III.

--Papa slaapt? vroeg Georges, terwijl hij Emilie's zitkamer binnentrad,

des avonds na het diner.

Emilie schrikte een weinig; zij was eenigszins onder den indruk van

een copieusen maaltijd; haar stoel was zoo gemakkelijk en het vuur

zoo gezellig.

--Ja, papa slaapt, herhaalde zij, met de oogen knippende. Georges

lachte.

--En Emilie, heeft die ook geslapen? vroeg hij luimig.

Emilie stemde meê in zijne vroolijkheid. Neen, ze had niet geslapen,

ze had alleen maar wat zitten soezen. Bleef Georges thuis thee

drinken? Dat was gezellig.

En zij zag hem, met haar hartelijke oogen, vol vriendelijkheid, aan; ze

gevoelde een moederlijke genegenheid voor dien veel jongeren broeder,

dien zij van kind af aan had opgevoed en bedorven en vertroeteld, die

nu weêr terug was onder de vleugelen van haar zorg, na twee maanden

in het buitenland geweest te zijn. Gelukkig, hij zag er goed uit,

hij was zelfs dikker geworden, en zij merkte met trots op, dat er

iets mannelijks lag over zijn fijne trekken, of was het, omdat haar

blik hem een wijle ontwend was?

Georges zette zich bij haar neêr, sprak over dit en vroeg naar dat. Ze

kende hem goed, meende zij, en aanstonds begreep ze, dat hij haar iets

te verzoeken had. Zij was inwendig verheugd, dat hij haar noodig had,

maar toch ondeugend genoeg, om hem uit zichzelven voor den dag te

laten komen, zonder zijn woorden uit te lokken. Hij draalde zeer

lang, en toen hij uit haar voorgewende achteloosheid meende, dat

het oogenblik van vertrouwelijkheid niet goed gekozen was, scheen

hij eensklaps beslist zijne mededeeling uit te stellen, en sprak

op vasteren toon over iets onverschilligs. Nu gevoelde zij berouw

en antwoordde weinig, terwijl zij een middel zocht om hem tot zijn

eerste voornemen terug te brengen. Maar zij vond er geen aanleiding

toe en eensklaps hakte zij den knoop door met bondigweg te vragen:

--Zeg, Georges, wat is er? Wat heb je me te vertellen?

Het was nu zijn beurt te veinzen en verwonderd antwoordde hij:

--Je iets te vertellen? Hoe meen je dat?

--Ach.... ik weet niet, ik dacht.... ik meende zoo iets in den krul van

je knevel te zien! schertste zij. Is er waarlijk niets? Geldzaken?....

Zij wist wel beter, het waren geen geldzaken, het waren nooit

geldzaken, want hij was daarin zoo wanhopig accuraat, dat zij, die haar

ouden vader zoowat alle beheer uit handen had genomen, zich nimmer een

aanmerking of een vermaning behoefde te getroosten. Hij schudde dan ook

ontkennend zijn hoofd, maar toch, hij zag haar slechts glimlachend aan,

hij kwam niet verder, zijn vraag scheen dan wel moeilijk in woorden

te brengen, voor iemand, die zoo ratelen kon?

--Ach neen, antwoorde hij. Alles is gezegd in een paar woorden maar er

zijn soms oogenblikken, nietwaar, dat woorden goud schijnen te kosten.

--Ik bid je, Georges, niet van die ambages; heb je me iets zeggen

of te vragen, zeg het ronduit, flinkweg, zonder je woorden te wikken

en te wegen, dat is tegenover mij volstrekt niet noodig! hernam zij

bijna verwijtend, maar met zoo aangemoedigde innigheid, dat hij haar

groote, blanke hand greep, en ze met zijn speelsche galanterie aan

de lippen bracht.

--En nu, gommeux, allons, biecht op! drong Emilie aan, met de

geliefkoosde hand hem een tik onder de kin gevend.

Hij moest zoo, er was geen terugwijken meer mogelijk en hij verzamelde

zijn moed, hij begon te spreken, langzaam, met afgebroken zinnen,

maar het eigenlijke kwam spoedig genoeg. Zijn pozitie.... zou zij

het erg dwaas van hem vinden zoo hij.... aan trouwen dacht?

In zijne woorden trilde een heimelijke vrees, alsof zijn geluk aan

haar antwoord zou hangen.

Het was zoo: zijn woorden verrasten haar, zij beschouwde hem,

niettegenstaande zijn vier-en-twintigste jaar, nog zoo een beetje als

haar jongen, als haar troetelkind en.... hij dacht aan trouwen! Maar

tevens kende zij hem, niettegenstaande het oppervlakkig vernis

zijner lichte affectatie, als degelijk en verstandig; hij zou haar

zoo iets niet vragen, wanneer hij niet nagedacht had, en ze mocht hem

niet krenken, met een woord van scherts, in een willicht allerinnigst

gevoel. Scherp te midden dier gedachten, gevoelde zij echter een vrees,

hem aldus vroeg of laat te moeten verliezen.

