Om een tafeltje, dicht bij de muziektent, zaten de Eekhofs en de
Hijdrechten, toen Betsy, Eline, Otto en Henk door het tourniquet,
dat de controleur draaien deed, éen voor éen uitkwamen, terwijl Henk
de kaarten toonde. Zij echter zagen hun kennissen niet en wandelden
verder, terwijl Otto zijn hand op Eline's arm deed rusten.
--Kijk, daar heb je de Van Raats en freule Vere met Erlevoort! zeide
de jonge Hijdrecht. Ze komen hier tegenwoordig iederen avond.
--Wat kleedt Eline zich tegenwoordig bespottelijk eenvoudig! merkt
Léonie aan. Waarvoor dient dat nu? Niets dan aanstellerij. En verbeeld
je... een capotje! Ieder geëngageerd meisje meent dadelijk, dat ze
een capotje op moet zetten... Ridicuul!
--Het is toch een paar, waar je gaarne naar kijkt! meende mevrouw
Eekhof. Je hoort wel van onverstandiger engagementen.
--Ze loopen ten minste fatsoenlijk met elkaâr, zeide Ange. Soms zie
je er, die bespottelijk zijn; bij voorbeeld: Marguerite Van Laren,
die altijd de pluisjes van de jas van haar aanstaande wegplukt... weet
je nog, hoe we verleden gelachen hebben, Hijdrecht?
Betsy intusschen, rechts en links groetende, had verklaard, dat zij
goed zouden doen, niet langer te wandelen en naar een tafeltje om te
zien; het was zeer vol.
Gelukkig, buiten zat men overal prettig, zelfs was het te verkiezen
ver van de tent te zitten; anders verging men van het lawaai... Zij
zetten zich dus een weinig terzijde, aan den kant der Conversatiezaal,
waar nog tal van tafeltjes onbezet waren, toch vóor aan het wandelpad,
zoodat zij de menigte wandelaars konden zien en door dezen gezien
worden.
Het was dus een gewissel van groeten en knikjes en Betsy en Eline
vermaakten zich soms fluisterend met een scherpe critiek over een
bespottelijk toilet of een ridiculen hoed. Eline zelf was zeer tevreden
over den eenvoud, waarmede zij zich sedert haar engagement kleedde:
een eenvoud, die zeer elegant, zeer cossu en zeer overdacht bleef,
maar die toch in te groot contrast was met haar gewone weelderigheid,
om niet sterk in het oog te vallen. Zij vond, dat die eenvoud haar
lieftallige schoonheid als met plastischer lijnen deed uitkomen en
hare ranke gestalte als in het marmer van een beeld modelleerde;
zij vond, dat haar vroegere wuftheid er met een waas van gracieusen
ernst door gesluierd werd, een ernst, die Otto's ingeschapen eenvoud
zeker aantrekkelijk moest zijn.
Zij was nu zoo en niet anders; zij gevoelde het, dat zij moeilijk
zichzelve kon zijn, dat het haar integendeel gemakkelijker was, zich
steeds in de eene of andere rol te denken; nu de rol der eenigszins
pozeerende, maar altijd bevallige en overgelukkige aanstaande van
een degelijken, jongen man, iemand uit haar eigen wereld, en dien
men algemeen mocht om zijne, hemzelve onbewuste, innemendheid. En
overgelukkig--zij gevoelde dat tevens, met al de zaligheid van het
gestild verlangen in haar hart, dat naar geluk gesmacht had--zij was
het in de rust, die haar zijne groote, kalme liefde, welke zij meer
ried dan begreep, geschonken had; zij was het in de blauwe stilte van
dat meer, dat Nirwana, waarin hare, door fantazieën vermoeide, ziel
gegleden was als in een donzen bed, en zij was daarin zóó gelukkig,
zóó tot in hare fijnste zenuwen, welke waren als losgespannen snaren,
dat zij vaak, onverwachts, een traan in haar oog voelde opwellen van
innige dankbaarheid.
De stroom van wandelaars draaide zonder ophouden voor haar blikken
voort, en het duizelde haar een weinig, zoodat zij een enkele maal
niet teruggroette.
--Eline, waarom groet je niet....? Zie dan toch, mevrouw Van der
Stoor en Cateautje! fluisterde Betsy berispend.
