IV.

Eline en Otto hoorden eensklaps hun namen zacht uitspreken. Zij zochten

even en zagen aan een tafeltje mevrouw Verstraeten met Marie, Lili en

Frédérique zitten. Georges De Woude was reeds van zijn stoel opgestaan

en wenkte hen glimlachend. Zij traden naderbij en gaven elkaâr de hand.

--Freddy! sprak Otto verrast.

--Mevrouw was zoo lief mij na het eten te laten vragen of ik meêging,

antwoordde zij, bij wijze van verklaring. Otto, we kregen, toen je

weg was juist een brief van de Horze: ze maken het allemaal goed en

je moet veel groeten hebben. Jij ook, Eline.

--O, dank je wel! antwoordde Eline hartelijk, terwijl zij een oogenblik

Georges' stoel naast mevrouw innam. Marie was zeer bleek geworden

maar het viel niet op onder haar witte voile.

--Théodore schrijft dat Suzanna en Van Stralenburg met de kleine bébé

over een week bij hen komen logeeren en mama was een en al agitatie.

--Wat, wou mama naar de Horze gaan? En Howard komt hier?

--Ja, dat was juist het dilemma.

--Die goede mevrouw Erlevoort, sprak mevrouw Verstraeten.

--Percy heeft immers geschreven, dat hij in de laatste dagen van Juli

komt; nu, Van Stralenburg kan niet langer blijven dan tot den 20sten,

schrijft Théodore. Je begrijpt--en zij dwong zich Eline vriendelijk

aan te zien--je begrijpt, hoe mama te moede is: naar Zwolle reizen,

daar komt ze nu eenmaal nooit toe, en vóor den 20sten uit Den Haag

te gaan terwijl Howard en Cathérine komen, dat kan natuurlijk niet....

--Maar Howard gaat immers later ook naar de Horze? vroeg Otto,

--Ja, maar hij zal toch eerst een beetje in Den Haag willen blijven

en van Scheveningen profiteeren, antwoordde Frédérique. Mama zit nu

allerlei bedenkingen te maken, hernam zij weder tot Eline; zij zou

wanhopig zijn, wanneer zij van den zomer haar nieuw kleinkind niet zag,

dat kan je begrijpen....

--Nu, dan zal ik mama wel overhalen met mij naar Zwolle te gaan een

dezer dagen: dat is toch het eenvoudigste! antwoordde Otto. Naar de

Horze is nog wel een omslachtiger reis.

--Je kan het probeeren, antwoordde Frédérique. Het zou zeker een

oplossing van het raadsel zijn....

Lili had intusschen aan mevrouw gevraagd, of zij het goed vond, dat

zij wat met De Woude ging oploopen, en mevrouw verzocht Otto nu ook

een oogenblik te gaan zitten, tot zij terug zouden zijn.

--Wat is Eline toch mooi, vindt je niet, De Woude? vroeg Lili. Zij had

hem, sedert zij met hem had schaatsen gereden, toegestaan haar bij

den naam te noemen, en zij noemde hem nu: De Woude, tout court. Het

frappeert me telkens, als ik haar zie....

--Ja, ze ziet er heel aardig uit! antwoordde Georges onverschillig.

--Neen, maar ik vind haar bepaald mooi, bepaald mooi! drong Lili

aan. Hoe is het mogelijk, dat je haar niet mooi vindt! Wat een

curieusen smaak heb jij dan toch!

Hij lachte vroolijk, in het genot eener geheime gedachte.

--Ik kan toch heusch niet helpen, dat ze me geheel en al koud laat:

ik heb een ander ideaal van mooiheid. Maar als je nu absoluut wilt

hebben, dat ik ze mooi vind, dan zal ik nog eens zien.

--O neen het kan me volstrekt niet schelen, hoor! antwoordde zij,

ook lachend: alleen, iedere heer vindt haar mooi, daarom begrijp ik

het niet van je. Ik begrijp ook niet, dat Frédérique niet van haar

houdt. Als ik een man was, werd ik smoorlijk op haar.

