--Adieu, Betsy, dag Henk! Ik ga slapen, ik ben moê! zeide Eline in
één adem, nog in de vestibule.
--Kom je nog niet wat eten? vroeg Betsy.
--Merci, wel verplicht....
Zij ging naar boven, terwijl Betsy haar schouders ophaalde. Betsy
hoorde in den korten, beslisten klank van Eline's woorden, dat zij
in die nerveuze prikkelbaarheid was, waarin zij kon haten wie haar
af wilde brengen van haar voornemens.
--Wat heeft Eline? vroeg Henk in de eetkamer, ongerust over de
dreigende wolk.
--Ach, weet ik het! riep Betsy uit. Het is begonnen op het concert,
en in het rijtuig antwoordde zij me zelfs niet, zooals je hebt kunnen
merken. Ik doe of ik het niet zie, maar ik vind Eline onuitstaanbaar
met die kippenkuren....
Eline ging, statig, als een beleedigde vorstin, in het zwanendons
en peluche harer sortie de trap op, haar zitkamer binnen. Mina had
de oplettendheid gehad het gas aan te steken; zelfs brandde er nog
een blok hout in den haard. Ze zag even rond, rukte zich de witte
kant van heur haren en het witte manteltje van haar schouders, en,
het hoofd gebogen op de botst, met starende oogen, zag zij bijna
wezenloos voor zich uit, als verpletterd onder het gewicht eener
ontzettende teleurstelling.
In het Venetiaansche spiegeltje, door de roode koorden sierlijk
opgebeurd, boven de blanke groep van Amor en Psyche, wier bevallige
idylle in hatelijk spotziek contrast was met de satire harer gedachte,
zag ze zichzelve weêrkaatst, schitterend in haar roze rips, het hoog
opgekamde haar gekapt met een roze aigrette, hetzelfde toilet waarin
ze drie maanden geleden voor het eerst.... Fabrice had gezien....
En nu....
Zij lachte bijna luid, ze vond zich bespottelijk, ze walgde van
zichzelve, als had zij zich bezoedeld.
Het was Diligentia-concert geweest, in het Gebouw voor Kunsten en
Wetenschappen, en Henk en Betsy waren er met haar, op haar aandringen,
heengegaan. Fabrice zou er zingen: "de populaire baryton der Fransche
opera was uitgenoodigd geworden zich ook in de concerten van het Gebouw
lauweren te plukken," zooals Het Vaderland vermeldde.... Eline had
niet gerust voor zij zeker was te gaan; zij had eerst de Verstraetens
gevraagd; Mevrouw had geen lust, Lili was nog ziek.... zij had toen
Emilie aangespoord; Emilie had een invitatie; eindelijk Henk en
Betsy, die, ofschoon zij geen van beiden veel met concerten dweepten,
hadden toegegeven. En Eline had zich veel voorgesteld Fabrice op
een nieuw terrein, in een nieuwe gedaante, die van concertzanger, te
zien optreden. Gelukkig hadden zij hun plaatsen op het balkon, vlak
bij het tooneel; hij.... o, hij had haar zeker in de opera opgemerkt;
hij zou haar nu een teeken geven, hij had haar lief.... de waaier van
Bucchi!.... En Eline had zich illuzies geschapen zonder eind; haar
hartstocht vulde haar ziel meer en meer met een tweede, denkbeeldig,
fantastisch bestaan, waarin Fabrice en zij held en heldin waren;
een roman van onwaarschijnlijkheid en zich steeds al meer en meer
opschroevende romantiek....
Hij vond haar schoon, hij aanbad haar, zij zouden vluchten, zingen
op een tooneel, armoede lijden, tot roem en weelde geraken.... Een
koorts van gelukzaligheid, nu zij hem weer zien zou, had de geamberde
bleekheid harer wangen getint met een lichten blos, als van een donzige
perzik; haar oogen hadden gefonkeld in den schemerenden gloed harer
kwijnende blikken; en.... zij waren gegaan, zij had zich neergezet,
schitterende van een schoonheid, die binocle bij binocle op haar
had doen richten, die Henk, Betsy zelfs weder was opgevallen, en de
eerste symphonie, was een ruischende hymme geweest, die haar juichte
van liefde en geluk....
Toen, toen was hij opgetreden, ontvangen door een kletterend
handgeklap.
Terwijl Eline nu, steeds wezenloos, in den spiegel blikte, zag zij
hem in haar verbeelding zoo optreden, een tweede maal.
