Mevrouw Verstraeten was bij Lili, die zwaar koude had gevat,
thuis gebleven, terwijl Marie en Frédérique met Paul en Etienne,
de schaatsen over den schouder, naar de IJsclub aan de Laan van
Meerdervoort waren getogen. De oude heer zat te lezen in de warme
serre tusschen het glanzige groen der aralia's en de palmen. Lili was
uit haar humeur; zij antwoordde haar moeder, die nu en dan een fraze
zeide, niet anders dan met kwijnende monosyllaben, terwijl zij, tot
stikkens toe, een kuch zocht in te houden. Want zij had verklaard,
dat zij beter was en niet meer hoestte; dat dit lange thuis blijven
haar toch niet goed zou doen en haar zou verwennen, en dat zij over
een paar dagen uit wilde. En toch, niettegenstaande dit voornemen,
scheen het haar buiten Siberië toe, zooals zij in den tuin de bevroren
sneeuw hard en blank zag liggen op de dorre takken der boomen, en op de
onbezoedelde, in lang niet betreden paden, die marmer geleken. Mevrouw
haakte ijverig door en de vlugge beweging der haakpen, die den wollen
draad tot een mollig weefsel verstrengelde, hinderde Lili, evenals
het regelmatig omgeslagen blad van haar vaders boek, daar ginds, haar
hinderde. Zijzelve deed niets en heure handen lagen mat in den schoot,
maar, genoot zij anders van zulk een dolce-far-niente, nu verveelde
zij zich, zonder toch tot eenige bezigheid aandrang te gevoelen.
Heimelijk gevoelde zij zich ijverzuchtig op Freddy en Marie, die
gezond en vroolijk waren, terwijl zij zwak was en zich voor ieder
tochtje in acht moest nemen, maar zij had haar zuster, toen deze
aarzelde met Freddy en Etienne mede te gaan, zelve aangespoord haar
schaatsen te gaan halen; Marie kon toch niet altijd bij haar, Lili,
thuis zitten, als ze zoo dwaas was ziek te worden, en daarbij, mama
bleef haar gezelschap houden.
Een zucht ontglipte haar lippen, terwijl zij uit den bon-bonnière
een cough-lozenge nam, en mevrouw zag haar even tersluiks aan,
daar zij wist, hoe het openbaren harer moederlijke bezorgdheid
Lili in deze prikkelbare stemming meer ergeren kon, dan de grootste
onverschilligheid gedaan zou hebben.
Zoo dreef de middag langzaam voorbij onder Lili's stille bouderie
en geen visites kwamen die doffe rust verstoren, toen er over vieren
gebeld werd en Dien Georges De Woude binnenliet. Lili was geërgerd;
Dien had hem best eerst kunnen aandienen en hem niet dadelijk in
den salon laten, meende zij. Zoo intiem kwam hij toch niet bij hen
aan huis. En zij groette, terwijl mevrouw Verstraeten hem de hand
reikte, eenigszins koel, dralend haar witte vingertjes reikende,
dralend ook volgende, toen mevrouw hem naar de serre leidde, naar
den ouden heer. Haar ouders zaten reeds met hem ter neder, toen zij
langzaam een rottingstoel wat aanschoof, en zich langzaam er in neêr
liet zijgen, als wilde zij hem goed doen merken, dat zijn bezoek haar
stoorde, en dat zij zich bij hen voegde, alleen omdat de beleefdheid
dit eischte. Zij zag bij de eerste frazen, die hij met haar ouders
wisselde, een weinig gemaakt verstrooid in den tuin, als stelde zij
geen belang in hun gesprek. Mevrouw was begonnen met een vraag over
Berlijn, waar hij drie maanden gedetacheerd was geweest, maar hij
antwoordde eenigszins haastig, zich half tot Lili wendend, en hij
vroeg beurtelings mevrouw en haar aanziende, naar hare gezondheid;
was zij waarlijk zwaar ziek geweest? Lili murmelde iets, terwijl haar
mama eigenlijk antwoordde, maar het trof haar, hoe zijn vraag gedaan
werd met zekeren angst, zonder banaliteit, alsof hij inderdaad in
haar welvaren belang stelde. Wat kon het hem schelen of zij ziek
was of niet!... Maar hij scheen haar koelheid niet op te merken,
nu hij, daar de vraag haar onbehagelijk scheen, met zijn levendige
gemakkelijkheid doorpraatte en op Berlijn terugkwam, en op zijn
aangename wijze de vragen van meneer en mevrouw beantwoordde. Telkens
zag hij haar aan, als om haar in het gesprek te voeren, en uit
beleefdheid glimlachte zij dan een enkele maal, of vroeg zij iets,
zonder al te veel belangstelling. Wat ratelde hij toch altijd,
dacht zij, zooals zij vroeger dacht wanneer hij causeerde als nu;
maar toch, het was of die gedachte gedwongen bij haar oprees, en
niet geheel en al gemeend was. Hij ratelde, het was waar, maar er was
iets gezelligs en aangenaams in zijn geratel, iets dat haar, al wilde
zij het zich niet bekennen, onderhield na den eenzamen achtermiddag,
dien zij, zich vervelend, had doorgebracht aan de zijde heurer hakende
moeder. Hij sprak niet kwaad, een beetje druk, maar vervelend was hij
niet en--het was, of zij het nu voor het eerst zag--zoo vreeselijk
geaffecteerd was hij toch ook niet. Hij had een wat al te nauwkeurige
en daarom gekunstelde uitspraak, maar dat was alles; zijn gebaren waren
eenvoudig, en door zijn lichte gemaniëreerdheid blonk iets hartelijks
door, zoo vaak hij zich tot haar wendde. En zijn kleeding, ze was
precies, precies, neen maar zie je, zóó precies.... toch niet poenig,
moest zij erkennen, netjes, al te netjes misschien, maar eenvoudig.
