III.

Om een tafeltje, dicht bij de muziektent, zaten de Eekhofs en de

Hijdrechten, toen Betsy, Eline, Otto en Henk door het tourniquet,

dat de controleur draaien deed, éen voor éen uitkwamen, terwijl Henk

de kaarten toonde. Zij echter zagen hun kennissen niet en wandelden

verder, terwijl Otto zijn hand op Eline's arm deed rusten.

--Kijk, daar heb je de Van Raats en freule Vere met Erlevoort! zeide

de jonge Hijdrecht. Ze komen hier tegenwoordig iederen avond.

--Wat kleedt Eline zich tegenwoordig bespottelijk eenvoudig! merkt

Léonie aan. Waarvoor dient dat nu? Niets dan aanstellerij. En verbeeld

je... een capotje! Ieder geëngageerd meisje meent dadelijk, dat ze

een capotje op moet zetten... Ridicuul!

--Het is toch een paar, waar je gaarne naar kijkt! meende mevrouw

Eekhof. Je hoort wel van onverstandiger engagementen.

--Ze loopen ten minste fatsoenlijk met elkaâr, zeide Ange. Soms zie

je er, die bespottelijk zijn; bij voorbeeld: Marguerite Van Laren,

die altijd de pluisjes van de jas van haar aanstaande wegplukt... weet

je nog, hoe we verleden gelachen hebben, Hijdrecht?

Betsy intusschen, rechts en links groetende, had verklaard, dat zij

goed zouden doen, niet langer te wandelen en naar een tafeltje om te

zien; het was zeer vol.

Gelukkig, buiten zat men overal prettig, zelfs was het te verkiezen

ver van de tent te zitten; anders verging men van het lawaai... Zij

zetten zich dus een weinig terzijde, aan den kant der Conversatiezaal,

waar nog tal van tafeltjes onbezet waren, toch vóor aan het wandelpad,

zoodat zij de menigte wandelaars konden zien en door dezen gezien

worden.

Het was dus een gewissel van groeten en knikjes en Betsy en Eline

vermaakten zich soms fluisterend met een scherpe critiek over een

bespottelijk toilet of een ridiculen hoed. Eline zelf was zeer tevreden

over den eenvoud, waarmede zij zich sedert haar engagement kleedde:

een eenvoud, die zeer elegant, zeer cossu en zeer overdacht bleef,

maar die toch in te groot contrast was met haar gewone weelderigheid,

om niet sterk in het oog te vallen. Zij vond, dat die eenvoud haar

lieftallige schoonheid als met plastischer lijnen deed uitkomen en

hare ranke gestalte als in het marmer van een beeld modelleerde;

zij vond, dat haar vroegere wuftheid er met een waas van gracieusen

ernst door gesluierd werd, een ernst, die Otto's ingeschapen eenvoud

zeker aantrekkelijk moest zijn.

Zij was nu zoo en niet anders; zij gevoelde het, dat zij moeilijk

zichzelve kon zijn, dat het haar integendeel gemakkelijker was, zich

steeds in de eene of andere rol te denken; nu de rol der eenigszins

pozeerende, maar altijd bevallige en overgelukkige aanstaande van

een degelijken, jongen man, iemand uit haar eigen wereld, en dien

men algemeen mocht om zijne, hemzelve onbewuste, innemendheid. En

overgelukkig--zij gevoelde dat tevens, met al de zaligheid van het

gestild verlangen in haar hart, dat naar geluk gesmacht had--zij was

het in de rust, die haar zijne groote, kalme liefde, welke zij meer

ried dan begreep, geschonken had; zij was het in de blauwe stilte van

dat meer, dat Nirwana, waarin hare, door fantazieën vermoeide, ziel

gegleden was als in een donzen bed, en zij was daarin zóó gelukkig,

zóó tot in hare fijnste zenuwen, welke waren als losgespannen snaren,

dat zij vaak, onverwachts, een traan in haar oog voelde opwellen van

innige dankbaarheid.

De stroom van wandelaars draaide zonder ophouden voor haar blikken

voort, en het duizelde haar een weinig, zoodat zij een enkele maal

niet teruggroette.

--Eline, waarom groet je niet....? Zie dan toch, mevrouw Van der

Stoor en Cateautje! fluisterde Betsy berispend.

