IV.

Betsy schonk thee. Mevrouw Van Raat en mevrouw Eekhof zaten bij haar

op een canapé en praatten met Emilie De Woude; Henk hoorde, met de

handen in zijn zak, aandachtig naar Vincent, en Eline bladerde met

Ange en Léonie Eekhof en Paul in haar muziek op de piano, toen Otto

en Etienne binnenkwamen.

--En Frédérique? vroeg Betsy verbaasd, terwijl zij Otto de hand reikte.

--Frédérique gevoelde zich wat moê, ze laat zich excuzeeren, antwoordde

hij eenvoudig.

--Ze is tegenwoordig meer onwel! sprak Etienne met overtuiging,

als wilde hij de woorden van zijn broêr kracht bijzetten.

Eline's hart klopte. Zij gevoelde zich zeer zenuwachtig, al wist zij

die nervoziteit te verbergen onder haar lieflijke vroolijkheid. Het

was haar plotseling of ieder haar aan zou zien, zou raden wat

zij dacht, en zij huiverde bijna haar wimpers omhoog te heffen,

uit vrees het aanzicht van den salon eensklaps geheel veranderd te

zullen vinden.... Maar toch, toen zij opzag, was alles het zelfde:

de oude dames praatten met Betsy en Emilie door, Vincent fluisterde

bijna aan Henks oor, en de meisjes en Paul drukten Etienne de hand.

Otto trad echter naar haar toe. Zij wist bijna niet meer hoe zich te

houden en meende, dat zij zeer onhandig stond, maar juist die aarzeling

teekende in haar slank figuurtje iets weifelend schuchters af,

dat haar een nieuwe bekoring gaf. Zij hoorde, hoe hij haar eenvoudig

goedenavond zeide, maar in zijn stem klonk iets vols en rijks, als een

belofte van teederheid. Zij gevoelde eensklaps een nieuwe aandoening,

een smeltende weekheid in haar hart, die zij niet begreep.

Hij bleef bij hun groepje, bij de piano; hij stond vlak naast haar,

maar sprak met Ange, terwijl Léonie luid schertste met Etienne,

die haar brutaal het hof maakte. Een enkele maal zag Otto Eline aan,

om haar te doen deelen in hun gesprek over niets, en zij glimlachte

zonder te hooren. Zij kon haar gedachten niet meer volgen; die

fladderden in haar geest als kapellen en het werd haar, of stemmen

aan haar ooren zongen....

Zij begreep, dat zij zich niet mocht laten neêrzinken in de zachte

weelde, die haar als met donzen armen omving, dat zij niet droomen

kon te midden van een salon vol menschen. En zij ging, na een paar

schertsende frazen, terzijde, terwijl zij zich verwonderde over haar

gedempte stem, die klonk als door een gaas....

--Vincent, je speelt ook, nietwaar? hoorde zij Betsy vragen, terwijl

zij de oude dames en Emilie zag opstaan en Henk in den anderen salon

aan het speeltafeltje bespeurde, bezig de parelmoeren fiches uit

een Japansche doos te nemen. Het was haar, als bewoog zij zich in

een droom....

Zij zag de kaarten in den vorm van een S uitgespreid op het ronde,

roode laken; zij zag op de hoeken der tafel de bougies branden en de,

van ringen glinsterende vingers van mevrouw Eekhof een kaart trekken.

Het werd haar, als was zij buiten dat alles, ver af.... Vincent

ging zitten tegenover mevrouw Van Raat, Henk zou spelen met mevrouw

Eekhof. Betsy keerde met Emilie terug, zij zou later invallen.

--Mevrouw, wij hinderen toch niet, als we muziek maken, of is het

daar een vreeselijk ernstig partijtje? vroeg Léonie aan Betsy, naar

de speeltafel wijzend.

--O, volstrekt niet, amusez-vous toujours....! antwoordde Betsy en

zij voerde met een vraag Otto en Emilie mede naar de canapé. Zij was

voor vreemden steeds zeer innemend.

--Toe, Eline, laat je dan hooren, kindlief, we smachten naar je

sirenengeluid! ging Léonie door in een onuitbluschbare levendigheid;

ik zal je accompagneeren met mijn doigts de fée.

--Heusch niet, Léo, niet vanavond.... Ik ben niet bij stem.

--Niet bij stem? Ik geloof er niets van! Kom! Allons, chante, ma

belle! Wat moet het zijn....?

--Ja, Eline, toe zing! riep mevrouw van Raat uit den anderen salon

en vroeg verlegen aan haar partner wat troef was.

--Heusch mevrouwtje, heusch Leo, ik kan niet, ik voel het altijd

wanneer ik niet kan.... Ik laat me anders nooit bidden, nietwaar....?

--Maar je hebt immers muziek meêgebracht?