--Trouwen! Georges, waarlijk denk je er aan....?

Hij glimlachte heimelijk, als gestreeld door een lieflijk vizioen.

--Waarom niet? fluisterde hij bijna.

--Ben je dan.... ben je dan zoo.... verliefd? vroeg zij zacht. Is

het....? en een naam welde haar op de lippen, zonder door te klinken.

Hij knikte haar lachend toe, als wist hij, dat zij het geraden had. Zij

plaagde hem reeds, eenigen tijd voor zijn vertrek naar Berlijn,

met Lili Verstraeten, waar hij het steeds zoo druk over had. Maar

dat hij het toestemde, stelde haar teleur. Wist hij dan, dat Lili

van hem zou kunnen houden? Bouwde hij niet het tooverpaleis zijner

verwachtingen op zand? Zij echter uitte die gedachte niet; zij wilde

hem geen illuzie ontnemen, hij scheen zoo gelukkig in zijn stille hoop.

--Georges, als het je ernst is, nietwaar.... eh bien raisonnons! hernam

zij en schoof haar fauteuil dichter naar zijn stoel. Veronderstel,

dat alles eerst rozengeur en maneschijn is, dat je haar vraagt, dat

zij je accepteert, wat dan? Hoe lang zal je dan niet moeten wachten,

eer het tot een huwelijk komt?

--Waarom?

--Maar Georges, hoe heb ik het nu met je? Wat een naïveteit! Je wil

toch niet trouwen op je traktement van leerling-consul? Twaalfhonderd

gulden, niet waar? Het is waar, je kan natuurlijk je aandeel krijgen

van wat mama heeft nagelaten, maar het is een bagatel, ce ne sera

pas le Pérou, alles te zamen! Ik vraag je dus, hoe.... wat....? Je

kunt ook niet rekenen, dat de Verstraetens je veel zullen meêgeven,

ze leven goed maar eenvoudig! bepaald fortuin hebben ze niet.

--Beste Emilie, als je rekenen wilt, reken dan juist. Het is waar,

op ondersteuning van mijn aanstaande schoonouders--zoo zij het ooit

worden, fluisterde hij glimlachend--reken ik niet; het zou me zelfs

niet eens aangenaam zijn.

--Afslaan, zoo ze een duit in het zakje legden, zou je toch niet,

geloof ik.

--Ik weet het niet; dit is een factor, dien ik buiten rekening laat,

waar ik ook waarlijk nog niet aan gedacht heb, maar je was zoo even

aan het optellen, en je telde wat slordig op. Stel, dat ik dit jaar

mijn examen voor vice-consul nog niet doe; is ons aandeel niet elk

vijftienhonderd gulden?

--Zoo ongeveer.

--Nu, twaalfhonderd plus vijftienhonderd gulden maakt...

--Zevenentwintighonderd gulden! Wil je daarvan leven met een vrouw?

--Maar waarom niet, Emilie?

Zij sloeg de handen van wanhoop te zamen.

--Maar Georges, je bent.... pardonnez-moi le mot.... je bent

niet wijs! Wees toch geen kind en schep je geen illuzies uit

onmogelijkheden. Heb je soms bij toeval dat boekje in handen

gekregen, hoe heet het ook weêr? De kunst om van vijftienhonderd

gulden fatsoenlijk en getrouwd....

--Neen, ik ken het niet, maar vijftienhonderd is geen

zevenentwintighonderd gulden, en ik maak me sterk....

--Jij maakt je sterk! Ja, jij zal wat! Ben jij iemand om met een paar

ellendige duizend gulden met een vrouw een geheel jaar van Januari

tot December te moeten doortobben! Ja, jij zal wat! vervolgde zij

opgewonden en bijna boos, toen hij haar in de rede wilde vallen,

en zij rees driftig van haar fauteuil op. Ik zie je al op een klein

bovenhuis met zeker eens in de week een biefstuk, hè? Nu enfin,

dat leven je te beschrijven, kan ik niet. Ik heb er geen idee van,

wil ik wel bekennen. Je bent het goed gewend, Lili ook, hoe willen

jullie samen....? Och kom, het is kinderpraat, het is onzin. Wees

toch verstandig. Ik ken je te goed....

--Het schijnt toch niet geheel en al! kon hij eindelijk in het midden

brengen, met zijn zachte stem, die zoo kalm afstak bij den klank harer

levendige verontwaardiging. Ten minste, ik meen wel mijn behoeften

te kunnen inrichten naar mijn middelen.

--Jij misschien, soit, maar je vrouw dan? Wil je een jong meisje,

in zekere aisance groot gebracht, forceeren ook hare behoeften in te

richten naar jouw middelen? Geloof mij, Georgeslief, de tijden zijn

voorbij, dat je alleen leeft van den wind, en....

--Ze hebben nooit bestaan, meen ik.

--Laat me uitspreken. Jongelui, zooals jij, zooals Lili, hebben

behoeften, willen luxe, willen uitgaan....

