II.

Het was Zondag en Paul Van Raat had zich voor eene pooze gezet aan

zijn ezel, waarop een half voltooid stilleven prijkte: eenig oud

Delftsch, een antieke Bijbel, een antiek Rijnwijnglas en een zilveren

drinkkan,--die van Vincent, welke hij toch had overgenomen,--los

geschikt op een breed gekreukeld Smyrnaasch tafelkleed. Maar het

werk vlotte niet; het licht bleef vaal, hoe hij ook zijn gordijnen

ophaalde of neêrliet, en hij betreurde het, dat zijn vingers veel

gemakkelijker de voorwerpen zelve in een oogwenk smaakvol wisten te

plaatsen, dan ze daarna in kleur op het doek na te beelden. Het was

de schuld van het weêr: bij zoo een regenachtigen hemel tintelde

er geen licht in den wijn van zijn glas, en geleek de zilveren kan

tin.... En hij legde het penseel weg en wandelde met de handen in de

zakken en fluitende zijn atelier op en neêr, een weinig geërgerd door

zijn gemis aan werkkracht. Hij had toch zoo gaarne gewild, maar hij

kon niet, al dwong hij zich....

Zijn kamer geleek een chaos van artisticiteit, zooals zijn machteloos

dillettantengemoed een chaos was, waaruit zelden een schepping

voortkwam. Boven een gebeeldhouwde eikenhouten kast hing een tropee

van antieke wapens; de muren waren, tot het plafond toe, bedekt

met porselein, schilderijen, platen en etsen, en vrouwenbeelden in

marmer en terra-cotta schenen hem te omringen, als in een harem van

krijtwitte en amberkleurige schoonheid. Overal slingerden boeken;

uit losgestrikte portefeuilles slipten schetsen en gravures; op den

grond, om den ezel, lagen penseelen, kwasten en tubes. Een groote

aschbak was vol asch en overal lag stof. Leentje, de werkmeid, mocht

slechts bij groote gratie dit verblijf binnentreden.

En terwijl hij in zijn teleurstelling op en neêr wandelde scheen

het hem, dat hij een verluchting zou gevoelen, wanneer hij al dien

artistieken rommel eens opruimen, zijn ezel op zolder brengen, en

nooit meer aan een penseel denken zou. Het scheen hem toe, dat, ware

zijn kamer gezuiverd van kunst, zijn geest van zelve ook geen kunst

meer verlangen en geen teleurstellingen ondervinden zou.... Het was

tijd verknoeien; hij kon toch niets, hij kon zich beter amuzeeren dan

met dit gekladder.... En hij bedacht, hoe hij zijn kamer dan opnieuw

zou inrichten, ruim en eenvoudig, zoodat men er zich in bewegen kon,

zonder nu een beeld om te gooien of dan over een Oostersche draperie te

struikelen. Maar toch, iets als weemoed overviel hem bij die gedachte;

het was toch illuzie.... wel reeds lang gebroken en neêrgestort van

haar voetstuk, maar waarvan hij nu ten laatste de scherven nog weg

zou vagen....

Eensklaps hoorde hij Eline's schertsende stem op den corridor, en

hij ging naar beneden, de achterkamer in, waar zij zijn moeder reeds

omhelsde. Zij was met Ben gekomen; Betsy liet mevrouw Van Raat vragen,

of zij genoegen zou hebben dien avond op het Nassauplein te komen:

er kwamen alleen mevrouw Eekhof met hare dochters, Ange en Léonie,

Frédérique met haar twee broêrs en Vincent.

--We rekenen natuurlijk ook op jou, Paul! sprak zij, terwijl zij hem

de hand reikte, Cela s'entend, n'est ce pas....? Kom, mevrouwtje,

u moet het maar doen, wees nu niet zoo onaardig te weigeren; u mag

op uw gewone uurtje weêr weg. Ce n'est pas à refuser....

Enfin, mevrouwtje zou het dan maar doen, maar eigenlijk gevoelde zij

zich niet thuis bij al die jeugd.

