Die verjaardag ging Eline somber voorbij. De verzoening met Betsy
had op haar niet den gewenschten indruk gemaakt; zij had zich iets
hartelijkere voorgesteld: een zusterlijke omhelzing, een vermenging
van tranen, waarna zij langen tijd vriendelijk en minzaam met elkaâr
zouden zijn omgegaan. De werkelijkheid echter was een, van Betsy's
kant, ijskoude neêrbuigendheid geweest, waaronder zich Eline nu haar
houding eenigszins als een dwaas figuur voorstelde. Zij wist zich
zwakker dan haar zuster en toch wilde zij zich tegen die overheersching
verzetten, maar bij iederen opstand en nog meer, zooals nu geweest
was, na een tijdelijke overwinning, gevoelde zij zich krachteloozer en
krachteloozer om dien strijd met zoo ongelijke moreele wapenen voort
te zetten. Haar fierheid was haar thans als een zwak riet gebleken,
dat knakte bij iedere vlaag, en haar mistroostigheid bleef daarom
een donker waas als een rouwfloers over haar gedachte verspreiden.
Toch was zij schijnbaar vroolijk, dien middag, te midden van de
vroolijkheid harer kennissen, die haar kwamen gelukwenschen. Maar
mevrouw Van Raat, uit wier peinzende, lichtblauwe oogen zij gaarne
een straal van sympathie had opgevangen, was ongesteld, en liet zich
door Paul verontschuldigen, en deze teleurstelling woog haar zwaar
op het harte. Mevrouw Van Erlevoort en Mathilde voegden daar Freddy's
excuses aan toe, die verkouden was en liever thuis had willen blijven,
en Eline overdacht weêr met verwondering, waarom Frédérique haar toch
een kwaad hart scheen toe te dragen. Jeanne Ferelijn overstelpte haar
met tal van huiselijke klachten, en zij had al haar wellevendheid en
innemendheid noodig, om die niet al te blijkbaar ongeduldig aan te
hooren. Cateautje Van der Stoor, die zij evenals mevrouw Van Raat
gaarne had gezien, scheen haar verjaardag vergeten te hebben; zij
kwam niet en liet ook niets van zich hooren. Maar Emilie De Woude
bracht haar eigenaardige, bruyante vroolijkheid mede, die haar tot
schaterens toe opwond. De tintelende kout verlichtte haar een weinig
de doffe atmosfeer der salons, waar het gas nog niet was opgestoken,
waar langs de laag geplooide meubelgordijnen een schemerende somberheid
binnenzonk, die de vroolijkheid van het verguldsel, van het havanna
satijn, van het vieil-or der draperieën en meubels in treurige
schaduwen scheen uit te wisschen.
Emilie wilde Eline's cadeaux zien, sierlijke kleinigheden, enkele
bouquetten, op een tafel geschikt om een groote mand vol bloemen
en vruchten.
--Wat een heerlijke corbeille! riep Emilie. Perziken, druiven, rozen,
prachtig! Van wie, Elly?
--Van Vincent; charmant, vindt je niet?
--Ik wou, dat ik ook zulke galante neven had....
--Cht, stil, fluisterde Eline.
Vincent was juist binnengekomen, terwijl hij, naar de gastvrouw
zoekende, zijn oogen een weinig toekneep. Betsy ontving hem als
altijd met zekere warmte en voorkomendheid, in een voortdurende vage
vrees voor dien neef. Eline bedankte hem, zijn beide handen in de
hare drukkend.
Vincent verontschuldigde zich, dat hij zoo laat kwam; het was kwartier
over vijven en de Verstraetens namen afscheid in de toenemende
schemering, waarna Gerard binnenkwam om het gas op te steken, de
blinden te sluiten, de gordijnen dicht te plooien.
--Vincent, blijf eten vanmiddag, wil je? vroeg Betsy.
