I.

Het was een frissche, heldere dag in Mei, na een week van regen en

kille mist. Jeanne had haar kinderen, Dora, Wim en Fritsje met de bonne

een wandeling laten maken naar de Scheveningsche Boschjes; zijzelve

echter was thuis gebleven, daar zij voortdurend veel te doen had, en

het bovenhuisje scheen haar uitgestorven toe, nu zij eenzaam zat te

naaien en te stoppen in een bleeken zonnestraal, dien zij, onbevreesd

voor haar tapijt en haar gordijnen, binnen liet vallen. Frans was uit

de stad, naar Amsterdam, waar hij een geneesheer consulteerde. Het was

nu halftwee, dacht Jeanne met een blik op de pendule, die hoorbaar in

de stille kamer tikte; om halfzes ongeveer zou Frans terugkomen, en de

uren, die zij nog zoude moeten wachten, schenen haar eeuwen toe, hoewel

zij het toch heerlijk vond eens ongestoord veel werk te kunnen doen.

De bleeke zonnestraal was schuins op haar neêr komen zinken, maar

het hinderde haar niet en zij koesterde zich integendeel in zijn

zwakken lenteglans. Het licht tintelde langs heur lichtbruin haar,

en gaf haar ingezonken, witte wangen een weêrschijn van dof albast;

het glinsterde ook over haar dunne, fijne vingers, terwijl zij met een

regelmatige beweging de naald haalde door den zoom van een hemdje. En

zij verlangde naar den zomer; o, Mei, met haar nattig, mistig weêr,

en haar zeldzamen helderen dag, mocht zich zoo snel mogelijk ten einde

spoeden; hoe had zij zich nog eenige illuzie kunnen maken, dat Mei

een maand van lente-weelde zou zijn, zooals de dichters het logen! Zij

glimlachte een weinig weemoedig, zich over het hemdje bukkend en den

zoom met haar nagel dicht persend; zij glimlachte er over, dat iedere

illuzie, de minste zelfs, verstoof, terwijl heur leven voortrolde

en de toekomst, waarvoor zij in een grooten, geheimen, onzegbaren

angst vreesde, steeds week voor de eentonige werkelijkheid en nu,

nu rilde zij, nu rees weder dat bange voorgevoelen in haar ziel,

als een gesluierd spook; hun zou iets overkomen; een, niet af te

wenden, ramp zou hen verpletteren. Zij haalde huiverend diep adem,

met de handen geprangd aan haar borst, huiverend, niet voor haar,

niet voor hem, voor de kinderen.

Zij stond op, het werd haar onmogelijk meer te werken, en toch, zij

mocht niet lui zijn, den enkelen zomerschen dag, dien de kinderen

haar in rust lieten. O, waarom was zij niet sterk!

En zich leunende tegen den post van het venster, liet zij zich

geheel beschijnen door den zonnestraal, als een bleeke kasbloem,

die naar licht en lucht verlangt, en zij zag, verloren in haar

grauwe gedachten over wat komen zou, in het vierkante tuintje van

den kruidenierswinkel beneden. Een sering begon er in blad te komen,

maar in het middenperkje en in de perkjes aan den muurkant was nog

niets geplant en voor Jeanne's gedachten doemde eensklaps een vizioen

van Perzische rozen op, zooals die op hun erf te Temanggoeng bloeiden,

groot als roze bekers vol zoeten geur. Het was of zij dien geur genoot;

het was of de blozende kleur dier bloemen de grauwe gedachten verdreef

en alleen maar wat heimwee opwekte naar warmte en liefde.

Zoo stond zij, toen er gebeld werd en Mathilde Van Rijssel binnenkwam.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 75 / 188 题