VI.

--Etienne is altijd opgeruimd, sprak Eline tot Otto, nadat men

zich verspreid had en zij knikte mevrouw Van Raat, die Emilie haar

plaats aan de speeltafel had afgestaan, vriendelijk toe. Vincent werd

intusschen zeer geplaagd door de Eekhofjes, die hem vroegen of hij

een parfumeriewinkel ging opzetten.

--O ja! antwoordde Otto. Hij heeft ook geen reden anders te zijn,

niet waar? Hij heeft alles wat hij verlangt.

Er klonk iets weemoedigs in die woorden, als was dit met hem,

Otto, niet het geval, en het was Eline onmogelijk hem nog iets te

antwoorden. Een pooze bleven zij zwijgend naast elkaâr staan, terwijl

haar bevende hand in de pluimen van den Makart-bouquet woelde, en

zij gevoelde haar gedachten opnieuw wiegelen.

--Heb je niets te zeggen? fluisterde hij ten laatste zacht, maar

zonder eenig verwijt.

Zij haalde diep adem.

--Waarlijk, ach... ik... ik kan nog niet, vergeef me, maar

heusch... later, later.

--Goed later, ik heb geduld, zoolang ik het nog mag hebben, sprak

hij, en zijn kalme toon stilde dat gewiegel in haar hersenen. Toch,

zij kon niet meer weigeren, maar zij kon zich ook niet uitspreken.

En zij bewonderde nu ook zijn tact vol eenvoud, terwijl hij met haar

voortsprak over zaken, die hun op dat oogenblik geen van beiden

veel belang inboezemden. Die eenvoud was zijn grootste bekoring,

voor iedereen; hij was zoo geheel en al die hij was, dat het scheen

alsof er achter zijn oprechtheid niet het minste school, dat hij

behoefde te verbergen. Terwijl hij praatte scheen hij noch haar,

noch zichzelven wijs te willen maken dat dit gesprek belangrijk was;

scheen hij het alleen voort te zetten, omdat hij gaarne bij haar

was, gaarne naast haar stond, en dat zij iets tegen elkander moesten

zeggen. Het klonk haar zoo duidelijk uit de volle diepte zijner stem;

hij dacht aan iets anders en hij poogde dit niet te verhelen. En voor

het eerst gevoelde zij nu voor hem iets als medelijden; gevoelde zij,

dat zij wreed was, en dat hij moest lijden, en deze erbarming wekte

opnieuw de smeltende weekheid in haar op, die zij niet begreep.

Gerard ging rond met een zilveren blad vol glazen, wijn en sorbets,

daarna met twee groote porseleinen schulpen vol gebakjes.

--Wil u een sorbet, mevrouw, en een taartje? vroeg Eline aan mevrouw

Van Raat, wat verlaten op de canapé, nu en dan glimlachend tegen het

vroolijke troepje der jongelui, die elkaâr kaart legden.

--Wacht! vervolgde zij tot Otto; mevrouwtje zit daar zoo alleen,

ik ga haar wat gezelschap houden.

Hij knikte haar vriendelijk toe en ging hooren naar de horoscoop,

die Ange voor Paul trok.

Eline wenkte Gerard en zij nam een sorbet, legde een taartje op een

schoteltje, en bood het mevrouw Van Raat. Daarna zette zij zich naast

de oude vrouw neêr en vatte haar hand.

Mevrouw Van Raat roerde echter de ververschingen niet aan, maar zag

tot Eline op, recht in heur oogen.

--Nu, hoe is het? vroeg mevrouw.

Eline kon in heur smeltende weekheid niet geërgerd worden over

de onbescheidenheid. En zij antwoordde alleen zeer zacht, bijna

onhoorbaar:

--Ik.... ik zal ja zeggen.

Zij zuchtte, en de tranen welden in haar oogen, toen zij voor het

eerst dat besluit uitsprak. Zij zou ja zeggen. En zij kon niets

meer vinden om de oude vrouw bezig te houden; dat eene woord,

dat zij zou moeten uitspreken, vervulde haar zoo geheel, dat alle

andere gedachten vervlogen. Een oogenblik zaten zij dus zwijgend

naast elkander, een weinig met den rug naar het vroolijke troepje,

dat zich om een babytafel verdrong en de kaarten raadpleegde. En

Eline hoorde eensklaps Ange's schelle stem, die schertste, terwijl

zij de kaarten een voor een naast elkaâr scheen te leggen.

--Hoort u nu goed, meneer Erlevoort.... ik ben veel geestiger dan

madame Lenormand.... dat is u, hartenheer.... u is omringd van veel

tranen, maar die klaren op in glimlachjes... u krijgt veel fortuin,

en gaat in een kasteel wonen op de Pyreneeën. Of koopt u liever een

villa bij Nice? Ah! daar is zij! Hartevrouw, ziet u! Roze Mie! U gaat

nogal ver van haar af, maar al de tusschenkaarten zijn gunstig... U

zal met veel bezwaren te kampen hebben, eer u tot haar doordringt,

want ze wordt nogal gecourtizeerd.... ziet u maar: klaverheer,

ruitenheer, zelfs een plebejer, een sociaal-democraat; schoppenboer!

--Zwarte Piet....! riep Léonie. Ah, fi donc!

Eline glimlachte een weinig verschrikt en wischte een enkelen traan af,

die aan haar wimpers hing en mevrouw Van Raat, die eveneens geluisterd

had glimlachte ook.

--O, kijk die azen heerlijk liggen! juichte Ange voort. Geen vrees,

meneer Erlevoort, geen vrees, alles klaart op...

--De kaarten schijnen gunstig, fluisterde mevrouw Van Raat.

Eline trok glimlachend een minachtend mondje, maar zij was wat

ontsteld: Zwarte Piet had haar aan Fabrice doen denken....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 72 / 188 题