V.

Henk en Vicent zaten alleen aan het tafeltje bij de Conversatie-zaal,

daar Betsy met den jongen Hijdrecht in eene, bijna te bruyante,

flirtation rondwandelde, en Eline en Otto een oogenblik bij mevrouw

Eekhof waren gaan zitten, die zij viermalen zonder groet hadden

voorbij gestevend zooals Ange beweerde.

--Ik was van middag half dood, van die warmte! mompelde Vincent.

--Ja, Eline kan er ook niet tegen, antwoordde Henk en dronk zijn

Pilsener uit.

Vincent dronk niets; hij was eenigszins duizelig door dat eeuwig

gedraai van al die menschen. Hij kwam zelden te Scheveningen: des

morgens verging men er van de hitte, die het zand roosterde en des

avonds was het hem te vermoeiend. Een enkelen keer ging hij; om er

nu en dan eens geweest te zijn....

Hij had een vraag aan Henk op de lippen, een vraag, die hij bijna

niet durfde doen, een vraag om geld. De tweede maal, dat Henk hem

geld voorgeschoten had, was dit niet meer met de gewone, goede gulheid

gedaan. Vere's eeuwigdurend geldgebrek begon Henk te vervelen.... het

was altijd het zelfde liedje! Vincent had dit opgemerkt, maar toch,

het kon niet anders, en hij bereidde zijn vraag voor met een inleiding,

geuit op schijnbaar luchtigen toon.

--Ik denk, dat ik je nog deze week een deel van mijn schuld zal

kunnen afdoen, Van Raat. Ik wacht geld. Alleen voor het oogenblik

zit ik wat in verlegenheid.... Als ik niet al zoo dikwijls misbruik

had gemaakt van je goedheid, zou ik nog eens je hulp durven inroepen,

maar het zou indiscreet worden... Ik zal wel zien, dat ik deze week

nog rondspring....

Henk antwoordde niet, maar sloeg met zijn stok een langzame maat:

men speelde de ouverture van den Guillaume Tell.

--Het is vervelend, dat ik met die kinahistorie niet klaar ben

gekomen! ging Vincent voort. Maar ik heb nu een brief gekregen van

een vriend uit Amerika; hij is rijk en heeft veel relaties en zou

in New-York aan een handelshuis eens voor mij rondzien.... Maar zie

je.... op het oogenblik.... Zeg. Van Raat, je zou me toch een immens

groot pleizier doen, als je me nog een vijftig gulden kon leenen....

Henk keerde zijn groot lichaam driftig naar Vincent toe.

--Zeg, Vere, komt er nog geen einde aan dat gezanik, hè? Ik moet

het gul bekennen, dat het me razend begint te vervelen. Het

is dan vijfhonderd gulden, dan honderd gulden, dan vijftig

gulden.... Waar.... waar wacht je dan toch op? Wat denk je te doen? Als

je toch geen cent in de wereld hebt, luibak dan zoo niet, maar zoek

iets. Ik kan je toch niet onderhouden, hè....?

Vincent had, in een vaag voorgevoelen, een uitbarsting verwacht,

en liet de korte zinnen, die Henk, met drift, log uitstootte, over

zich neêrplompen zonder tegenspraak. Onder dit zwijgen werd Henk

bijna verlegen en de klank zijner eigen stem bleef hemzelven ruw in

de ooren hangen. Toch ging hij voort:

--Dàn leuter je over geld uit Brussel.... of uit Malaga, dàn moet

het komen uit New-York.... Wanneer komt het dan? Je begrijpt, mij

ruïneert het niet, als je me niet terug geeft wat je me schuldig bent,

en ik val je er ook nooit lastig om, maar alles te zamen loopt het

nu toch naar de tweeduizend gulden en het begint me de keel uit te

hangen.... Blijf dan toch niet zoo ellendig hier in Den Haag lummelen,

zoek dan toch iets....

Henks toon van drift vervloeide reeds eenigszins in een van goediger

betuiging, maar Vincent bleef zwijgen, de oogen op de punten zijner

schoenen gericht, die hij zachtjes met zijn rotting tikte, en Henk

wist niet meer wat te zeggen.... En het was hem een verlichting,

toen Vincent eindelijk mat het hoofd opbeurde en fluisterde:

--Het is zoo.... je hebt gelijk.... maar het is niet mijn

schuld.... omstandigheden nietwaar....? Enfin, ik zal zien, wat ik

doe.... neem me niet kwalijk, dat ik je lastig viel....

