II.

De trammen van den Ouden Scheveningschen weg naar het Kurhaus waren

stampvol. Zij werden op de halte Anna Paulownastraat--Laan Copes

van Cattenburg bestormd door een wachtende menigte, die, in een

oogwenk, de wagens gevuld en de perrons overladen had of de imperiale

was opgeklommen. Men verdrong elkander, zeer ernstig van gelaat,

zelfs ter wille van het kleinste staanplaatsje, onbarmhartig voor

wanhopige lotgenooten, onder wie vele dames, met een overspannen

zenuwachtigheid en een bont gefladder van lichte toiletten den tram

omliepen, turende door de glazen of zij wellicht nog een zweem van

een open plekje bespeurden. De conducteurs belden; zij riepen driftig

tot de achtergeblevenen die wenkten, en daarop dadelijk den anderen

kant uitzagen, naar de, nog onzichtbare, volgende tram; want ach,

de paarden zetten zich reeds in beweging en de ernstige gezichten van

hen, die nu blijde op elkaâr gepakt zaten, glansden van gelukzaligheid,

na de overwinning.

--Wat een foule! Het is vreeselijk! zeide Eline, met een rustig

glimlachje op het gewoel neêrblikkend.

Zij zat naast Betsy in den open landauer, met Henk en Otto tegenover

haar. Dirk, de koetsier, was een oogenblik genoodzaakt geweest even

stil te blijven staan, maar nu kwam er opnieuw vlugger beweging in

de file van equipages op den rijweg. Het palfreniertje, Herman,

zat met gekruiste armen, als gegoten in zijn lichtgrijze livrei

met schitterende knoopen, onbeweeglijk en recht, de lippen bijna

aanmatigend op elkaâr gedrukt.

--Het zal stampvol zijn! meende Betsy. Maar het is natuurlijk buiten,

we behoeven dus niet bang te zijn voor een plaats....

Er woei geen zuchtje door het dichte bladerweefsel, en, na een dag

van straffe, broeiende zonnehitte, scheen er bij het eerste waas van

schemering nog een looden zwaarte in de lucht te blijven hangen. Eline,

een weinig afgemat door die warmte, welke haar zeer bleek maakte,

leunde achterover, en sprak weinig; alleen blikte zij Otto een enkele

maal tusschen hare kwijnende wimpers toe met een schalke coquetterie,

vol geluk. Betsy sprak voortdurend tegen van Erlevoort, daar Henk

ook niet spraakzaam was; hij overwoog namelijk bij zichzelven of het

niet gezelliger zou geweest zijn, thuis in den tuin thee te drinken,

dan zoo dadelijk na den eten naar Scheveningen te moeten oprukken.

Betsy intusschen, zeer gezond en opgeruimd, genoot van de lauwe lucht,

waarin zij behagelijk ademde; genoot van hare zachte gebombeerde

kussens, van geheel haar weelderige equipage, die zoo keurig uitblonk

boven andere eigen rijtuigen, genoot zelfs van Hermans onberispelijke

houding en van de zilveren initialen op de van den bok afhangende

dekken. Zij was tevreden over zichzelve, over de luxe, die zij, al

toerende, ten toon spreidde, tevreden over haar gezelschap. Eline was

zoo beeldig mooi, net een poppetje: haar toilet van lichtgrijs étamine

was bijna opvallend eenvoudig, terwijl de brides van het capothoedje

haar gelaat in een zijden lijst hielden omvat.... Erlevoort zag er

flink uit en zoo gedistingueerd: Henk zoo gezellig dik, zoo goed

doorvoed.... haar man was toch nog zoo kwaad niet, ze had slechter

kunnen treffen.

En zij groette hare kennissen, terwijl Dirk hunne equipages

voorbijreed, met allerinnemendste hartelijkheid: zij wilde vooral

niet trotsch schijnen, al vlogen hare mooie vossen ook nog zoo hard.

--O, heerlijk, de lucht wordt frisscher, ik voel me bepaald

herleven! murmelde Eline, zich, diep ademend, oprichtende, toen zij

de Promenade voorbij waren. Ik heb heusch behoefte aan frissche lucht

na zoo een temperatuur als van middag.

--Ach kom, kind, het was delicieus! beweerde Betsy op een toon van

tegenspraak. Ik teeken er voor altijd zulk weêr te hebben,

--Nu, ik zou binnen een maand dood zijn... Zeg Otto, je lacht, zeg

eens eerlijk, denk je nu, dat ik me aanstel, of geloof je waarlijk

dat ik niet tegen die warmte kan....

--Maar Elly, natuurlijk geloof ik je!

Zij keek hem opeens gemaakt boos aan en schudde verwijtend met

heur kopje.

--Alweêr Elly, fluisterde zij.

--O ja.... hoe dom van me; nu, ik geloof wel, dat ik iets

weet! fluisterde hij verrukt terug.

--Wat conspireeren jullie toch? vroeg Henk nieuwsgierig.

--Niets, nietwaar, Otto.... een geheimpje tusschen ons

alleen.... cht! zeide zij en hield zich den wijsvinger voor den mond,

genietende in hun mysterie.

Zij wilde namelijk niet, dat Otto haar noemde bij den verkleinnaam

waarmede iedereen haar mocht noemen.... Hij moest er een uitvinden

voor hem alleen, een, die niet afgesleten was op aller lippen, een,

die nieuw was en frisch.... hij vond haar toch niet erg kinderachtig,

wel? En hij had zich uitgeput met te verzinnen, maar zij was niet

tevreden geweest met wat hij verzonnen had... hij moest nog maar eens

zoeken.... nu, scheen hij dat gevonden te hebben?

--Ik ben heusch nieuwsgierig? fluisterde zij weêr, glimlachend.

--Straks! fluisterde hij terug en zij glimlachten beiden.

--Zeg eens, ik heb je totnogtoe altijd minder vervelend gevonden dan

de meeste geëngageerde menschen, maar begin nu ook niet met zulke

onuitstaanbaarheden! riep Betsy, verontwaardigd, maar toch niet

erg boos.

--Nu, jij vroeger met Henk! schertste Eline, nietwaar, Henk?

--Nou, of! antwoordde Henk en lachte haar vroolijk toe, terwijl zij

bij de gedachte aan de verloving harer zuster, thans jaren geleden,

een uitgewischte herinnering voelde oprijzen van hare toenmalige

gevoelens, als van iets, dat zeer ver en zeer zonderling was.

Maar zij waren reeds langs de villa's van den Badhuisweg, voorbij

de Galerie, langs de achterzijde van het Kurhaus omgereden en zij

hielden voor de trappen van het terras, aan den zeekant op.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 80 / 188 题