III.

Zij waren op een bank gaan zitten en Jeanne waagde te vragen:

--Maar jijzelve, Mathilde? Je spreekt altijd zooveel over je mama en

nooit over jezelve.

Mathilde zag met iets huiverends op.

--Over mijzelve? Ik doe mijn best mijzelve te vergeten. Ik ben.... ik

ben niets meer voor mijzelve. Ik ben.... alleen nog iets voor de

kinderen. Voor hen denk ik nog en leef ik nog; als zij er niet waren,

was ik dood.

Er klonk uit haar woorden de herinnering eener doffe smart, die in

berusting was weggewischt.

--Als je je verbeeld hebt zeer gelukkig te zijn, gelukkig door en

met iemand, voor wien je lichaam en ziel zou willen opofferen en je

merkt.... Maar ach, waarom daarover te spreken....

--Doet je de gedachte daaraan dan zoo lijden?

--O neen, ik heb geleden; er is een tijd geweest, dat ik gek dacht te

zullen worden en God vloekte, maar dat leed is een lethargie geworden,

dat is voorbij.... Ik denk er nooit aan, ik denk alleen aan mijn vier

schatjes. En die gedachte vervult mij genoeg om geen levende mummie

te worden.... Je weet, ik leer ze totnogtoe zelve, en toch wordt het

al langzamerhand voor Tina en Jo tijd om naar school te gaan. Otto

zegt dat ten minste wel eens, maar ik zou ze te zeer missen, en mama

is natuurlijk op mijn hand.... Lievelingen!

Misschien verbeeldde zij het zich, maar Jeanne meende door die doffe

berusting een onderdrukten, bitteren toon te hooren doorklinken, en zij

kon niet nalaten Mathilde's hand te nemen en medelijdend te fluisteren:

--Arme meid!

--Ja, jij... zeker, je bent rijker dan ik, je hebt je kinderen en je

hebt je man! antwoordde Mathilde met een treurigen glimlach, terwijl

haar oogen zich met tranen vulden; en al heb je natuurlijk verdriet

en akeligheid op je tijd, je hebt meer... meer dan ik... Laat dat je

troost zijn, denk in een treurige bui maar aan mij, denk er aan, dat

ik je nog zou kunnen benijden, als... als alles niet dood in mij was,

behalve dat eene.

--Mathilde! O, hoe kan je zoo spreken! Het doet me pijn....

--Dat moet het toch niet, want mij doet het geen pijn meer... Het

is alleen maar zoo een flauwe herinnering van iets wat geweest is,

weet je... Verder niets... Maar toch is het beter er over te zwijgen:

die herinnering op te rakelen doet me geen goed, al ben ik bijna

een mummie...

--O Mathilde, hoe is het je mogelijk dat altijd te verkroppen: ik,

ik zou niet kunnen, ik zou moeten uitspreken wat me zoo ongelukkig ...

--Neen, neen, Jeanne! O, waarlijk neen, nooit meer! Spreek daar ook

nooit meer over... ik... ik voel... me anders... herleven!... Ik bid

je... nooit... nooit meer...

Zij leunde achterover tegen de bank en enkele tranen drupten van haar

wimpers, terwijl zij, wasbleek in haar zwarte kleeding, een beeld

geleek van oneindige, bovenmenschelijke smart...

Zij wilde niet meer herleven, zij wilde dood zijn...

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 77 / 188 题