Hij hief zich langzaam op, terwijl Henk bij die onderworpenheid zocht

naar een fraze....

--Nu adieu dan, tot weêrziens! sprak Vincent ten laatste met een flauw

glimlachje en hij knikte Henk toe, zonder hem de hand te reiken. Adieu

dan, ik moet weg.

Henk wilde zijn hand uitsteken, maar Vincent had zich reeds omgewend

en Henk zag hem zich langzaam een weg banen door de menigte, terwijl

hij een enkelen keer met een loom gebaar zijn hoed afnam.

Zeer ontevreden over zichzelven bleef Henk alleen aan het tafeltje.

Na een pooze kwamen echter Eline en Otto terug en beklaagden hem

schertsend over zijn eenzaamheid. En ook Betsy werd weldra teruggeleid

door Hijdrecht, die zij hartelijk lachend de hand drukte. Het was

reeds laat; tal van menschen waren reeds vóor het laatste nummer

vertrokken, en nu het concert uit was; vloeide de menigte langzaam

door de Kurzaal weg. Zachtjes aan temperde de luidruchtigheid van

die drukke atmosfeer vol muziek, gescherts, gasgloed en bonte kleuren

zich tot een leegte en een rust, terwijl de lantaarns reeds hier en

daar waren uitgedraaid, en slechts enkele groepjes bleven zitten,

genietende van de zachte lucht, die ruimer werd, als doorgeurd met

een zilte frischheid.... Men tuurde niet meer naar elkaâr, men zag

naar de zee, naar de lucht en den bleeken melkweg...

--Het is hier heerlijk, willen we nog wat gaan zitten? vroeg Betsy.

--Laten we liever gaan toeren! drong Eline aan; tenminste als het je

niet te laat wordt en je niet gelooft, dat de paarden moê zijn, Henk.

Betsy vond Eline excentriek om in den laten avond nog te willen

toeren, maar toch lachte zusjes idée haar ook toe. En zij begaven

zich naar de achterzijde van het Kurhaus, waar hun rijtuig wachtte,

te midden van enkele andere equipages.

Eline vond, dat de wind was opgestoken en wilde vóor zitten, onder

de half opgeslagen kap, naast Otto. Betsy beval Dirk door het Van

Stolkpark naar huis te gaan.

Stil en schimachtig schemerden de villa's tusschen de vage, donkere

massa's van het geboomte, waardoor een enkele zucht, slechts somwijlen

hoorbaar, scheen te suizelen. Maar het getrappel der paarden en het

lichte geratel der wielen over het grint bedekte dat hijgen der koelte

in het loof met een luidruchtigheid, die geen woorden verbraken. Betsy

lag gemakkelijk een weinig achterover en genoot. Henk was onder

den onaangenamen druk van zijn gesprek met Vincent, dien hij meende

leed gedaan te hebben, en Eline liet haar gedachte wegwiegelen in

een zachtstreelende weelde. Zij had heur hoed afgezet en zij boog

zich een weinig naar Otto toe en luisterde naar zijn ademhaling,

die zich regelmatig uit zijn borst ophief. Hij, onzichtbaar in de

schaduw der opgeheven kap, had zijn arm om haar middel gelegd, en

haar een weinig naar zich toe getrokken, zoodat haar wang bijna op

zijn schouder lag, terwijl haar hand over zijn knie hing. En zij was

zeer gelukkig, en verlangde niets meer, dan zoo, in zijn arm, zich

een nacht lang te laten voortrijden in de avondkoelte, onder het nauw

bewogen looverdak. Zij kon zich niets voorstellen, dat zoeter zoude

zijn, dan zoo tegen hem aan te leunen, het stijgen van zijn adem,

die, bijna een kus, heure haren deed trillen, te bespieden en zijn

arm als gordel van liefde om heur middel te voelen.

En overwonnen door haar weelde, liet zij haar hoofd ten laatste zinken

op zijn schouder.

--Wat is de naam dien je verzonnen hebt? fluisterde zij eensklaps

vragend aan zijn oor.

--Nily! fluisterde hij terug en terwijl zij zijn arm vaster haar leest

voelde omvatten, herhaalden haar lippen bijna onhoorbaar den naam,

die als een stille klank van liefkoozing haar geheel doorjubelde.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 83 / 188 题