--En zou je dus duelleeren met Erlevoort....

De pauze was aangevangen en het gedrang der wandelaars, die zich in

een rechtschen en in een linkschen stroom hadden verdeeld, was zeer

dicht. Georges en Lili bevonden zich als ingesloten tusschen met moeite

voortbewegende schouders en hoofden. Er was geen doorkomen meer aan....

--Het is wanhopig! zeide Lili. Als het toch zoo vreeselijk vol is,

vind ik het niets prettig. Het lijkt wel een Zondag.

--Vindt je het goed, als we een beetje naar buiten gaan naar het

strand? vroeg hij zacht. We zijn vlak bij den uitgang....

--Kan dat? vroeg Lili, gestreeld door de verleiding. Zou mama het

goed vinden?

--Wel zeker, onder mijn hoede; het kan uitstekend, hoor! sprak hij

geruststellend, bijna trotsch.

Zij stonden voor het tourniquet en de controleur draaide. Als bevrijd

uit een klem van benauwdheid traden zij vlug de treden van het terras

af, staken den rijweg over en haastten zich over de breede trap,

die naar het strand leidt.

De groote mandstoelen stonden dicht bij elkaâr, als waren zij

opgeborgen. Hier en daar slenterde een Scheveninger op een langzamen,

plompen zwaaipas, die zich regelde naar het gedein van den hoop ronde

rokken zijner gezellin....

En over de zee, in de hoogte, ruischte voor de façade van het Kurhaus,

in een gloed van gaslicht, een hel gewoel.

--Oef! riep Lili uit. O, is het hier niet veel ruimer?

De zee zelve krulde haar, nauwlijks gerimpeld, satijn van wisselend

groen en azuur en violet, met tintelende plooien schuim, uit van den

einder tot het strand. Daarboven schitterden sterren en de melkweg

scheen een stof van parelen, verspreid aan die geheimzinnige eeuwigheid

van vaag blauw... Uit de zee steeg een bijna onzegbaar gesuis op,

als uit een eindeloos groote schelp....

--Wat is het hier heerlijk stil na dat rumoer daarboven. Het is om

te gaan dwepen! murmelde Lili in extaze.

--Ja, antwoordde Georges.

Zij was bijna over iets gestruikeld; hij had haar daarop gevraagd

of zij zijn arm niet wilde nemen, en zij had dit gedaan. Het werd

hem toen of hij haar veel te zeggen had, en alsof hij zich nooit zou

kunnen uitdrukken zonder belachelijk te schijnen. En ook zij gevoelde

een lieflijke behoefte zich geheel en al te uiten, te spreken over de

zee en de lucht, die haar zoo schoon schenen, maar zij schaamde zich

een weinig over de poëzie in haar hart, die te vreemd afstak bij de

gewone banaliteit der kringen, waarin zij elkander steeds zagen. Zij

was bang aanstellerig te schijnen en zij zweeg, en zij zwegen beiden,

terwijl zij langzaam voortgingen, met het gesuis van de zee in hun

ooren, en met een zelfde zacht wiegend gevoel in hun harten, dat zij

beiden in elkander rieden, en dat hun stilzwijgen scheen te vullen

met meer dan woorden.

Zij liepen langzaam voort, altijd voort, als verloren in hun

eenzaamheid, met de rust van de zee als eene, nooit te bewegen,

kalmte voor oogen.

En hij begreep, dat hij iets zeggen moest.

--Ik zou wel altijd zoo met je door kunnen wandelen, tot Katwijk

toe! sprak hij en zijn schertsende toon verheelde een weinig, dat

hij het meende.

Zij lachte; het was immers scherts.

--Dan zou het wel eens kunnen gebeuren, dat ik moê werd.

--Dan zou ik je dragen.

--Je zou niet kunnen, je zou bezwijken onder me.

--Heb je zoo een min idée van me, dan zal ik het je eens toonen.