--Dat doet u juist goed, die vroolijkheid .... zie mevrouw Van

Erlevoort eens! sprak Eline. Aan die moest u een voorbeeld nemen....

Mevrouw, niet bestand tegen de verlokking van de stem harer lieveling,

werd overwonnen; ook Paul beloofde te komen. En mevrouw zag Eline, die

naast haar op de canapé zat, met nieuwsgierigheid aan, als overwoog

zij iets bij zichzelve. Paul had Ben aan het ravotten gebracht,

geërgerd over de zoetheid van het kind, dat stil op een bankje aan

de voeten zijner grootmama was gaan zitten.

--Zeg Eline, ik moet je toch eens vragen....! begon mevrouw Van Raat

fluisterend. Is het zoo?

Eline voelde een lichten blos haar wangen kleuren, maar zij deed,

of zij de vraag niet begreep.

--Wat mevrouwtje? Hoe meent u?

Mevrouw glimlachte, maar verklaarde zich niet verder, Alleen vroeg zij:

--Frédérique komt vanavond, nietwaar...?

--Ik denk het wel, tenminste.... begon Eline.

--Alleen....?

--Neen, met.... zooals ik u zooeven zeide, met haar broêrs, Otto

en Etienne....

--O zoo! sprak mevrouw achteloos, maar zij zag haar weder van terzijde

aan, terwijl iets als een schalkschheid in haren doffen blik speelde.

--Ik geloof, dat u erg ondeugend is! sprak zij, over haar mofje

strijkend.

--Ach, de menschen praten zooveel, niet waar? Je hoort dit, je hoort

dat.... maar toch, soms hoor je ook wel eens de waarheid.

--En wat heeft u gehoord?

--Iets dat je me al lang had moeten vertellen, als je vertrouwen in

mij gesteld had. Nu moest ik het waarlijk door Betsy het eerst weten.

Eline schrikte.

--Heeft Betsy gezegd....? stamelde zij.

--Ja, liefje, en ik had het liever voor het eerst van jou

gehoord! herhaalde mevrouw Van Raat, in de lichte gekrenktheid eener

oude dame, die meent te kort gedaan te zijn.

Eline werd heimelijk ongeduldig. Het is waar, Otto had haar gevraagd,

maar zij kon zich nog niet beslissen, en het hinderde haar, hoe

iedereeen er van scheen te weten en ongevraagd raad gaf, hoe iedereen

in bedekte en onbedekte termen tegen Betsy toespelingen waagde te

maken en sommigen, gedekt door den sluier van intimiteit, haar zuster

zelfs ingefluisterd hadden, bij Eline aan te dringen, opdat zij zich

verklaren zoude.... Zij had ten laatste genoeg van die indiscreties,

en zij was op het punt mevrouw Van Raat een bits antwoord te geven,

maar zij bedwong zich en liet niets van haar ergernis blijken,

terwijl zij aan mevrouws oor murmelde:

--Ach, wat had ik u moeten zeggen....? Het is zoo, Erlevoort heeft

mij gevraagd.... maar ik mocht er toch niet over spreken, voordat ik

zelf wist, wat ik zou doen.

En zij zag even naar Paul, schielijk haar blik afwendend, geërgerd ook

op hem, daar hij met Ben op zijn rug, een pooze het ravotten gestaakt

had, haar nieuwsgierig aanzag en haar woorden poogde op te vangen. Zij

zou hun toch geen voldoening op die ongepaste onbescheidenheid geven,

meende zij, en zij stond op, en brak mevrouw Van Raats overwegingen,

waaruit bleek, dat de oude dame Otto gaarne mocht, zoo spoedig zij

kon af, door een omhelzing en een paar lieve woordjes.

En zoowel de meerdere innigheid van mevrouw Van Raats bevenden kus,

als de dartelheid in Pauls oogen hinderde haar tot kribbig wordens toe,

terwijl zij op Ben wachtte, daar zijn grootmama hem nog liefkoozend

in haar armen sloot.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 68 / 188 题