II.

Nu was zij alleen, zij kon zich vrij door dien storm van smart laten

meêslieren, zij behoefde niet al haar geestkracht bijeen te zamelen

om zich glimlachend en vriendelijk te houden tegenover de wereld,

en zij viel ook met een snik van wanhoop op haar knieën neêr voor de

Perzische sofa en begroef haar kloppend hoofdje in het goudborduursel

der weeke kussens. Heur handen verstikten het hikkend gehuil, dat

haar tenger lichaam schokte, terwijl heur haren in den val losraakten,

en langzaam zich ontwindend, haar omgolfden met hun glanzende kronkels.

Na de eerste smart en teleurstelling had haar een bitter gevoel

omvangen, alsof zij zich, ware het ook slechts in haar eigen oogen,

aan een onuitwischbare bespottelijkheid had overgegeven, aan iets

onwaardigs en belachelijks, dat voor altijd met een smet haar gemoed

bezoedeld had, dat haar voor altijd met een spottende herinnering

zou achtervolgen, als een komisch spooksel....

Zeer lang bleef zij aldus gedompeld in haar verdriet en in haar

kussens. Zij hoorde eerst Henk en Betsy zich naar hun kamers begeven,

toen Gerard, den knecht, de huisdeur op het nachtslot sluiten en

den bout verheffen, hoorbaar klinkend in de stilte, die het geheele

huis doorsuisde.

Toen bewoog zich niets meer en Eline gevoelde zich zeer eenzaam,

als verdronken in een oceaan van leed.

Eensklaps schrikte een gedachte haar op.... Snel hief zij zich

omhoog, terwijl het bruine haar zich warrelde om haar schouders, en

een uitdrukking van gekrenkten trots schemerde over haar, met tranen

besproeid, gelaat als een glans. Beslist trad zij op haar schrijftafel

toe, schijnbaar zelfs kalm, en zij opende met trillende sleutel het,

eens zoo dierbare, loket, zij nam er den album uit... Het roode

fluweel scheen haar als vuur de vingeren te schroeien ... Zij schoof

een stoel bij den haard, waar het houtblok nog gloeide in de asch,

zij ontsloot het boek... Dat was dan het heiligdom harer liefde, de

tempel van passie, waarin zij gedweept had over de beeltenis van den

afgod.... En terwijl zij de bladen omsloeg, ging de processie dier

portretten haar blik voorbij: Ben Saïd, Hamlet, Teil, Luna, Nélusco,

Alphonse, de Nevers... Het was voor het laatst... Ruw, terwijl de

vergulde albumbladen scheurden, schoof zij de fotografies er uit,

één voor één, en zonder eenige aarzeling scheurde zij ze doormidden,

daarna in vieren, éen voor éen, het harde bordpapier der portretten

kreukende, in den wraakzuchtigen greep harer fijne vingeren. De

stukken wierp zij in den haard, éen voor éen, en terwijl de vlam ze

omkrulde, volgde zij haar werk van vernietiging, en wierp er steeds

meer, steeds meer in het vuur, met den pook er in woelende, tot alles

verbrandde... Dat was voorbij, de schande was gelouterd...

Toen rees zij op, eenigszins verlicht...

Maar de gescheurde album, dien zij nog in de vingers hield, schroeide

haar nog steeds de huid, en het fluweelen boek eensklaps zoo ruw

aangrijpend, dat haar nagels scheurden, slingerde zij het met een

onderdrukten kreet van afgrijzen verre van zich weg, tegen de piano

aan, waarvan de gewekte snaren een doffen zucht slaakten...

Toen raapte zij haar sortie, heur witte kant op, streek de verkreukelde

zijde van haar toilet glad en begaf zich naar heur slaapkamer, waar een

kleine, melkwitte nachtlamp een zachten, weemoedigen glans verspreidde.

En het was haar of zij opnieuw diep, diep neêrzonk in dien oceaan van

leed, dien afgrond van teleurstellingen, waaruit slechts de zwarte

schim harer melancholie verrees.... terwijl haar eensklaps een twist

met Betsy heugde.... Zij had namelijk een paar dagen geleden beweerd,

dat Roberts, haar muziekmeester, oud werd en niet meer deugde, dat zij

van een artist wilde les nemen, van Fabrice bijvoorbeeld, en Betsy had

haar afgevraagd of ze dol was geworden, en beweerd, dat dit gedecideerd

nooit gebeuren zou, zoolang Eline bij hen in huis woonde....

Het hoefde nu ook niet te gebeuren....

Hoofdstuk XV.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 66 / 188 题