uit de stad te gaan;
liever wilde zij in het begin van den winter, wanneer Eline getrouwd
zou zijn, een reis naar het Zuiden maken--en het was dus zoowel uit
verlangen naar afleiding als uit diplomatieke aanvalligheid, dat zij
Vincent vroeg gedurende den tijd, dien Eline afwezig zou zijn, zijne
tenten bij hen te komen opslaan. Zij droeg haar verzoek allerliefst
en ongekunsteld voor: zij zou Eline zoo vreeslijk missen, zij zou
zoo alleen zijn en Vincent kon zoo gezellig wezen en zoo heerlijk
over zijn omzwervingen causeeren... hij moest het dus niet weigeren,
en hij zou er haar een immens groot plezier mede doen.... Vincent
was ten zeerste verheugd door dit verzoek, dat hem een perspectief
van kalmte en onbezorgdheid ontsloot; hij zou het goed hebben zonder
een cent te behoeven uit te geven, een maand lang! En een maand van
rust scheen hem in zijn tegenwoordig ellendig slingeren van den eenen
dag op den anderen een tijdlengte toe, die nooit zou eindigen, een
eeuwigheid van weelde. Hij nam Betsy's verzoek dus aan met heimelijke
vreugde, uiterlijk echter met zekere neêrbuigende welwillendheid,
als gevoelde hij nog wel een zweem van krenking over Henks weigering,
en als wilde hij gaarne Betsy gelegenheid geven de onhartelijkheid
van Van Raat goed te maken.
Hoofdstuk XVIII.