I.

De strengheid des winters verzachtte zich en het voorjaar viel in,

druipende van regen en kil van mist, die haar sluiers in flarden

ophing aan de nog bladerlooze boomen. En men praatte veel over Otto

Van Erlevoort, die Eline Vere zoo het hof maakte; o zeker, het zou een

engagement worden, meenden de Eekhofjes, de Hijdrechten, de Van Larens

en mevrouw Van der Stoor. Henk was met Etienne in Gelderland geweest;

zij hadden gelogeerd op het Huis ter Horze, het landgoed der familie

Van Erlevoort, waar Theodore, de oudste zoon, zomer en winter met

zijn vrouw en zijn kroost woonde, en in dien tijd was Otto veel op het

Nassauplein gekomen, bij Betsy en Eline, wel meestal in gezelschap van

anderen, geïnviteerd er familiaar den avond te passeeren, maar toch,

bleef het niet opmerkelijk in hem, die anders stil leefde en weinig

uitging, dat hij nu de Van Raats zoo dikwijls bezocht? Intusschen,

kwam het eens tot een engagement, dan zou het uitstekend zijn: Otto was

een charmante jongen, had een goede pozitie. Eline was allerliefst,

elegant, rijk naar men meende: zij waren voor elkander geknipt, en

daarbij, Eline zou heel blij zijn een baron te krijgen! Men vond hen

zoo goed voor elkander geschikt, dat men eigenlijk leed had er maar

weinig kwaads van te kunnen zeggen, en men zocht, tot men eindelijk

iets gevonden had; au fond was het Betsy, zie je, die, zooals je wist,

niet al te best met zusje overweg kon, en die haar gaarne fatsoenlijk

het huis had uitgebonjourd.... Betsy haalde Otto aan; het was waar,

Eline wilde wel, maar zonder Betsy hadden misschien noch hij, noch

zij er aan gedacht.... O ja, Betsy, ze was heel goed in gezelschap,

maar in huis! Een maîtresse femme? Wel neen, erger.... een feeks! Die

goede dikke Henk zat geheel onder de pantoffel, en als Eline niet

zoo ongemakkelijk was, en flink van zich afbeet, was ze ook onder den

duim geraakt! Het scheen oppervlakkig zoo lief, een zusje, dat wees

was, in huis te nemen, maar als je zoo schatrijk was als de Van Raats,

beteekende het financieel niets--daarbij, de Vere's hadden óok geld--en

of het in huis alles zoo couleur de rose was, men geloofde er niets

van! Daarom, Betsy vond, Eline moest maar trouwen; het werd tijd; ze

had het ook al zoo dikwijls kunnen doen, met dien, en met dien, maar

ze was mooi, en ze was moeilijk, enfin.... het was haar zaak, nietwaar?

Eline wist, dat men zoo over haar sprak, maar zij trok er zich met

een vorstelijke onverschilligheid bitter weinig van aan. Zij ook

dacht het: Otto zou haar zeker vragen, en zij meende, dat zij hem

zou aannemen.... Zij gevoelde wel is waar geen liefde, zooals zij die

bedoelde, voor Van Erlevoort, maar er bestonden niet de minste termen

om hem af te wijzen; het zou in alle deelen een uitstekende partij

zijn; meer fortuin zou haar niet onwelkom geweest zijn, maar zij,

meende zij, met haar verfijnde zuinigheid, zou genoeg tact bezitten,

om een schijn van weelde om zich heen te verspreiden.

Dat Betsy echter Otto aanhaalde, was een weinig bezijden de waarheid:

Betsy, hoewel zij het huwelijk zeer gewenscht achtte, gevoelde geen

persoonlijke sympathie voor Otto, die haar te strak en gepozeerd was,

en zij was vriendelijk en beleefd tegen hem, maar deed geen zweem

blijken, dat zij hem een gewenschten zwager vond....

Ook bij de Van Erlevoorts had men van de buitenwereld wel eens

onbescheiden vragen vernomen, maar Frédérique haalde nog altijd

haar schouders op, met een gebaar, alsof zij totaal van niets wist;

Eline was immers al zoo dikwijls geëngageerd geweest, in de oogen

harer kennissen altijd,--met dien en met dien, waarom ook niet eens

met Otto? vroeg zij zoo ironisch, dat men de waarheid niet gissen

kon. En toch wist zij, dat er thuis soms raadselachtige gesprekken

gevoerd werden tusschen mevrouw Van Erlevoort, Mathilde en Otto,

een soort van familieraad, die nog tot geen beslissing scheen te komen.

Zij gevoelde er zich een weinig uit ter zijde geschoven, en ze was te

fier, nu men haar raad versmaadde en haar opinie niet noodig scheen

te hebben, er zich in op te dringen; eens zelfs, toen zij mama, zuster

en broêr na het diner te zamen had gevonden, en bespeurd had, hoe het

gesprek bij heur binnenkomst eensklaps was opgehouden, hoe men haar,

terwijl heure hand den deurknop nog had vastgehouden, aangezien

had met eenige lichte verlegenheid, was zij, zonder een woord,

weder verdwenen, de deur zacht sluitend, in een stille bouderie,

vol gekrenktheid. Ook alleen met Otto zocht zij, na heur gesprek

over den waaier, geen vertrouwelijk samenzijn meer; hij beschouwde

haar immers als een kind; nu goed, zij zou hem niet lastig vallen

met haar kinderachtigheden.... En alleen bij Lili en Marie voer

zij uit tegen Eline, dat coquette nest, zonder een sprankje gevoel

in al haar gedraai en gelach; maar zij zweeg, als Paul er bij was;

hij verdedigde haar ook al; Eline had hem ook al ingepalmd, evenals

Etienne, die geen kwaad woord van haar hooren kon! Wat al die jongens

toch in haar vonden, ze begreep het niet, zij vond Eline een en al

onnatuur en affectatie, een actrice, Eline speelde altijd comedie....

En al was zij geërgerd over Etienne's pleitredenen voor Eline, zij

gevoelde zich zonder hem, nu hij op de Horze logeerde, wat eenzaam

in het groote huis te midden van het gewoel der Van Rijsseltjes en

het geblaf van Hector, waartusschen dikke juffrouw Frantzen zich met

wanhopige pogingen roerde om den vrede te herwinnen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 67 / 188 题