II.

Zij hadden elkaâr eenige malen ontmoet bij de Van Raats, en zij wisten

nu dat zij sympathie voor elkaâr gevoelden.

--Ik kom eigenlijk met het booze voornemen je eens meê te troonen voor

een wandeling! sprak Mathilde glimlachend. Het is heerlijk buiten en

het zal je goed doen.

--Maar Tilly, de kinderen zijn uit en Frans ook. Heusch, ik kan niet,

ik moet ook werken.

--Waarlijk onoverkomelijke bezwaren! schertste Mathilde vriendelijk. Je

hoeft toch niet op het huis te passen!

--Neen, maar als de kinderen thuis komen, en ze vinden mij niet....

--Heusch, Jeanne, dat is verwennen, ze kunnen toch wel een oogenblikje

zonder je! En dat je man uit is.... is dat ook al een bezwaar? Kom,

ik zou maar hoed en mantel aandoen en meêgaan als een verstandige

meid. Zoomen? Dat doe je als het regent....

Jeanne gevoelde een week genot zich de wet te laten voorschrijven

door die zachte stem, die zelfs schertsend steeds een toon van weemoed

liet doorschemeren. En zij gaf zalig toe, terwijl zij bijna neuriënd

de trap opging om zich te kleeden.

Weldra was zij gereed en na tal van vermaningen aan Mietje, ging zij

met Mathilde de deur uit. De koele wind hief iets als een nevel van

haar geest op, terwijl haar bleeke wangen koud werden en bijna een

kleurtje kregen. Zij luisterde verschrikt naar haar vriendin, die haar

vertelde, dat zij eerst Tina en Jo naar de Van Raats had gebracht;

Betsy en Eline hadden hen gevraagd om met hen en Ben te gaan toeren.

--En de anderen?

--O, Lientje en Nico moesten absoluut met mama gaan wandelen; mama

was al wanhopig, dat de oudsten uitgingen. Ik had ze niet meê durven

nemen! sprak zij lachend. Die goede mama!

Zij waren door de Laan van Meerdervoort op den Scheveningschen weg

gekomen en sloegen dezen in. Er waren weinig wandelaars. Mathilde

liet zich meêsleepen door haar gevoel, liet zich opwekken door de

heldere frissche lucht, hoe weinig spraakzaam zij ook anders zijn

mocht en teruggetrokken in haar stille smart.

--Je weet niet hoe.... hoe goed mama is, sprak ze. Ze leeft zoo

geheel en al voor de haren, voor haar kinderen en haar kleinkinderen:

ze heeft nooit de minste behoefte voor zichzelve; wat ze ook denkt of

doet, het is voor ons. En ik geloof, als je vroeg van wie ze het meest

hield, dat ze het niet zou kunnen zeggen. Ja, ze is dol op Etienne;

Etienne is altijd vroolijk als een kind, en omdat ze ook vroolijk is

en nog heel gaarne eens goed lacht, doen zijn grappen haar goed, maar

of ze niet evenveel van Frédérique of van Otto of van mijn kinderen

houdt, daar twijfel ik heusch niet hard aan. Als mama naar Londen of

naar de Horze schrijft, zijn het klachten zonder eind, dat zij die

verloren schapen nooit ziet! Je kan begrijpen, hoe ongelukkig mama

was, toen Cathérine en Suzanne trouwden en ze haar verlieten.... Ik

geloof, ze zou het liefst een soort van hôtel laten bouwen, waar ze

ons allemaal in kon herbergen, Théodore en Howard en Stralenburg en

al de anderen.... Goede, goede mama!

Ze zwegen beiden een pooze. De Scheveningsche weg slingerde zich

als een lang, grijs lint voor haar uit, met een ver perspectief van

boomstammen, onder het netwerk der bladerende twijgen. Zonneglanzen

vonkelden op het jeugdige, geelgroene loof, hel en vroolijk wuivend

onder de strakke, blauwe lucht; op de oude stammen gloeide een nieuw

mos, fluweel gelijk. Een zacht getjilp van vogelen doortrilde de

heldere atmosfeer als kristal.

--Wat is het hier heerlijk! zeide Mathilde. Men herleeft. Maar laten

we een zijpaadje ingaan. Die menschen vervelen me, denkelijk moeten

wij hen ook vervelen. Wij detoneeren, hier in de natuur, ik vind

menschen altijd zoo leelijk tusschen groen, vooral als het zoo jong

is.... Je ziet, ik begin te filozofeeren....

Jeanne lachte even, overvol van geluk. De wereld scheen haar schoon

en goed toe, vol liefde. En zij dacht aan Frans...

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 76 / 188 题