VI.

Mathilde Van Rijssel had aan het strand een tent gehuurd, en Jeanne

Ferelijn gezegd, dat zij maar, zooveel zij wilde, met haar kinderen bij

haar moest komen zitten. Jeanne had eerst, uit bescheidenheid, slechts

een enkele maal aan dit verzoek voldaan, maar Mathilde drong aan en

Jeanne kwam nu zeer dikwijls; soms spraken zij beiden af des morgens

reeds te vertrekken en boterhammen meê te nemen,--de kinderen konden

aan den wagen der melkinrichting melk drinken,--en zij zaten dan beiden

in het opgeslagen zeil der tent, waarop de zon broeide, en die slechts

voor een bewaarplaats van trommels en manteltjes werd gebezigd, en

werkten of lazen of praatten, terwijl haar beider kinderen óf vóor de

tent of in een grooten zandkuil met hun schopjes groeven óf dicht bij

de zee, als kleine ingenieurs, de wonderlijkste aquaducten schiepen. En

Jeanne meende, dat de hare flinker werden en minder zeurden, nu zij

door de woelige Van Rijsseltjes speelsch en vroolijk werden gemaakt,

en zij en Mathilde zagen met genot op het zevental neêr, dat als jonge

honden van hun kuil naar hun waterleiding draafde. Vooral Jeanne had

genoten van dat veelvoudig samenzijn met Mathilde, in wie zij een

vriendin had gevonden, die haar beslommeringen begreep en die haar

met de ondervinding eener treurigheid, waarin zij berustte, raad gaf

en zij spraken veel over hun kinderen en hun huishoudelijke zaken en

Jeanne vond Mathilde, al was deze dan ook steeds gewend geweest aan

eene omgeving van groot comfort, zeer practisch en zuinig.

Maar niet lang duurde dit geluk aan het zonnige strand, want de

Ferelijns moesten weldra vertrekken; zij zouden naar Boppard gaan, voor

de koudwaterkuur van Frans, en Jeanne tobde en rekende het vermoedelijk

totaal van hunne reis- en verblijfkosten uit. Hoe zouden zij het daar

nog anderhalve maand kunnen rekken, met drie kinderen, terwijl zij

haar bovenhuisje in de Hugo de Grootstraat toch niet konden opzeggen?

Mevrouw Van Erlevoort was met Otto en Eline, die de familie van haar

aanstaande wilde gaan opzoeken, voor een paar dagen naar Zwolle

geweest, en mevrouw was één en al verrukking over de kleine Van

Stralenburg: een baby, zoo mollig en dik als er geen tweede was en met,

o, zooveel donker, krullend haar! Zij was Otto dankbaar, dat deze

den tocht naar Zwolle had doorgezet; naar de Horze ging ze iederen

zomer, en de reis naar heur landgoed was haar zoo gewoon geworden,

dat zij er nimmer bezwaren in zag, maar de minste andere verplaatsing

uit haar tehuis deed haar pijn, als sleurde men er haar voor altijd

van weg. Zij genoot wanneer zij weder terug was in haar ruim huis

op het Voorhout, met zijn eenigszins ouderwetsche luxe, verwelkt

en verkleurd, maar vol gemak en gezelligheid. Eline vond de Van

Stralenburgen allerliefst; Suzanne een snoezig moedertje, niet mooi,

nu en dan wat nonchalant gekleed, maar zóo eenvoudig en vriendelijk,

en zóo dol op haar kleinen jongen, dat het heerlijk was om aan te zien;

hij, een goede, grappige vent, maar tot in het dolle toe bedorven door

zijn vrouw, die hem zóo bediende en zóo voor hem de trappen afdraafde,

dat Eline het soms moest uitproesten van het lachen.... neen, zoo

zou ze nooit voor Otto worden; daar moest hij maar niet op rekenen,

hoor! Maar hoewel zij Otto hiervoor schertsend gewaarschuwd had, op

den grond van heur hart had zij gevoeld, dat het zalig was, zich zoo

geheel en al aan een man te wijden als Suzanne zich wijdde aan Van

Stralenburg; zoo als een trouwe slavin in heur meester, in een man

op te gaan, slechts voor hem te bestaan en geheel en al zijn eigendom

te worden. Innig huiselijke voorstellingen van heur leven als Otto's

vrouw, heur leven, dat komen zou, schiep zich dan heure fantazie,

die steeds behoefte had te beelden en te boetseeren, en die zelfs in

een overgelukkig heden niet kon nalaten de tooverbeelden van een nog

gelukkiger toekomst op te roepen.

