IV.

Jeanne wenschte gaarne niet al te laat thuis te komen, opdat zij de

kinderen en Frans vóor mocht zijn. Zij gingen dus terug.

--En ik heb je nu zeker treurig gemaakt, terwijl ik je had willen

opfrisschen met een prettige wandeling? vroeg Mathilde glimlachend. Dat

komt van al die filozofie, vergeef het me maar....

Jeanne vond niets te zeggen en knikte haar even vriendelijk ontkennend

toe, als wilde zij daardoor te kennen geven, dat zij waarlijk niet

treurig was. En in het binnenste van heur hart moest zij het zich ook

bekennen; hoe diep Mathilde's stille wanhoop haar ook in het eerst

bedroefd had, nu deze zelve weer haar gewonen schijn van berusting

had aangenomen, vervloeide dat medelijden voor haar vriendin in een

gevoel van kalmte en rust, wat haar eigen kleine ellenden betrof:

bij die eene groote, zich steeds opkroppende, smart leken haar deze

nietig en onbeduidend toe, licht te torsen lasten des levens, terwijl

zij onder Mathilde's leed verpletterd zou zijn neergezonken. Zij

gevoelde een wroeging, dat zij ondankbaar was voor al het goede, dat

haar geschonken was en haar behouden bleef, een wroeging, dat zij wel

eens, o, altijd in stilte! zoo rampzalig durfde zijn over haar noodlot,

terwijl toch zooveel verdriet haar bespaard was geworden! Frans,

hij mocht zijn fouten hebben, hij mocht driftig en onaardig zijn,

als hij ziek was, toch had hij haar lief, en was hij steeds, na een

pooze nadenkens, bereid om zijn ongelijk te bekennen; toch stelde

hij haar op prijs. En in die zoete gedachte, welke haar fier maakte,

was het haar niet meer mogelijk treurig te zijn uit medelijden; alleen

vond zij er zich egoïst om, maar ach! ze gevoelde zoo zelden zulk een

zalige fierheid haar kleine ziel doortrillen; zou het dan slecht zijn,

een weinig egoïst te genieten, voor een kort oogenblik?

Mathilde bracht haar weder thuis en Jeanne verlangde, alleen gebleven,

vol opgewektheid naar de kinderen. Zij kwamen weldra, frisch van de

buitenlucht, en zij omhelsde hen bijna onstuimig en liet hen vertellen

waar zij geweest waren, wat zij gedaan hadden. En toen haar Dora wat

zeurde, maakte zij het zwakke poppetje met allerlei gekheid aan het

lachen; het leven scheen nu zoo somber niet, of zij kon vroolijk zijn.

Hoofdstuk XVII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 78 / 188 题