Betsy vreesde namelijk voor een vervelende avond. Zij waren nergens
geïnviteerd, en daarbij had zij gemeend op den verjaardag harer
zuster geen plannen te moeten maken om uit te gaan, had dit ook niet
kunnen doen, daar zij, tijdens de bouderie, dien morgen pas bijgelegd,
haar nauwelijks een woord had toegesproken. Vincent kon een half uur
voor het diner familiaar gevraagd worden. Vincent had conversatie als
hij in een goede luim was en bracht ten minste een ander gezicht meê
aan tafel.
Vincent nam met een onverschillig: "o, heel gaarne!" de uitnoodiging
aan. Intusschen beweerde Henk behoefte te hebben om even een loopje
te maken en wipte de deur uit, alleen zijn hoed nemend en zijn
kraag opzettend, met de handen in de zakken. Anna, de kindermeid,
kwam Ben halen om hem wat op te knappen, daar zijn mond vol gelei en
room zat van de taartjes. Ook Betsy verdween even naar boven en Eline
en Vincent bleven alleen in de groote salons, nu hel van gasgloed.
--Kom, laten wij in het boudoir gaan zitten! zei Eline, en Vincent
volgde haar in het kleine vertrekje. De zacht heldere gloed van het
kristallen kroontje over den zilveren weerschijn van het violette
peluche gaf er iets geheimzinnigs vertrouwelijks aan, iets als
om uit te lokken tot intieme mededeelingen. Vincent scheen echter
geen anderen indruk te krijgen, dan dien van een rustig bien-être;
hij liet zich met een zucht op de sofa neêrzijgen, in zijn gewone
matheid, en deed Eline eenige onverschillige vragen over de kennissen,
die hij zoo even had afscheid zien nemen. Terwijl zij hem antwoordde,
gevoelde zij een groote sympathie voor haar neef in zich opwellen. Het
was weer die behoefte, welke haar hartstocht voor Fabrice verwekt
had: veel liefde om zich heen te voelen, de schatten harer liefde te
verspreiden. En evenals het Paul getroffen had onder den valen schijn
eener petroleumlamp, trof het haar nu onder het, door de pendeloques
tintelende, gaslicht: Vincent geleek haar overleden, dierbaren vader,
zoo treffend, dat zij zich bij zijn aanblik, als in haar jeugd kon
terugdenken; zóó, met dien smartelijken trek om den mond, met die
oogen vol meemoed, lag haar vader neêr, wanneer hij uitgeput was van
artistieke vizioenen, te ver af om in zijn onmacht te grijpen: zóó
hing zijn hand over de leuning van zijn stoel, wanneer het penseel
haar ontgleden was.
En Eline voelde haar sympathie voor Vincent doortrillen met
medelijden en poëtischen weemoed, terwijl zij luisterde naar zijn
vermoeid murmelende stem, die haar over Smyrna sprak; hij scheen haar
belangwekkender toe, dan de meeste jongelieden bij hun côterie; hij
werd haar martelaar, in de kleinheid der wereld, terwijl hij haar
klaagde, dat hij Den Haag kleinsteedsch en vervelend vond en naar
veel ruimte verlangde; zij ook, zij wilde....
--Maar ik verveel je met mijn klachten, parlons autre chose! viel
hij zichzelven met veranderde stem in de rede. Ik ben niet beleefd
zooveel over mijzelven....
--O, volstrekt niet, je verveelt mij in het geheel niet! antwoordde
zij wat haastig, een weinig verdrietig, dat hij den draad harer
fantasie eensklaps afsneed. Denk je, dat ik mij niet geheel en al
in je gedachten verplaatsen kan, dat ik niet begrijp, hoe je anders
wilt, dan den alledaagschen sleur, waarin wij willens en wetens
ronddraaien? Ik zelf zou somtijds.... er wel eens uit willen! riep
zij met een beweging harer armen, als ware zij een gevangen vogel, die
zijn vleugelen uitslaat. Ik voel mij soms zeer geneigd een vreeselijk
dollen streek te doen! en zij glimlachte schalks en dacht aan Fabrice.
Hij schudde, glimlachend ook, zijn hoofd en tikte haar even op heur
omhoog geheven hand, die bevallig neêrviel.
