I.

Lili zat in den salon te lezen, toen Frédérique binnen kwam. Zij

had eenige visites gemaakt en zij eindigde nu haren middag bij de

Verstraetens.

--Is Marie uit? vroeg Freddy.

--Neen, antwoordde Lili; wij zijn uit geweest. Marie is nog boven.

--Wat doet Marie daar toch? hernam Frédérique met eenige

bevreemding. Wat voert ze tegenwoordig toch altijd boven uit? Wanneer

ik hier ook kom, zit ze boven. Jullie hebben toch niet gekibbeld?

--O, neen, volstrekt niet! antwoordde Lili. Marie teekent, geloof ik,

of dikwijls zit ze ook te schrijven.

--Te schrijven, een brief?

--Ach, neen... een novelle, of zoo iets... maar je moet er maar niet

over spreken, misschien wil ze het niet weten.

--Vindt je Marie niet veranderd? vroeg ze daarop.

--Veranderd? Marie? Neen, ik heb niets gemerkt. Waarom zeg je dat?

--Ach, nergens, om; ik dacht alleen: Marie heeft het tegenwoordig

altijd zoo druk; dan dit, dan dat.

--Maar dat heeft ze toch altijd gehad; ze zoekt zich altijd te

occupeeren, net als Jan; papa zegt, dat ik alleen de luie van de

familie ben....

Frédérique zweeg, maar in zichzelve verbaasde ze zich, dat Lili niet

opgemerkt had, hoe Marie in den laatsten tijd iets nerveus kreeg, dat

afstak bij haar vroegere gezonde beweeglijkheid. Intusschen, misschien

verbeeldde zij het zich slechts, dacht zij, in haar meening een weinig

aan het wankelen gebracht door Lili's verwondering over haar vraag.

--Je weet, we gaan van avond naar de Oudendijken, zeide zij, om over

iets anders te spreken.

--Het is waar, je vertelde verleden, dat je er geïnviteerd was.... Je

gaat dus weêr meer uit? Je bent immers een tijdje blasée geweest, niet

waar; ten minste je werd altijd onwel na een invitatie? schertste Lili.

--Ach, ik had ook verdriet! antwoordde Frédérique ronduit. Het

was.... je weet wel.... om die dwaasheid van Otto... Maar nu er niets

meer aan te doen is, wasch ik mijn handen in onschuld... Hij is wijs

genoeg, nietwaar... Ik heb ten minste geen lust mij te verkniezen,

omdat...

Zij voltooide niet, en haar oogen werden vochtig terwijl een trek

van spijt zich trotsch om haar lippen groefde.

--Maar Freddy, betuigde Lili zacht. Hij kent haar toch zoo lang, al den

tijd, dat zij bij de Van Raats inwoont, en als hij nu van haar houdt...

--O, ik wensch niets liever, dan dat alles goed gaat en dat ze gelukkig

worden. Maar ik kan Eline nu eenmaal niet uitstaan. Natuurlijk,

ik doe me nu geweld aan, ik ben nu lief tegen haar, maar je weet,

ik kan me zoo moeilijk anders voordoen dan ik ben... Ach toe, laten

we over iets anders spreken; er is niets aan te doen en ik denk er

liefst zoo min mogelijk over... Willen we naar boven gaan, naar Marie?

Lili vond het goed en zij gingen. In de zitkamer der beide zusters zat

Marie voor een kleine schrijftafel; een paar bladen lagen beschreven

voor haar, maar zij leunde met het hoofd in de hand en haar pen trok

op een blank vel papier, als in verstrooiing, rechte schrapjes dwars

door elkaâr. Zij schrikte op, toen Freddy en Lili binnenkwamen.

--We komen je verrassen te midden van je drukke bezigheden! begon

Freddy te schertsen. Ten minste, als je ons niet liever kwijt bent...

--Wel neen!... Je weet wel beter, nietwaar... Die Lili is ook zoo

ongezellig om alleen beneden te gaan zitten...

Lili antwoordde niet; het was immers niet haar beider gewoonte des

namiddags op haar kamer te blijven, en Marie zelve was ongezellig

dit te doen....

--Is het een geheim wat je schrijft? vroeg Freddy met een blik naar

de beschreven vellen.

--O neen! antwoordde Marie schijnbaar achteloos. Ik was al vroeger

iets begonnen.... een soort dagboek, een beschrijving van onze reis

in Thüringen en het Schwarzwald, van verleden jaar, en ik wou er een

schets, iets romantisch van maken, maar het verveelt me... Ik begrijp

eigenlijk niet, hoe ik er toe gekomen ben, voegde zij er zacht bij. Het

is niets voor mij om te willen gaan schrijven, vindt je wel...?

--Dat weet ik niet! sprak Freddy bemoedigend. Lees er ons iets

van voor.

