III.

Neen, Eline wist niet wat te beslissen. Zij huiverde een stap te doen,

die haar gelukkig of ongelukkig voor haar leven maken kon; het was haar

als hing heur toekomst thans alleen af van een enkel woord, dat zij

draalde te uiten. Zij huiverde er voor een mariage-de-raison te doen,

daar zij in heur hart een grooten drang gevoelde naar veel liefde, al

had zij dien ook, willens en wetens onderdrukt na heur teleurstelling,

en Otto.... zij had met hem gedanst, met hem gelachen en geschertst,

maar nooit had zijn beeld haar gedachte ook maar een wijle vervuld,

en zij had hem vergeten, zoodra zij hem niet meer zag en hoorde. Toen

zij echter zijn hartelijken eenvoud doorzien had, toen zij ried,

dat hij haar liefhad, was dit vermoeden haar zoet geweest, en zij

maakte zich wijs, dat het haar zou gehinderd hebben hem leed te doen,

hem iets te moeten weigeren, zelfs heur hand.... Bij die vrijwillige

verbinding scheen de zachtheid van zijn stillen hartstocht een balsem

uit te gieten over haar gemarteld hart.

De gedachte zijn vrouw te worden had haar onder dit zelfbedrog vervuld

met eene kalme vreugde: iets als een lieflijk verschiet was haar voor

den blik gerezen, en.... zij had financiëele overwegingen gemaakt.

Ook, meende zij, lachte het haar toe, geheel onafhankelijk te zullen

worden, en het huis harer zuster te verlaten, daar zij er zich, trots

haar eigen fortuintje, als geketend gevoelde, als een lastige logée,

die men duldde ter wille van de opinie der wereld. Maar onder al die

schijnredenen, welke haar lokten Otto met een stille behaagzucht toe

te lachen, school, een adder gelijk, onzichtbaar voor haar eigen blik,

de bittere spijt over de ruïne harer ingestorte fantazieën weg, en

zou zij zich ooit aan Otto geven, het zou zijn om zich te wreken op

Fabrice, om zich te wreken op zichzelve.

Intusschen, zoodra hij gevraagd had, zoodra zij nadenken moest,

en zich niet in een overstelpende weelde van passie kon overgeven,

was zij vol angst teruggedeinsd een beslissend woord te spreken.

Hij, Otto wachtte; hij ten minste was bescheiden.

Hij had gedurende eenige dagen het huis der Van Raats gemeden, en zij

wilde hem beloonen voor zijn discretie; zij had blozend Betsy verzocht

hem een intieme invitatie te sturen, evenals aan Freddy en Etienne.

Hij zou komen, zij zou hem spreken en het scheen haar of zij door

onzichtbare machten werd voortgestuwd op een hellend pad, of zij anders

wilde dan zij handelde, maar onmachtig was den dwang van haar noodlot

te ontgaan; het scheen haar of zij geblinddoekt zocht naar haar geluk,

angstvol luisterend haar handen uitbreidde naar iets wat er de echo

van scheen, en toch zeker was het nimmer te zullen vinden, nimmer.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 69 / 188 题