--Och uitgaan, dat eeuwige uitgaan! Ik ben als jongmensch uitgegaan;

een mensch behoeft toch niet eeuwig en altijd uit te gaan!

--Egoïst! Omdat jij dus als jongmensch bent uitgegaan, wil je,

getrouwd zijnde, uit economie thuis blijven, en met je vrouw op je

bovenhuis bij je wekelijksche biefstuk zitten koekeloeren.... Prettig

perspectief voor haar!

--Maar Emilie, in ernst, waarom op den voorgrond te stellen, dat men

iederen avond zoogenaamd moet uitgaan. Ik zie daar geen reden toe,

ik stel mijn geluk in iets anders ....

--Tot op dit oogenblik heb je toch met genot gefladderd op bals,

op soirées, ben je, en un mot, uitgegaan.... Je bent nu verliefd,

je hebt nu zowat poëzie misschien in je idées, maar geloof me, dat

slijt.... en als je eenigen tijd getrouwd bent, vind je het heel

gezellig een aangenamen kring van kennissen te hebben.

--Toegegeven wat den kring van kennissen betreft, maar dien af te

danken, zou ook niet in mijn plan liggen, en ze te blijven zien,

kost zooveel geld niet....

--Kost wel veel geld, Georges, geloof me, drong Emilie beslist

aan. Je wordt geïnviteerd, je wilt niet achterblijven; je moet eens,

hoe eenvoudig ook, een dinertje geven.... dat herhaalt zich, en dat

moet gebeuren van je zevenentwintighonderd gulden, niet waar? Nu,

ik zie je al! Vooral zie ik je vrouw, die het huishouden moet doen

van die zevenentwintighonderd gulden, of liever, van wat je haar er

voor afstaat... Nu, ik kom niet bij je logeeren, hoor!

Hij lachte om haar komische woede, maar hij gaf haar niet toe.

--Ja, zusje, je mag nu praten wat je wilt, ik blijf bij mijn opinie,

dat men van weinig geld met veel verstand ook een heel eind komt en

ook gelukkig kan zijn....

--O ja, natuurlijk, dat weet ik.... je mag praten als Brugman,

meneer Georges hoort je allerliefst aan en maakt allerliefst zijn

aanmerkingen.... maar koppig.... stokstijf bij wat hij denkt,

dat is....

Zij kon niet uit haar woorden komen; ze was zeer boos ....

--Emilie, wind je nu niet op voor niets! zeide hij bedarend. Totnogtoe

hangt alles in de lucht, nietwaar? Ik heb nog.... geen stap

gedaan.... Ik weet niet eens, of ik....

--Ja Georges, dat begrijp ik, antwoordde Emilie, eenigszins gestild

door de kalmte zijner fijne stem; maar toch, financieele overwegingen

zijn niet iets van later zorg; dat zal je me toestemmen.

--Natuurlijk, maar je zou alleen mijn budget hooger stellen dan.... à

propos, wees eens lief! viel hij zichzelven in de rede met een

innemenden glimlach. Van een budget gesproken.... help mij eens er

een te maken.

--Totaal zevenentwintighonderd gulden? Onmogelijk Georges, dat kan

ik niet.... Wanneer je als jongmensch op kamers woonde, zou je meer

noodig hebben....

Hij zuchtte.

--We kunnen het daarover dus niet eens worden? vroeg hij. Ze haalde

haar schouders op.

--Je bent een kind dat je nog blijft bij die dwaze idees. Je kent

het leven niet.

Zij was verstoord, dat hij zoo eigenzinnig was niet naar goeden raad

te luisteren, maar hij.... ofschoon hij er niet voor zou hebben willen

uitkomen: hij gevoelde zich een weinig wankelen in de onwrikbaarheid

zijner, toch zoo langdurig overpeinsde meeningen: hij gevoelde een

moedeloosheid drukkend op zijn vertrouwen zinken, den grond zijner

verwachting voor zijn voeten wegdeinzen.... Langzaam streek hij de

hand over het voorhoofd: beter zoo hij.... zoo hij wachtte....

--Het is misschien beter, als ik.... als ik wacht!.... fluisterde hij,

zijn gedachte uitende, en er klonk zoo treurige verslagenheid uit

die berusting, dat zij Emilie, trots haar voorloopige overwinning,

smartte....

Zij ging achter hem, ze vatte zijn hoofd in beide hare handen en

ze keek hem lang in de weemoedig lachende oogen, die hij op de hare

richtte....

--Droomer, die je bent! sprak zij vol moederlijke innigheid voor zijn

verdriet.... Wie weet, nietwaar? Je bent zoo jong.... en misschien,

wie weet misschien....

--Nu.... wat misschien?

--Misschien heb jij wel gelijk en redeneer ik als een kip zonder

kop! riep zij uit, haar overwinning verwerpende bij het leed, dat

deze haar verwenden jongen toebracht; alleen ik bid je: overleg,

weer verstandig, Georges!

En zij drukte twee lange kussen op zijn oogleden, die zich sloten,

en waaronder zij iets vochtigs ried.

Hoofdstuk XIV.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 64 / 188 题