VII.

Men was van de whisttafel opgestaan en men praatte druk door elkaâr. De

vroolijkheid was door de voorspellingen nog meer gestegen, en Etienne

verweerde zich met een stortvloed van woorden tegen Ange, die hem

voorspelde, dat hij een oude vrijer zou worden; hij bedankte daar

hartelijk voor....

Terwijl Ange en Léonie Paul overhaalden nog iets te zingen en Léonie

hem een lied van Massenet accompagneerde, nam Betsy met aandacht

haar zuster en Otto op. En zij meende goed te zien: er was nog niets

tusschen hen verhandeld. Wat draalde Eline toch! Neen, dan had zij,

Betsy, het eenvoudiger gedaan; zij had Van Raat kalm geaccepteerd,

toen hij haar in zijn onhandigheid gevraagd had.... Waar zat Eline

toch over te zeuren? Waarom zou ze Erlevoort nu in 's hemels naam

niet aannemen? Zij waren geheel en al voor elkander geknipt.... En

ze ergerde zich zeer over die sentimenteele aarzeling harer zuster,

terwijl deze een huwelijk kon doen met iemand van goede familie,

met een redelijke pozitie.... Haar blik gleed koud over Eline's

ranke gestalte, waaraan steeds die weifelende schuchterheid een

nieuwe bekoring gaf, en zij merkte die op, zij merkte ook een waas

van ernst op, dat over haar schoonheid verspreid lag, en dat zij

nooit te voren bij haar bespeurd had... Wat een pourparlers toch, als

alles zoo eenvoudig was! Maar toen zij haar man, die met Otto sprak

in het oog kreeg, ergerde die haar nog meer dan Eline: wat was hij

toch dom! Zou hij waarlijk nog niets gemerkt en niet begrepen hebben,

waarom Otto eigenlijk van avond ten hunnent was!

Intusschen, mevrouw Van Raat was reeds vertrokken, later dan zij

gewoonlijk placht te doen en nog over Eline's besluit in eene

onzekerheid, die haar nieuwsgierig had doen dralen. Zij had zich

eenigszins de illuzie gemaakt van eene scène-de-familie en de avond was

haar dus een teleurstelling geweest. Nu--het was bij half-een--maakten

mevrouw Eekhof en haar dochters met Emilie, Vincent en Paul ook

aanstalten tot vertrekken, en zij gingen, terwijl de meisjes, in een

wervelwind van vroolijkheid, door Henk en Etienne naar de vestibule,

naar heur rijtuig werden geleid.

In het kleine boudoir waren Betsy, Eline en Otto een wijle alleen

gebleven, in stilte, die hen eenigszins verlegen maakte. Betsy echter

begaf zich opzettelijk naar den salon, naar de speeltafel, als wilde

zij de verstrooide fiches ordenen....

En het was Eline of de grond onder haar voeten wegzonk. Zij kon

heur verwarring niet voor Otto's blik verbergen, en hij, hoewel hij

geen voornemen had gehad dezen avond op zijn verzoek terug te komen,

gevoelde zich niet sterk genoeg tegen de verleiding der omstandigheden,

nu zij zich beiden alleen bevonden....

--Eline...! fluisterde hij met gebroken stem... O, waarlijk, moet ik

zoo weggaan....?

Bijna angstig hijgde zij haren ingehouden adem uit met een sidderenden

zucht.

--Otto... heusch, heusch... ik... ik kan nog niet...

--Adieu dan, vergeef me, dat ik je voor de tweede maal drong, sprak

hij, drukte even hare vingers en ging....

Zij echter gevoelde zich eensklaps geheel en al smelten in hare

weekheid. Bevende over haar geheele lichaam wankelde zij, maar zij

stortte zich naar de portière, en zich aan de draperie vastklemmende,

riep zij, terwijl zij zich geheel en al aan hare aandoeningen overgaf:

--Otto! Otto!

Hij kon een lichten kreet niet weêrhouden, hij snelde terug en ving

haar in zijne armen op en stralende van vreugde voerde hij haar terug

in het boudoir.

--Eline, Eline, riep hij uit. Is het waar?

Zij antwoordde niet, maar wierp zich snikkend, gebroken door haren

strijd, overwonnen, aan zijne borst en voelde, dat hij haar klemde

in zijne armen....

--Je wilt dus .... je wilt dus mijn vrouwtje worden?

Zij waagde heur gelaat tot hem op te heffen, terwijl zij, rillende,

geketend lag in zijne omhelzing en slechts haar blik vol tranen en

haar vage glimlach antwoordden hem.

--O.... Eline.... engel! fluisterde hij en zijne lippen drukten

haar voorhoofd.

Stemmen klonken in den salon. Henk en Etienne waren uit de vestibule

teruggekomen, Etienne met zijn overjas aan en zijn hoed in de hand.

--Maar waar blijft Otto toch? hoorde Eline hem eensklaps uitroepen

en zij onderscheidden tevens de stem van Betsy, die iets fluisterde.

Otto zag glimlachend neêr op het weenende hoofdje, dat, nu verschrikt,

tegen zijn borst lag.

--Kom, willen we dan gaan? sprak hij, en in zijn eenvoud straalde

hij van geluk.

Zij liet zich langzaam, zeer langzaam medevoeren, steeds snikkende

in zijn armen, het hoofd verborgen op zijn schouder. Betsy kwam

hen glimlachend te gemoet en drukte Otto de hand met een blik van

verstandhouding. Henk en Etienne waren ietwat verbaasd.

--Van Raat, mag ik je.... mag ik je mijn aanstaande prezenteeren,

sprak Otto.

Ook Henk glimlachte nu, ook Etienne, met zeer groote oogen.

--Die oolijkert, die schalk! riep hij uit en dreigde zijn broeder

met den vinger. Als ik dat nu toch vanavond had kunnen denken.

Eline echter, steeds snikkende, maakte zich uit Otto's arm los en viel

Henk om den hals. Hij kuste haar en zijn zware stem mopperde goedig:

--Nou, van harte, zusje... maar drommels, kom, niet zoo huilen... wat

moet er dàt nu bij.... Kom, lach eens, kijk eens lief....

Verlegen verborg zij echter heur hoofd in de handen en ook Betsy

meende haar nu even te moeten zoenen, en schoof heur verwarde lokjes

wat recht.

--Ik ben erg tevreden over mijn soiréetje, erg tevreden! sprak zij

met bedoeling.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 73 / 188 题