Vincent was uitgevallen, Betsy viel in.
--En Elly, heb je nu al een dollen streek verzonnen, iets vreeselijk
dwaas? vroeg Vincent in de laatste woorden hare stem nabootsend.
Aan de piano was het kalmer geworden, Léonie was bij Emilie gaan
zitten praten en verhaalde zeer levendig van een kleine sauterie
bij de Van Larens, Etienne had zich omgedraaid op den tabouret en
maakte nu gekheid met Ange, die in een schaterlach op den pouffe
was neêrgevallen, terwijl zij haar gelaat met de handjes bedekte,
Paul lachte meê en bladerde in de muziek.
--Hoe? Wat?.... Hoe meen je? stotterde Eline, die niet begreep.
--Je vertelde me immers verleden, dat je iets vreeselijk dols zou
willen doen; nu ik vraag je of je misschien al iets weet. Ik doe
gaarne meê.
Zijn scherts was haar een wanklank. In de, haar ongewoon ernstige,
stemming, waarin zij onwillekeurig door haar gedachten was gekomen,
scheen de herinnering aan die pooze van wuftheid haar een echo van
vervlogen wenschen toe. Neen, zij wenschte zich aan geen berispelijke
onzinnigheden toe te geven; zij wilde verstandig zijn als Otto
was. Berispelijk onzinnig: haar teleurgestelde liefde, zoo zij dien
naam aan haar dwaasheid mocht geven, was het al geweest; zij wilde
zich voortaan niet meer zoo laten medesleepen.
En zij drong in haar hart de bittere spijt terug, die er als een
adder den kop scheen op te beuren.
Terwijl zij nauwelijks woorden vond om Vincent met een luchtige
fraze te kunnen antwoorden, omving haar eensklaps een plotselinge
schrik. Het was een gedachte, die nieuw bij haar oprees. Neen, er was
geen terugdeinzen meer mogelijk. Otto, Betsy, moesten verwachten, dat
zij zoude aannemen, Zou zij anders hem met de intieme invitatie haar
wensch te kennen hebben gegeven, dat zij hem wilde zien? Zou zij hem
anders niet geschreven hebben? Het was beslist, het kon niet anders
en een groote rust verspreidde zich, na haar plotselingen schrik,
door haar geheele wezen.
--Maar lieve meid, ik geloof, je lijdt aan distracties! riep Vincent
lachend uit. Hij had haar gevraagd, waarom Georges De Woude er niet
was en zij had kwijnend gelispeld:
--O ja, dat is wel zoo....
Ze lachte nu zelve, zij werd nu weêr zichzelve in de zaligheid van
die rust. Zij ging zitten.
--Neem me niet kwalijk; ik heb wat.... en ze bracht de hand aan de
lokjes op haar voorhoofd.
--O, zeker hoofdpijn. Ik ken dat! viel hij ironiek haar in de rede
en zag haar onderzoekend aan. Ik geloof, dat het een familiekwaal
bij ons is; we hebben dikwijls hoofdpijn.
Verschrikt hief zij haar blik naar hem op. Hij kon toch niets weten?
--Ik heb ook hoofdpijn gekregen onder het spelen, onder dat gerammel
aan die piano. Het was, alsof ik er allerlei schelle kleuren zag,
groen, geel, oranje. Als die kleine, vroolijke meid daar zingt,
Léonie, geloof ik, zie ik altijd oranje.
--En als ik zing? vroeg zij coquet.
--O, dan is het heel iets anders, hernam hij ernstig. Dan zie ik altijd
een harmonieuzen climax van zeer licht roze tot purper toe, en alles
smelt zacht in elkaâr. Je lage tonen zijn roze, je hooge purper, en
schitterend. Als Paul zingt wordt het me grijs, soms iets van violet.
Zij begon zeer vroolijk te lachen, en Paul, die hem gehoord had, ook.
--Maar Vincent, dat zijn vizioenen van een overspannen fantazie.
--Misschien wel. Soms is het toch iets heel moois. Heb je het nooit
gehad?
Zij dacht even na, terwijl Ange en Etienne, die het laatste van hun
gesprek gehoord hadden, naderbij kwamen en luisterden, evenals Paul.
--Neen, ik geloof het niet.
--Heb je ook niet, dat sommige tonen de gedachte aan een geur bij je
opwekken, bij voorbeeld opoponax of réséda? Orgeltonen zijn net als
wierook. Als je die scènes van Beethoven zingt: Ah, Perfido! dan ruik
ik altijd verveine, vooral bij een der laatste hooge passages. Als
je het eens later zingt, zal ik je zeggen wanneer.
Ange schaterde.
--Maar, meneer Vere, hoe heerlijk zoo geparfumeerd te zijn!
Allen lachten meê en Vincent scheen ook zeer opgewekt.
--Het is toch waar, parole d'honneur.
--Neen, ik heb wel, dat sommige menschen me aan beesten laten denken,
fluisterde Etienne. Henk bij voorbeeld, laat me aan een grooten hond
denken, Betsy aan een kip, mevrouw Van der Stoor aan een krab.
Men gierde het uit: Otto, Emilie en Léonie stonden op en kwamen
naderbij.
--Wat is dat toch voor een vroolijkheid? vroeg Emilie nieuwsgierig.
--Mevrouw Van der Stoor is een krab! gilde Ange met tranen in de
oogen van het lachen.
--En zeg eens, Eetje, waar laat ik je dan aan denken? vroeg Léonie
met glanzende oogen, nadat Eline haar op de hoogte van het gesprek
had gebracht.
--O, jij en Ange zijn net twee kleine puckjes, roaff, roaff! riep
Etienne uit en blafte. Freule De Woude met haar onderkin is een
kalkoen! fluisterde hij, overmoedig door zijn succes, Ange in,
die bijna stikte. Juffrouw Frantzen is ook een kalkoen, in een
ander genre. Willem, onze knecht, is een deftige ooievaar en Dien,
de keukenmeid van de Verstraetens, een kakatoe.
--Het is een menagerie, een arke Noachs! gierde Léonie.
--En Eline! vroeg Paul ten laatste.
--O, Eline! herhaalde Etienne en dacht na. Soms.... een pauw,
soms.... een slang, op het oogenblik.... een duifje.
Men schudde het hoofd over den dollen jongen, maar men bleef vroolijk
lachen, zeer vroolijk.