--Ja, maar dat zijn geen airs om meê te beginnen, dat is voor later

op den avond....

--Eerst iets ernstigs, kom Eline, allons!

--O, gedecideerd niet! sprak Eline en schudde het hoofd. Het was haar

waarlijk onmogelijk; zij gevoelde zich als in een koorts, die haar een

zachten blos op de wangen joeg, haar oogleden kwijnend neêrvallen,

haar pols jagen, haar vingeren sidderen deed. Zij zou gevibreerd

hebben, haar keel was klankloos.

--Gedecideerd niet? hoorde zij zacht herhalen en zij zag om. Het was

Otto, die, bij Betsy en Emilie gezeten, het haar vroeg en haar met

zijn hartelijke oogen aanzag. Opnieuw schudde zij het hoofd, steeds,

naar zij meende, onhandig, maar vol onbewuste bevalligheid.

--Waarlijk, ik zou niet kunnen....

En zij wendde zich dadelijk af, vreezende, dat hij vermoeden zou,

waarom.... Daarbij gevoelde zij zich zeer verlegen, zoodra haar

blik den zijne ontmoette, ofschoon niet het minste verwijt er uit

straalde. En het werd haar nu of er iets scheefs was in de verhouding

dier kennissen, welke hunne salons vulden met hun gescherts en gelach,

iets wat niet was zooals gewoonlijk en de regelmatige banaliteit ervan

verbroken had; maar toch, zoo dacht zij, alleen Betsy en mevrouw

Van Raat wisten, dat Otto haar gevraagd had, en dat zij hem dezen

avond haar antwoord zou geven.... Wat de anderen mochten vermoeden,

zij zouden geen woord laten ontslippen, dat haar zou noodzaken den

sluier van hun geheim op te beuren, vóór zij het verkoos. En dit

vertrouwen op de discretie hunner welopgevoedheid stelde haar gerust.

Léonie echter boudeerde en vond Eline een vervelende meid. Paul en

Etienne riepen nu, dat zij, Léo, zingen moest en wilden hare muziek

halen, die het meisje uit eene affectatie van schuchterheid in de

vestibule gelaten had. Alle drie vlogen ze lachend naar de deur,

maar Léonie wilde hun niet permitteeren de muziek te zoeken, en zij

maakten een plotselinge, vroolijke drukte, die de whisters in den

anderen salon glimlachend over de kaarten deed opzien. Etienne echter

zegevierde en bracht weldra met opgeheven armen de partituur van de

Mascotte binnen, die aan een draad uit zichzelve hing. De Eekhofjes

werden overgehaald en zij neurieden nu lachend en hakkelend, met twee

dunne, schelle stemmetjes het duet van Pipo en Bettino:

"O, mon Pipo, mon Dieu, qu't'es bien!"

terwijl Etienne haar met dikwijls twijfelachtige akkoorden begeleidde.

Toch had het duet groot succes en in een stijgende vroolijkheid

galmden zij weldra met hun vieren, Ange, Léonie, Etienne en Paul,

zoowel uit de maat als uit den toon, nu het langoureuse:

"Un baiser est bien douce chose!"

dan het comique:

"Le grand singe d'Amérique!"

en hun muziek dartelde als een gefladder van luchtige melodie vroolijk

door de salons.

Eline was op een pouffe naast de piano gaan zitten, en zij leunde

er heur koortsig hoofdje tegen aan, bijna verdoofd door Etienne's

hard gerammel. Hare hand sloeg de maat op hare knie: zoo scheen zij

nog eenig belang te stellen in wat zij deden. Zij hoorde de snaren

der piano gonzen in hare ooren, en dit gegons verhinderde haar na

te denken en eene beslissing te nemen. Telkens slingerde zij van

het een op het ander.... Ja, zij zou aannemen; zijne liefde, schoon

niet beantwoord, zou toch haar geluk zijn, het was de vervulling van

haar noodlot.... neen, zij kon zich niet dwingen, zij kon zich niet,

zonder een zweem van liefde, laten vastketenen. En het was haar of

heure gedachte, tot bezwijmelens toe, gewiegeld werd naar twee zijden;

het was haar of een klok hard in heur hersenen tikte, ja, neen, ja,

neen.... Verluchting zoude het zijn in den blinde te grijpen.... neen,

slechts met juist overleg mocht zij haar besluit nemen.... o, dat die

klok toch bedaarde, zij vermocht niet zoo te strijden met zichzelve,

zij was er te zwak toe....

Zij wilde niet meer nadenken, zij zou zich laten medesleepen door de

onzichtbare machten, die haar op haar hellend pad dreven, zij zou

zich geheel overgeven aan den drang der omstandigheden; die zouden

beslissen voor haar.... en zij gevoelde een rilling kil over haar

huid glijden, toen hunne blikken elkaâr ontmoetten, en stond op.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 70 / 188 题