Zij waren op een bank gaan zitten en Jeanne waagde te vragen:
--Maar jijzelve, Mathilde? Je spreekt altijd zooveel over je mama en
nooit over jezelve.
Mathilde zag met iets huiverends op.
--Over mijzelve? Ik doe mijn best mijzelve te vergeten. Ik ben.... ik
ben niets meer voor mijzelve. Ik ben.... alleen nog iets voor de
kinderen. Voor hen denk ik nog en leef ik nog; als zij er niet waren,
was ik dood.
Er klonk uit haar woorden de herinnering eener doffe smart, die in
berusting was weggewischt.
--Als je je verbeeld hebt zeer gelukkig te zijn, gelukkig door en
met iemand, voor wien je lichaam en ziel zou willen opofferen en je
merkt.... Maar ach, waarom daarover te spreken....
--Doet je de gedachte daaraan dan zoo lijden?
--O neen, ik heb geleden; er is een tijd geweest, dat ik gek dacht te
zullen worden en God vloekte, maar dat leed is een lethargie geworden,
dat is voorbij.... Ik denk er nooit aan, ik denk alleen aan mijn vier
schatjes. En die gedachte vervult mij genoeg om geen levende mummie
te worden.... Je weet, ik leer ze totnogtoe zelve, en toch wordt het
al langzamerhand voor Tina en Jo tijd om naar school te gaan. Otto
zegt dat ten minste wel eens, maar ik zou ze te zeer missen, en mama
is natuurlijk op mijn hand.... Lievelingen!
Misschien verbeeldde zij het zich, maar Jeanne meende door die doffe
berusting een onderdrukten, bitteren toon te hooren doorklinken, en zij
kon niet nalaten Mathilde's hand te nemen en medelijdend te fluisteren:
--Arme meid!
--Ja, jij... zeker, je bent rijker dan ik, je hebt je kinderen en je
hebt je man! antwoordde Mathilde met een treurigen glimlach, terwijl
haar oogen zich met tranen vulden; en al heb je natuurlijk verdriet
en akeligheid op je tijd, je hebt meer... meer dan ik... Laat dat je
troost zijn, denk in een treurige bui maar aan mij, denk er aan, dat
ik je nog zou kunnen benijden, als... als alles niet dood in mij was,
behalve dat eene.
--Mathilde! O, hoe kan je zoo spreken! Het doet me pijn....
--Dat moet het toch niet, want mij doet het geen pijn meer... Het
is alleen maar zoo een flauwe herinnering van iets wat geweest is,
weet je... Verder niets... Maar toch is het beter er over te zwijgen:
die herinnering op te rakelen doet me geen goed, al ben ik bijna
een mummie...
--O Mathilde, hoe is het je mogelijk dat altijd te verkroppen: ik,
ik zou niet kunnen, ik zou moeten uitspreken wat me zoo ongelukkig ...
--Neen, neen, Jeanne! O, waarlijk neen, nooit meer! Spreek daar ook
nooit meer over... ik... ik voel... me anders... herleven!... Ik bid
je... nooit... nooit meer...
Zij leunde achterover tegen de bank en enkele tranen drupten van haar
wimpers, terwijl zij, wasbleek in haar zwarte kleeding, een beeld
geleek van oneindige, bovenmenschelijke smart...
Zij wilde niet meer herleven, zij wilde dood zijn...