--Maar Georges! Hoe durf je toch zoo brutaal zijn! Ik zal nog eindigen

met me boos te maken, ten minste, als je niet dadelijk vergiffenis

vraagt.

--Hoe moet ik dat dan doen? vroeg hij deemoedig.

Zij liet hem woord voor woord een lange tirade herhalen: Ik, Georges De

Woude van Bergh, vraag nederig excuus aan... voor... en hij herhaalde

elk woord, terwijl zij haar zin telkens meer uitspon, in het genoegen,

waarmede de echo, die hij er van gaf, haar doortrilde.

Zij was ook niet zoo toornig, als zij wilde doen blijken; haarzelve

scheen het toe, dat hun wandeling nooit zou eindigen, dat zij langs

dien licht schuimenden zeezoom zouden gaan, tot zij nieuwe kimmen

zouden zien opdagen.

--Kom, we moeten omkeeren! sprak hij eensklaps; we gaan te ver.

Zij keerden zich om, en verschrikten toen zij zagen, hoe ver het

Kurhaus in de hoogte lag, in een rossen gloed van licht, maar in

haar smolt die schrik eensklaps weg in een weekheid, een zachte

onverschilligheid; wat gaf zij om hen daar boven: zij waren samen,

aan de zee.

--Lili, heusch we moeten voortmaken, sprak hij, een weinig verlegen

lachende. Je mama zal niet weten, waar we blijven! Nu was zij werkelijk

gekrenkt, over zijn voortdrijven; hij voelde dan niet die weeke,

die zachte onverschilligheid; hij voelde niet voor haar dat egoïsme,

dat zij voor hem gevoelde; hij gevoelde niet, dat er niets bestond,

niets dan zij beiden, aan den suizenden oever....

--Ik kan heusch zoo gauw niet door dat zand stappen! sprak zij

een beetje geërgerd en zij klemde zich vaster aan zijn arm; maar

hij bleef onverbiddelijk, en zeide, dat zij maar op hem steunen

moest. Hij was toch eigenlijk verbazend koppig onder dat fijne waas

zijner lieve galanterie!

--Maar Georges, ik kan niet meer, ik ben doodaf! hijgde zij boos,

ofschoon de gewilde gramschap in haar stem versmolt tot een vleiend

smeeken. Hij echter vloog schertsend de breede trap op, haar bijna

medesleepend, en haar arm goed in den zijne sluitend, en zij moest toch

eigenlijk lachen. Het was wel curieus, dat gevlieg in het donker....

Zij waren nu ook, kalmer, de trapjes van het terras opgegaan en

terwijl Georges de kaarten zocht, sloeg Lili. een weinig het zand

van den zoom van haar japon af....

De pauze was geëindigd, en het orkest klaterde de koperen fanfares

van den marsch der Reine de Saba uit.... Er liepen nog wandelaars,

maar het gedrang was zeer verminderd. Zij haastten zich, schijnbaar

onverschillig, maar Lili met een kleur op de wangen, naar hun tafeltje

toe. Mevrouw Verstraeten zat alleen met Marie en Frédérique; Otto en

Eline waren weg.

--Groote goedheid, waar hebben jullie met elkaâr gezeten? riep Marie

uit, terwijl Georges en Lili plaats namen op de stoelen, die ter

bewaring met een paar mantels waren behangen geworden. Ik heb in dien

tusschentijd met Paul gewandeld en Eline en Otto konden heusch niet

langer op je stoelen blijven...

--We hebben bijna bovenmenschelijke pogingen gedaan, om ze te behouden,

nietwaar mevrouw? voegde Frédérique er bij.

--Maar ik heb je niet voorbij zien komen, waar ben je dan toch

geweest? vroeg mevrouw verwonderd. In de Conversatie-zaal naar het

dansen gaan zien?

Georges vertelde van hun wandeling aan het strand en Lili bewonderde

hem in stilte om den tact, waarmede hij haar moeder antwoordde.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 82 / 188 题