Henk en Vicent zaten alleen aan het tafeltje bij de Conversatie-zaal,
daar Betsy met den jongen Hijdrecht in eene, bijna te bruyante,
flirtation rondwandelde, en Eline en Otto een oogenblik bij mevrouw
Eekhof waren gaan zitten, die zij viermalen zonder groet hadden
voorbij gestevend zooals Ange beweerde.
--Ik was van middag half dood, van die warmte! mompelde Vincent.
--Ja, Eline kan er ook niet tegen, antwoordde Henk en dronk zijn
Pilsener uit.
Vincent dronk niets; hij was eenigszins duizelig door dat eeuwig
gedraai van al die menschen. Hij kwam zelden te Scheveningen: des
morgens verging men er van de hitte, die het zand roosterde en des
avonds was het hem te vermoeiend. Een enkelen keer ging hij; om er
nu en dan eens geweest te zijn....
Hij had een vraag aan Henk op de lippen, een vraag, die hij bijna
niet durfde doen, een vraag om geld. De tweede maal, dat Henk hem
geld voorgeschoten had, was dit niet meer met de gewone, goede gulheid
gedaan. Vere's eeuwigdurend geldgebrek begon Henk te vervelen.... het
was altijd het zelfde liedje! Vincent had dit opgemerkt, maar toch,
het kon niet anders, en hij bereidde zijn vraag voor met een inleiding,
geuit op schijnbaar luchtigen toon.
--Ik denk, dat ik je nog deze week een deel van mijn schuld zal
kunnen afdoen, Van Raat. Ik wacht geld. Alleen voor het oogenblik
zit ik wat in verlegenheid.... Als ik niet al zoo dikwijls misbruik
had gemaakt van je goedheid, zou ik nog eens je hulp durven inroepen,
maar het zou indiscreet worden... Ik zal wel zien, dat ik deze week
nog rondspring....
Henk antwoordde niet, maar sloeg met zijn stok een langzame maat:
men speelde de ouverture van den Guillaume Tell.
--Het is vervelend, dat ik met die kinahistorie niet klaar ben
gekomen! ging Vincent voort. Maar ik heb nu een brief gekregen van
een vriend uit Amerika; hij is rijk en heeft veel relaties en zou
in New-York aan een handelshuis eens voor mij rondzien.... Maar zie
je.... op het oogenblik.... Zeg. Van Raat, je zou me toch een immens
groot pleizier doen, als je me nog een vijftig gulden kon leenen....
Henk keerde zijn groot lichaam driftig naar Vincent toe.
--Zeg, Vere, komt er nog geen einde aan dat gezanik, hè? Ik moet
het gul bekennen, dat het me razend begint te vervelen. Het
is dan vijfhonderd gulden, dan honderd gulden, dan vijftig
gulden.... Waar.... waar wacht je dan toch op? Wat denk je te doen? Als
je toch geen cent in de wereld hebt, luibak dan zoo niet, maar zoek
iets. Ik kan je toch niet onderhouden, hè....?
Vincent had, in een vaag voorgevoelen, een uitbarsting verwacht,
en liet de korte zinnen, die Henk, met drift, log uitstootte, over
zich neêrplompen zonder tegenspraak. Onder dit zwijgen werd Henk
bijna verlegen en de klank zijner eigen stem bleef hemzelven ruw in
de ooren hangen. Toch ging hij voort:
--Dàn leuter je over geld uit Brussel.... of uit Malaga, dàn moet
het komen uit New-York.... Wanneer komt het dan? Je begrijpt, mij
ruïneert het niet, als je me niet terug geeft wat je me schuldig bent,
en ik val je er ook nooit lastig om, maar alles te zamen loopt het
nu toch naar de tweeduizend gulden en het begint me de keel uit te
hangen.... Blijf dan toch niet zoo ellendig hier in Den Haag lummelen,
zoek dan toch iets....
Henks toon van drift vervloeide reeds eenigszins in een van goediger
betuiging, maar Vincent bleef zwijgen, de oogen op de punten zijner
schoenen gericht, die hij zachtjes met zijn rotting tikte, en Henk
wist niet meer wat te zeggen.... En het was hem een verlichting,
toen Vincent eindelijk mat het hoofd opbeurde en fluisterde:
--Het is zoo.... je hebt gelijk.... maar het is niet mijn
schuld.... omstandigheden nietwaar....? Enfin, ik zal zien, wat ik
doe.... neem me niet kwalijk, dat ik je lastig viel....