Eline zocht met haar blik en knikte zoo lief mogelijk, toen Vincent

Vere en Paul Van Raat hen kwamen aanspreken. Zij bleven staan, leunende

op hunne stokken, daar er geene stoelen in den omtrek te zien waren.

--Willen jullie een oogenblik gaan zitten, ten minste als Eline wat

wil loopen? vroeg Otto en hief zich half op.

Eline vond zijn plan uitmuntend. Henk en Betsy bleven nu niet alleen,

en terwijl Vincent en Paul hunne stoelen innamen, wandelden zij

langzaam voort in den stroom der anderen. Zij naderden de muziektent

en de hooge vioolpassages van Lohengrins Vorspiel zwollen als

stralen van kristal voller en voller op.... Een groep van aandachtige

muziekliefhebbers had zich in een halven cirkel om de tent geschaard,

en tuurde den kapelmeester, die met het langzaam zwaaien van zijn

staf den stroom van melodie beheerschte, op den rug. Otto wilde Eline

laten voorgaan in den nauwen doorgang tusschen de bezette stoelen

der verandah en den halven cirkel der staande toehoorders, maar zij

wendde zich om en fluisterde:

--Even luisteren, wil je?

Hij knikte en zij bleven staan. En zij genoot in haar kalme stemming

van de statige zwelling dier tonenmassa's. Het was haar, als vloeiden

daar geen klanken, maar de blauwe wateren van haar meer, rimpelloos

als de vloed, waarop Lohengrins kaan was voortgegleden, en zij zag

zwanen, statig en schoon...

Bij het zwaarste fortissimo haalde zij diep adem en toen de glazen

toondraden der violen dunner en dunner uitsponnen, dreven ook de

zwanen weg, statig en schoon....

Een applaus weêrklonk, de halve cirkel der toehoorders verbrak zich.

--Mooi.... zoo mooi! murmelde Eline als in een droom. En zalig voelde

zij Otto's hand haar arm zoeken.... o, zij leefde zoo zoet....

--Vindt je het niet dwaas .... ik voel me altijd zoo .... beter dan

anders, als ik mooie muziek hoor; ik krijg dan bijna een gevoel of

ik je toch wel een beetje waard ben, lispelde zij bijna aan zijn oor,

onhoorbaar voor wie hen omringden. Het is misschien wel pedant van me,

maar ik kan het toch heusch niet helpen.

Zij zag hem glimlachend, maar bijna angstig aan, in spanning voor

wat hij zou antwoorden: zij gevoelde dikwijls, voor wat hij van haar

denken zou, een lichte vrees, als zou zij hem kunnen verliezen door

een enkel ondoordacht woord, want zij begreep nog niet, hoe hij haar

liefhad, waarom hij haar liefhad....

--Ach, zet me toch niet zoo hoog in de lucht! antwoordde hij

vriendelijk, terwijl zijn stem haar volheid dempte, waardoor hun

gesprek slechts tusschen hun lippen scheen voort te zweven. Ik voel

me zelf zoo doodgewoon, zoo niets bizonder verheven boven anderen,

je mag jezelve ook niet zoo beneden me stellen. Jij mij een beetje

waard! Waar haal je het vandaan? Kleine dwaas! Weet je wat, ik geloof

nooit, dat je jezelve goed kent.

Zou hij gelijk hebben, zou zij zichzelve niet kennen? Een heerlijke

verrassing vervulde haar; zij meende zichzelve zoo goed te kennen:

zou er nog waarlijk in haar ziel iets zijn, waarvan zij niet wist;

iets, waaruit wellicht haar liefde voor hem vloeide? Zou hij haar

zichzelve leeren kennen?

--O Otto! begon ze.

--Wat? vroeg hij zacht.

--Niets, ik hou zoo veel van je, als je zoo iets zegt van jou en

van mij! murmelde zij, vol van een zaligheid, die zij niet kon

uiten. Zijn hand drukte zacht haren arm en zij trilde even, terwijl

zij steeds voortgingen, en nu en dan groetende voortgingen te midden

der schertsende en dringende menigte, van de tafeltjes betuurd door

wie hen kende, al was het slechts van aanzien.

--Kijk, wat loopen Erlevoort en Eline daar zalig met elkaâr! perdus

dans le même rêve.... bepaald, ze zien ons alweêr niet! riep Léonie

bijna met dépit uit, terwijl zij met Hijdrecht hun op een afstand

voorbij ging.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 81 / 188 题