Hij praatte door, nu de heer Verstraeten hem over zijn betrekking
sprak, terwijl zij hem aldus opnam, en onwillekeurig, zonder het te
bespeuren, hartelijker glimlachte en vriendelijker vroeg, maar hij,
hij bespeurde het, en hij waagde het nog eens te vragen: gevoelde zij
zich nu beter, ging zij nog niet uit? Wat kon het hem toch schelen,
dacht zij weêr, bijna kribbig; één keer uit beleefdheid gevraagd, was
meer dan genoeg, maar toch, zij antwoordde nu zelve, en zeide, dat zij
niet meer hoestte,--een kuch logenstrafte haar aanstonds--en dat zij
zich voelde bijkomen onder de goede zorgen van mama en Marie. Hij was
haar dankbaar voor die woorden, maar hij had de kuch hooren krijschen
in haar keel, en hij had het op de lippen, haar aan te raden, zich
nog in acht te nemen; het weêr was zoo bar.... toch deed hij het niet;
ze mocht eens meenen, dat het zijn zaken niet waren, en hij vroeg of
Marie het goed maakte.
--O ja, antwoordde Lili; ze is gaan schaatsenrijden met Frédérique
en Etienne Van Erlevoort en met Paul. Beklaagt u me niet, dat ik weêr
alleen thuis moet blijven, als het zieke kindje?
--Is het u zoo een groot verdriet niet te hebben kunnen meêgaan? Houdt
u van rijden?
--Ja, dat is te zeggen, ik hou er wel van, maar eerlijk gezegd, ik
kan het niet goed; Marie en Freddy rijden veel beter; die zwieren
dan rond, terwijl ik krabbel; ik ben te bang, weet u en....
--Maar helpen Paul of Etienne u dan niet?
--O, Paul zegt ronduit, dat hij het vervelend vindt met zoo een
sukkelaarster te rijden en Etienne, dat is zoo, die offert zich wel
eens een vijf minuten op.
--Maar Lili! sprak mevrouw; als je het niet kan, is het toch ook wel
vervelend voor hen.
--Ik was toch galanter in mijn tijd! zeide de oude heer.
--O, ik maak hun er geen verwijt van, zeide Lili; ik constateer alleen
een feit! en zij kuchte.
--Maar, als u nu beter is, als u nu weêr uitgaat, hernam Georges
aarzelend,--hij wist wel, dat hij zich waagde op dun ijs,--mag ik
me dan eens een enkelen keer als uw cavalier offreeren; ik ben wel
meestal op mijn bureau, maar toch....
--U rijdt? riep Lili; ze had het nooit van hem gedacht.
--Ik ben er dol op! betuigde hij. Neemt u aan?
Zij bloosde bijna, en antwoordde glimlachend, met neêrgeslagen wimpers.
--O, dan heel gaarne.... met heel veel plezier. Maar u zal zoo een
last van me hebben.... Ik ben zoo bang, ik hoor het ijs altijd kraken;
weet u.... u vermoedt niet, wat u me eigenlijk wel aanbiedt....
--Toch wel! antwoordde hij. Ik geloof niet, dat het me ooit berouwen
zal u dit gevraagd te hebben....
Hoe was het toch, dat hij een fraze zeggen kon met zoo
iets.... gemeends, iets hartelijks, dacht Lili, en zij vond niets om
hem te antwoorden, en lachte alleen een weinig. Er ontstond een kleine
pauze in het gesprek, en eertijds zou Georges zeker zijn hoed gegrepen
en afscheid genomen hebben, maar nu, hij bleef, hij verlevendigde de
conversatie opnieuw, als had hij nog geen plan om in het eerste uur
op te stappen; totdat Janbroêr met zijn boeken onder den arm thuis
kwam, bleef Georges met gemakkelijk gekeuvel zijn visite rekken, toen
werd het donker, en zich verontschuldigend over zijn lang bezoek,
rees hij ten laatste op.
--O, volstrekt niet, integendeel! zeide de heer Verstraeten. Het doet
me plezier je weêr eens gezien te hebben.... Groet den ouden heer en
je vroolijke zus van me.
--Emilie beweerde, dat ze het niet zonder je kon stellen! voegde
mevrouw er bij. Ze zal zeker wel blij zijn....
Lili begreep nu eenigszins, dat Emilie Georges gemist kon hebben, en
zij bood hem gul haar hand en bedankte hem nogmaals voor zijn aanbod.
--Een goede jongen, die De Woude! sprak de heer Verstraeten, toen hij
weg was en Lili ging naar den kleinen salon terug, terwijl zij haar
mama ook iets gunstigs over Georges hoorde zeggen, ingenomen als zij
was door Georges' beleefde voorkomendheid....
--Hij komt altijd geregeld eens aan.... natuurlijk, hij zou het niet
doen, als er geen jonge meisjes in huis waren, als we geen menschen
zagen, maar toch....
Lili hoorde niet verder; ze glimlachte haar fantazie toe, die zich
haar voorstelde met Georges, glijdende over het ijs, de handen gekruist
over elkaâr....