Eline zocht met haar blik en knikte zoo lief mogelijk, toen Vincent
Vere en Paul Van Raat hen kwamen aanspreken. Zij bleven staan, leunende
op hunne stokken, daar er geene stoelen in den omtrek te zien waren.
--Willen jullie een oogenblik gaan zitten, ten minste als Eline wat
wil loopen? vroeg Otto en hief zich half op.
Eline vond zijn plan uitmuntend. Henk en Betsy bleven nu niet alleen,
en terwijl Vincent en Paul hunne stoelen innamen, wandelden zij
langzaam voort in den stroom der anderen. Zij naderden de muziektent
en de hooge vioolpassages van Lohengrins Vorspiel zwollen als
stralen van kristal voller en voller op.... Een groep van aandachtige
muziekliefhebbers had zich in een halven cirkel om de tent geschaard,
en tuurde den kapelmeester, die met het langzaam zwaaien van zijn
staf den stroom van melodie beheerschte, op den rug. Otto wilde Eline
laten voorgaan in den nauwen doorgang tusschen de bezette stoelen
der verandah en den halven cirkel der staande toehoorders, maar zij
wendde zich om en fluisterde:
--Even luisteren, wil je?
Hij knikte en zij bleven staan. En zij genoot in haar kalme stemming
van de statige zwelling dier tonenmassa's. Het was haar, als vloeiden
daar geen klanken, maar de blauwe wateren van haar meer, rimpelloos
als de vloed, waarop Lohengrins kaan was voortgegleden, en zij zag
zwanen, statig en schoon...
Bij het zwaarste fortissimo haalde zij diep adem en toen de glazen
toondraden der violen dunner en dunner uitsponnen, dreven ook de
zwanen weg, statig en schoon....
Een applaus weêrklonk, de halve cirkel der toehoorders verbrak zich.
--Mooi.... zoo mooi! murmelde Eline als in een droom. En zalig voelde
zij Otto's hand haar arm zoeken.... o, zij leefde zoo zoet....
--Vindt je het niet dwaas .... ik voel me altijd zoo .... beter dan
anders, als ik mooie muziek hoor; ik krijg dan bijna een gevoel of
ik je toch wel een beetje waard ben, lispelde zij bijna aan zijn oor,
onhoorbaar voor wie hen omringden. Het is misschien wel pedant van me,
maar ik kan het toch heusch niet helpen.
Zij zag hem glimlachend, maar bijna angstig aan, in spanning voor
wat hij zou antwoorden: zij gevoelde dikwijls, voor wat hij van haar
denken zou, een lichte vrees, als zou zij hem kunnen verliezen door
een enkel ondoordacht woord, want zij begreep nog niet, hoe hij haar
liefhad, waarom hij haar liefhad....
--Ach, zet me toch niet zoo hoog in de lucht! antwoordde hij
vriendelijk, terwijl zijn stem haar volheid dempte, waardoor hun
gesprek slechts tusschen hun lippen scheen voort te zweven. Ik voel
me zelf zoo doodgewoon, zoo niets bizonder verheven boven anderen,
je mag jezelve ook niet zoo beneden me stellen. Jij mij een beetje
waard! Waar haal je het vandaan? Kleine dwaas! Weet je wat, ik geloof
nooit, dat je jezelve goed kent.
Zou hij gelijk hebben, zou zij zichzelve niet kennen? Een heerlijke
verrassing vervulde haar; zij meende zichzelve zoo goed te kennen:
zou er nog waarlijk in haar ziel iets zijn, waarvan zij niet wist;
iets, waaruit wellicht haar liefde voor hem vloeide? Zou hij haar
zichzelve leeren kennen?
--O Otto! begon ze.
--Wat? vroeg hij zacht.
--Niets, ik hou zoo veel van je, als je zoo iets zegt van jou en
van mij! murmelde zij, vol van een zaligheid, die zij niet kon
uiten. Zijn hand drukte zacht haren arm en zij trilde even, terwijl
zij steeds voortgingen, en nu en dan groetende voortgingen te midden
der schertsende en dringende menigte, van de tafeltjes betuurd door
wie hen kende, al was het slechts van aanzien.
--Kijk, wat loopen Erlevoort en Eline daar zalig met elkaâr! perdus
dans le même rêve.... bepaald, ze zien ons alweêr niet! riep Léonie
bijna met dépit uit, terwijl zij met Hijdrecht hun op een afstand
voorbij ging.