In deze stemming, die haar ziel als met idyllen vulde, zag zij ook

in alles den weêrschijn van dat geluk, en de menschen harer omgeving

schenen haar allen vriendelijk en liefderijk toe, nooit medegesleept in

hartstochtelijke twisten, en levende voor elkaar, zonder een zweem van

egoïsme. Scènes met Betsy schenen haar nooit meer te zullen voorkomen,

nu dat zij haar zusters schamperen toon niet overnam, maar dien

steeds beantwoordde met een stem vol milde zachtheid, als gedoogde

de waardigheid van haar geluk niet, dat zij het ontroerde door een

enkelen verstorenden klank. Hare zenuwen kwamen tot een groote kalmte

en zij was zelve verwonderd over haar gelijkmatig, blijmoedig humeur,

door geene periodieke buien van levensmoede melancholie verbroken. Er

hingen geen grauwe en zwarte nevels om haar heen; het was als ademde

haar verruimde boezem in een lichte atmosfeer, vol azuur, bloemengeur

en zonnevonken....

Henk had na zijn explicatie met Vincent zich een paar dagen zeer

ontstemd gevoeld; in zijn goedigheid deed hij ongaarne iemand het

minste leed en hij meende Vere gekrenkt te hebben; die arme drommel kon

het toch niet helpen, dat alles hem tegenliep.... Henk had dus Vincent

opgezocht, hem viermaal de gevraagde som willen ter hand stellen,

maar Vincent had geweigerd en integendeel een groot gedeelte zijner

schuld aan Henk afbetaald; hoe hij aan dit geld was gekomen bleef

Henk een raadsel, zooals alles in Vincent hem een raadsel was. Thuis

verweet Betsy aan haar man, dat hij niet wist, hoe met Vere om te gaan

en zij, in heur vage vrees voor dien neef, in wien zij een geheime

kracht vermoedde, die haar heerschzucht naar welgevallen zou kunnen

doen bukken, had het voornemen opgevat coûte-que-coûte haar mans

brusquerie te doen vergeten. Eline was namelijk door Théodore op de

Horze te logeeren gevraagd en zij zou er de Erlevoorten en de Howards,

die nu ook in Den Haag vertoefden, in het laatst van Juli vergezellen,

om gedurende de geheele maand Augustus in Gelderland te blijven. Het

zou dacht Betsy, dus stil zijn in haar groot huis op het Nassauplein;

het lachte haar niet toe nu, alleen met Henk, uit de stad te gaan;

liever wilde zij in het begin van den winter, wanneer Eline getrouwd

zou zijn, een reis naar het Zuiden maken--en het was dus zoowel uit

verlangen naar afleiding als uit diplomatieke aanvalligheid, dat zij

Vincent vroeg gedurende den tijd, dien Eline afwezig zou zijn, zijne

tenten bij hen te komen opslaan. Zij droeg haar verzoek allerliefst

en ongekunsteld voor: zij zou Eline zoo vreeslijk missen, zij zou

zoo alleen zijn en Vincent kon zoo gezellig wezen en zoo heerlijk

over zijn omzwervingen causeeren... hij moest het dus niet weigeren,

en hij zou er haar een immens groot plezier mede doen.... Vincent

was ten zeerste verheugd door dit verzoek, dat hem een perspectief

van kalmte en onbezorgdheid ontsloot; hij zou het goed hebben zonder

een cent te behoeven uit te geven, een maand lang! En een maand van

rust scheen hem in zijn tegenwoordig ellendig slingeren van den eenen

dag op den anderen een tijdlengte toe, die nooit zou eindigen, een

eeuwigheid van weelde. Hij nam Betsy's verzoek dus aan met heimelijke

vreugde, uiterlijk echter met zekere neêrbuigende welwillendheid,

als gevoelde hij nog wel een zweem van krenking over Henks weigering,

en als wilde hij gaarne Betsy gelegenheid geven de onhartelijkheid

van Van Raat goed te maken.

Hoofdstuk XVIII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 84 / 188 题