Onhandig, als een dikke timmerman in een rok, die hem te nauw scheen;
zijn korte kroesharen, vet van cosmétique, geplakt langs zijn
wangen; zijn gelaat zeer rood boven het spiegelwitte plastron van
zijn overhemd, geleek hij burgerlijk en plomp, met een onbehaaglijk
norsche uitdrukking om zijn behaarden mond, in zijn toegeknepen oogen,
overhangen door zware wenkbrauwen. En het was Eline geweest of ze hem
voor het eerst zag. Al de bekoring, waarmede hij door zijn levendige,
talentvolle actie, in schitterende kostumes, welke zijn gestalte
op het voordeeligst deden uitkomen, haar onbewust omstrikt had,
verbrak haar tooverkoorden als dooreen enkelen ruk, en al klonk in
zijn prachtige stem het zelfde krachtvolle koper, dat haar in de opera
met zaligheid doortrilde, nu hoorde zij ternauwernood dat hij zong,
ontzet als zij was over haar reusachtige vergissing.
Had zij dan nooit oogen gehad? Die burgerlijke timmerman het
ideaal harer fantastische hersenschimmen! In snikken had zij kunnen
uitbarsten, wanhopig van ontsteltenis, maar geen trek verroerde zich
op haar gelaat en zij bleef recht, bijna stijf zitten, slechts met
een lichte huivering de witte peluche sortie zich om de schouders
trekkend. Zoo lang hij zong, blikte zij hem toe, bezag hem van top
tot teen, als wilde zij zich nu ook niet sparen, en de adem onttrilde
bijna hijgend haar lippen, nu zij zich alzoo dompelde in haar verdriet,
zonder er lucht aan te kunnen geven. Had zij hem dan nooit zóó gezien,
wanneer zij hem in het Bosch ontmoette, in zijn duffel, met zijn
bouffante en zijn flambard, die hem iets romantieks, als van een
Italiaanschen roover, gaf? Had zij zich zoo vergeten?
Zij blikte even met een rillenden angst de zaal rond. Niemand sloeg op
haar acht, niemand vermoedde den storm van teleurstellingen in haar
hart; men was een en al oor voor Fabrice. Gelukkig, men wist niet,
men zou nooit weten.
Maar de gedachte, dat zij gered bleef voor het oog der wereld,
schonk haar geen troost. Vóór haar, in scherven, lag het luchtige,
glazen paleis harer teedere vizioenen en hersenschimmen, dat zij,
zuil voor zuil, broos en luchtig had opgezet, schitterend en, hooger,
steeds hooger, in fantastische, kristallen pracht, hooger, steeds
hooger, tot het als met een apotheoze aan de wolken reikte.
En nu, alles was verbrijzeld, alle vizioenen en hersenschimmen
vervlogen, weggevaagd als door een enkelen windstoot, en zelfs geen
chaos bleef over, slechts een ontzettende leegte, slechts die man
daar met zijn rood kruideniersgezicht en zijn wit hemd, en zijn nauwen
rok en zijn geplakte haren.
Zij herinnerde zich niet ooit zoo geleden te hebben als dien avond.
Drie maanden lang had die roman van liefde haar hart doen kloppen;
iederen keer, dat men achteloos zijn naam voor haar uitsprak, iederen
keer, dat zij zijn naam op een aanplakbiljet vermeld zag, en nu:
een enkelen blik op dien--Vincents woorden ruischten haar als een
echo van spot in het oor--"dikken, leelijken baas", scheurde haar
dien roman uit de ziel, en alles was weg, weg.
Zij sprak bijna niet, en toen Betsy, later in den foyer, het strakke
masker harer trekken, overtogen met een vale bleekheid, opviel en
zij haar zuster vroeg, of ze ziek was, stemde Eline koel toe; ja,
ze voelde zich wat flauw. Men ontmoette er de Oudendijks en de Van
Larens, men lachte en schertste, men noemde Fabrice's naam, maar
Eline bleef, als een gewonde duif, op een bank neêrliggen en hoorde,
bijna zwijmend van smart, niets begrijpend en bête glimlachend,
naar een verhaal van den jongen Hijdrecht.
In het tweede gedeelte van het concert trad Fabrice ook ten tweede male
op, nogmaals met jubelende toejuiching ontvangen, en het werd Eline of
ze duizelde, of het publiek, dol van bewondering, in een satanischen
rondedans zou rondvliegen om den baryton, altijd even norsch en rood
en plomp. Het zweet parelde haar op het voorhoofd, heur handen waren
ijzig en klam in het strakke schoeisel van peau de Suède, en haar
boezem hijgde boven een langen, benauwden ademtocht.... Gelukkig,
het concert was uit.