--Waarom zou je nu dwaasheden willen? vroeg hij. Je vervalt in een
uiterste. Onafhankelijk te leven van iedereen, je niet storen aan de
praatjes van een côterie, maar je wil te volgen, zoolang die verstandig
is; zoo dikwijls van omgeving te veranderen, als men verkiest, dat
is mijn ideaal.... niets dat zoo jong doet blijven als afwisseling.
--Maar om onafhankelijk te zijn, om zich aan niets te storen.... moet
men meer moreele kracht bezitten, dan wij gewoonlijk in onze
overbeschaafdheid durven hebben! antwoordde zij, zich vermeiende in
de epicuristisch-filozofische tint, die hun gesprek een weinig kleurde.
--Moreele kracht? Ach neen, je moet er eenvoudig geld voor
hebben! hernam hij kortweg en practisch. Als ik rijk ben, en vormen
heb, geen dwaasheden doe, maar mij netjes hoû voor de wereld, ben ik
volkomen in staat mijn ideaal verwezenlijkt te zien, zonder dat men
mij iets anders zal ten laste leggen, dan misschien.... een beetje
excentriciteit.
Zij vond de zienswijze te nuchter, te banaal en drong hem de hare op,
die haar meer romantisch scheen.
--Nu goed, geld.... natuurlijk! hernam ze, met vrouwelijke
gemakkelijkheid zijn stelling afwerend. Maar zonder genoeg kracht om
zijn eigen wil door te drijven, wordt men toch dadelijk meêgesleurd
door alle oude gewoonten. Zie je, en daarom--hij lachte om haar
allerbeminnelijkste logica--daarom zou ik zoo gaarne.... eens iets
dwaas doen, iets vreeselijk dwaas. Ik gevoel me sterk om mijn eigen
gang te gaan en mij te verzetten tegen de wereld, ik voel soms zeer
veel bravoure in mij....
Hij had schik in de dartelheid, die uit hare glanzende oogen straalde
en hare geheele elegante figuurtje scheen hem, terwijl zij aldus
coquetteerde met haar loszinnigheid, een kapel toe, op het punt weg
te fladderen.
--Maar Eline! riep hij lachende. Wat voor dingen haal je je toch in
je hoofd! Wat zou je dan wenschen, wat voor dwaasheden zou je dan
eigenlijk willen doen? Toe, biecht eens op, ondeugd!
Zij lachte meê.
--O, minstens me laten schaken!
--Door mij?
--Waarom niet? Maar ik geloof, je zou me gauw aan mijn lot overlaten,
ik zou een te duur luxe-artikel zijn en ik zou met hangende pootjes
terugkeeren. Merci dus, als je vraag een invitatie insloot; ik wacht
liever op mijn rijken mylord....
--Geen hutje dus met maneschijn?
--O, Vincent, hoe afgezaagd! Jamais! Ik bestierf het van verveling:
dan noch liever actrice.... en wegloopen met een acteur....
En zij schitterde van schalkschheid en overmoed, zij genoot met
geheime vreugde in haar gedachte aan Fabrice, en zag Vincent driest
in de oogen; hij kon toch die gedachte niet raden....
Hij schaterde het uit; de levendige dartelheid, die haar loome elegance
gedurende hun gesprek vervangen had, de gloed in haar amandelvormige
oogen, en het behaagzieke tikken harer kleine hand op hare knie
vermaakten hem nog meer dan haar woorden, en toch, deze waren hem ook
sympathiek; er verschool zich een verlangen naar afwisseling onder,
dat gelijk was aan het zijne. Zij zagen elkander daarna een wijle
glimlachend aan, en Eline gevoelde in de zachtheid van zijn fletsen
blik die langzaam omstrikkende bekoring als van het staren eener slang.
--Hoe frappant.... lijkt hij op mijn lieve papa, hoe frappant! dacht
zij, bijna verwonderd over de sympathie, die zij voor Vincent gevoelde,
terwijl zij opstonden, nu de bel hen naar de eetkamer riep.
Hoofdstuk XIII.