Hij hief zich langzaam op, terwijl Henk bij die onderworpenheid zocht
naar een fraze....
--Nu adieu dan, tot weêrziens! sprak Vincent ten laatste met een flauw
glimlachje en hij knikte Henk toe, zonder hem de hand te reiken. Adieu
dan, ik moet weg.
Henk wilde zijn hand uitsteken, maar Vincent had zich reeds omgewend
en Henk zag hem zich langzaam een weg banen door de menigte, terwijl
hij een enkelen keer met een loom gebaar zijn hoed afnam.
Zeer ontevreden over zichzelven bleef Henk alleen aan het tafeltje.
Na een pooze kwamen echter Eline en Otto terug en beklaagden hem
schertsend over zijn eenzaamheid. En ook Betsy werd weldra teruggeleid
door Hijdrecht, die zij hartelijk lachend de hand drukte. Het was
reeds laat; tal van menschen waren reeds vóor het laatste nummer
vertrokken, en nu het concert uit was; vloeide de menigte langzaam
door de Kurzaal weg. Zachtjes aan temperde de luidruchtigheid van
die drukke atmosfeer vol muziek, gescherts, gasgloed en bonte kleuren
zich tot een leegte en een rust, terwijl de lantaarns reeds hier en
daar waren uitgedraaid, en slechts enkele groepjes bleven zitten,
genietende van de zachte lucht, die ruimer werd, als doorgeurd met
een zilte frischheid.... Men tuurde niet meer naar elkaâr, men zag
naar de zee, naar de lucht en den bleeken melkweg...
--Het is hier heerlijk, willen we nog wat gaan zitten? vroeg Betsy.
--Laten we liever gaan toeren! drong Eline aan; tenminste als het je
niet te laat wordt en je niet gelooft, dat de paarden moê zijn, Henk.
Betsy vond Eline excentriek om in den laten avond nog te willen
toeren, maar toch lachte zusjes idée haar ook toe. En zij begaven
zich naar de achterzijde van het Kurhaus, waar hun rijtuig wachtte,
te midden van enkele andere equipages.
Eline vond, dat de wind was opgestoken en wilde vóor zitten, onder
de half opgeslagen kap, naast Otto. Betsy beval Dirk door het Van
Stolkpark naar huis te gaan.
Stil en schimachtig schemerden de villa's tusschen de vage, donkere
massa's van het geboomte, waardoor een enkele zucht, slechts somwijlen
hoorbaar, scheen te suizelen. Maar het getrappel der paarden en het
lichte geratel der wielen over het grint bedekte dat hijgen der koelte
in het loof met een luidruchtigheid, die geen woorden verbraken. Betsy
lag gemakkelijk een weinig achterover en genoot. Henk was onder
den onaangenamen druk van zijn gesprek met Vincent, dien hij meende
leed gedaan te hebben, en Eline liet haar gedachte wegwiegelen in
een zachtstreelende weelde. Zij had heur hoed afgezet en zij boog
zich een weinig naar Otto toe en luisterde naar zijn ademhaling,
die zich regelmatig uit zijn borst ophief. Hij, onzichtbaar in de
schaduw der opgeheven kap, had zijn arm om haar middel gelegd, en
haar een weinig naar zich toe getrokken, zoodat haar wang bijna op
zijn schouder lag, terwijl haar hand over zijn knie hing. En zij was
zeer gelukkig, en verlangde niets meer, dan zoo, in zijn arm, zich
een nacht lang te laten voortrijden in de avondkoelte, onder het nauw
bewogen looverdak. Zij kon zich niets voorstellen, dat zoeter zoude
zijn, dan zoo tegen hem aan te leunen, het stijgen van zijn adem,
die, bijna een kus, heure haren deed trillen, te bespieden en zijn
arm als gordel van liefde om heur middel te voelen.
En overwonnen door haar weelde, liet zij haar hoofd ten laatste zinken
op zijn schouder.
--Wat is de naam dien je verzonnen hebt? fluisterde zij eensklaps
vragend aan zijn oor.
--Nily! fluisterde hij terug en terwijl zij zijn arm vaster haar leest
voelde omvatten, herhaalden haar lippen bijna onhoorbaar den naam,
die als een stille klank van liefkoozing haar geheel doorjubelde.