--Verbeeld je! Je te vervelen met mijn schoolmeisjes-stijl! Pas si

bête, hoor, riep Marie lachend. Ach, een mensch moet iets uitvoeren;

ik verveel me; toen ben ik gaan schrijven, net als Lili is gaan

lezen... Weet je wat, Frédérique! vervolgde zij, terwijl zij hare

vriendin ernstig-komisch aanzag: ik vind, dat we zoo oud worden! Oud,

weet je, bepaald oud, we worden vervelend... Weet je wel, dat we

zeker in geen twee maanden zoo hebben gelachen, als we vroeger wel

eens deden?

--Met Paul of Etienne! voegde Lili er bij, terwijl zij glimlachte

bij de herinnering.

--Met ze of zonder ze! Wij amuzeerden ons ook zonder die jongens,

onder ons meisjes! Maar nu... ik weet niet hoe jij er over denkt, maar

ik vind ons criant vervelend! We krijgen onze beslommeringen... Jij

hebt een tijdlang onder den druk van een antipathie tegen Eline

rondgewandeld... Lili zegt geen woord tegenwoordig, maar rêvasseert

den heelen dag of vertelt me poëtische droomen, en ik... ik ga van

verveling schrijven over blauwe bergen en wazige verschieten....

--Wat zal daar het einde van wezen! lachte Freddy. Ik zie de toekomst

duister in, vooral voor jou. Achter de blauwe bergen en die wazige

verschieten schuilt iets, wed ik...

--Schuilt iets?.... herhaalde Marie. O neen, niets, volstrekt niets.

Frédérique meende een traan te zien glijden tusschen Marie's vingers,

die zij voor de oogen hield. Lili was in een boekenkastje aandachtig

eenige deeltjes aan het ordenen....

--Marie! fluisterde Frédérique zacht... Toe zeg me: is er iets,

kan ik iets voor je doen, vertel het me dan... Ik zie toch wel,

dat je over iets verdriet hebt; waarom schroef je je dan op?

Marie stond op en wendde het gelaat af...

--Ach, wel neen, Freddy, verbeeld je toch niet zoo iets! Je wordt

net zoo romanesk als Lili... Ik heb niets... Ik verveel me alleen,

ik verlang naar vroolijkheid... Zoo, dag Janneman!...

Janbroêr was binnengekomen, eenigszins verbaasd.

--Wat zitten jullie hier met je drieën te koekeloeren? Zeker over

heeren te praten! riep hij met eene luidruchtige, brutale stem.

--Heb je ooit zoo een wijsheid gehoord! antwoordde Marie en sloeg

haar handen in elkaâr. Dat is je ingeboren mannelijke ijdelheid, die

je dat laat zeggen, al ben je zelf nog maar een kwajongen... Wacht,

ik zal je leeren...

Zij liep hem om de tafel na, terwijl hij behendig en met haar

spottende, een paar malen over een stoel wipte dien hij haar vlug

voor de voeten zette.... Freddy en Lili schaterden om hun beider,

komieke zwenkingen rondom de tafel en de stoelen.... Plotseling

stormde hij weg en zij achtervolgde hem.

--Die Marie! riep Freddy en zij verwonderde zich. Zij begreep niet. Na

een pooze kwam Marie terug, ademloos...

--Heb je hem gepakt? vroeg Lili.

--Natuurlijk niet! antwoordde zij. Die jongen is als een geit zoo

vlug.... Hup.... hup.... hup... hij vliegt over alles heen! Hé,

heerlijk zoo eens te rennen.... Ik wou dat ik een jongen was.

Toen Frédérique wegging, vergezelde Lili haar de trap af; Marie zou

dadelijk beneden komen....

Maar zij toefde even aan het venster en keek uit.... In de schemering,

die als een doorzichtige, als een aschkleurige mist, neêrzonk, lag het

Kanaal groen en stil onder het vage loovernet der boomenrij. Daarachter

dommelde de Maliebaan weg, uitgewischt in schaduw, met een vochtig

gaas van grijzen dauw, recht oprijzende in hare vlakte.

Marie zag uit en ze zuchtte. Zij zou dat gevoel, die wreede spijt uit

haar hart wegspotten, zooals zij nu gedaan had. Zij werd oud, bepaald

oud, ze werd vervelend, ze kreeg hare beslommeringen. Onmeêdoogend

voor zichzelve, zou zij dien bloesem harer ziel verdrukken, altijd

afweren. Het was zelfkwelling, maar het moest.

En nu zij in dien droefgeestigen dauw, ginds over de vlakte stijgend,

zich moê staarde, rees voor haar vochtig oog een dierbaar gelaat op,

een flinke kop, met een oprechte hartelijkheid in een paar trouwe

oogen en stralend van een innemenden lach, maar niet haar, Eline

straalde die lach toe.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 79 / 188 题