V.

Die verjaardag ging Eline somber voorbij. De verzoening met Betsy

had op haar niet den gewenschten indruk gemaakt; zij had zich iets

hartelijkere voorgesteld: een zusterlijke omhelzing, een vermenging

van tranen, waarna zij langen tijd vriendelijk en minzaam met elkaâr

zouden zijn omgegaan. De werkelijkheid echter was een, van Betsy's

kant, ijskoude neêrbuigendheid geweest, waaronder zich Eline nu haar

houding eenigszins als een dwaas figuur voorstelde. Zij wist zich

zwakker dan haar zuster en toch wilde zij zich tegen die overheersching

verzetten, maar bij iederen opstand en nog meer, zooals nu geweest

was, na een tijdelijke overwinning, gevoelde zij zich krachteloozer en

krachteloozer om dien strijd met zoo ongelijke moreele wapenen voort

te zetten. Haar fierheid was haar thans als een zwak riet gebleken,

dat knakte bij iedere vlaag, en haar mistroostigheid bleef daarom

een donker waas als een rouwfloers over haar gedachte verspreiden.

Toch was zij schijnbaar vroolijk, dien middag, te midden van de

vroolijkheid harer kennissen, die haar kwamen gelukwenschen. Maar

mevrouw Van Raat, uit wier peinzende, lichtblauwe oogen zij gaarne

een straal van sympathie had opgevangen, was ongesteld, en liet zich

door Paul verontschuldigen, en deze teleurstelling woog haar zwaar

op het harte. Mevrouw Van Erlevoort en Mathilde voegden daar Freddy's

excuses aan toe, die verkouden was en liever thuis had willen blijven,

en Eline overdacht weêr met verwondering, waarom Frédérique haar toch

een kwaad hart scheen toe te dragen. Jeanne Ferelijn overstelpte haar

met tal van huiselijke klachten, en zij had al haar wellevendheid en

innemendheid noodig, om die niet al te blijkbaar ongeduldig aan te

hooren. Cateautje Van der Stoor, die zij evenals mevrouw Van Raat

gaarne had gezien, scheen haar verjaardag vergeten te hebben; zij

kwam niet en liet ook niets van zich hooren. Maar Emilie De Woude

bracht haar eigenaardige, bruyante vroolijkheid mede, die haar tot

schaterens toe opwond. De tintelende kout verlichtte haar een weinig

de doffe atmosfeer der salons, waar het gas nog niet was opgestoken,

waar langs de laag geplooide meubelgordijnen een schemerende somberheid

binnenzonk, die de vroolijkheid van het verguldsel, van het havanna

satijn, van het vieil-or der draperieën en meubels in treurige

schaduwen scheen uit te wisschen.

Emilie wilde Eline's cadeaux zien, sierlijke kleinigheden, enkele

bouquetten, op een tafel geschikt om een groote mand vol bloemen

en vruchten.

--Wat een heerlijke corbeille! riep Emilie. Perziken, druiven, rozen,

prachtig! Van wie, Elly?

--Van Vincent; charmant, vindt je niet?

--Ik wou, dat ik ook zulke galante neven had....

--Cht, stil, fluisterde Eline.

Vincent was juist binnengekomen, terwijl hij, naar de gastvrouw

zoekende, zijn oogen een weinig toekneep. Betsy ontving hem als

altijd met zekere warmte en voorkomendheid, in een voortdurende vage

vrees voor dien neef. Eline bedankte hem, zijn beide handen in de

hare drukkend.

Vincent verontschuldigde zich, dat hij zoo laat kwam; het was kwartier

over vijven en de Verstraetens namen afscheid in de toenemende

schemering, waarna Gerard binnenkwam om het gas op te steken, de

blinden te sluiten, de gordijnen dicht te plooien.

--Vincent, blijf eten vanmiddag, wil je? vroeg Betsy.

Betsy vreesde namelijk voor een vervelende avond. Zij waren nergens

geïnviteerd, en daarbij had zij gemeend op den verjaardag harer

zuster geen plannen te moeten maken om uit te gaan, had dit ook niet

kunnen doen, daar zij, tijdens de bouderie, dien morgen pas bijgelegd,

haar nauwelijks een woord had toegesproken. Vincent kon een half uur

voor het diner familiaar gevraagd worden. Vincent had conversatie als

hij in een goede luim was en bracht ten minste een ander gezicht meê

aan tafel.

Vincent nam met een onverschillig: "o, heel gaarne!" de uitnoodiging

aan. Intusschen beweerde Henk behoefte te hebben om even een loopje

te maken en wipte de deur uit, alleen zijn hoed nemend en zijn

kraag opzettend, met de handen in de zakken. Anna, de kindermeid,

kwam Ben halen om hem wat op te knappen, daar zijn mond vol gelei en

room zat van de taartjes. Ook Betsy verdween even naar boven en Eline

en Vincent bleven alleen in de groote salons, nu hel van gasgloed.

--Kom, laten wij in het boudoir gaan zitten! zei Eline, en Vincent

volgde haar in het kleine vertrekje. De zacht heldere gloed van het

kristallen kroontje over den zilveren weerschijn van het violette

peluche gaf er iets geheimzinnigs vertrouwelijks aan, iets als

om uit te lokken tot intieme mededeelingen. Vincent scheen echter

geen anderen indruk te krijgen, dan dien van een rustig bien-être;

hij liet zich met een zucht op de sofa neêrzijgen, in zijn gewone

matheid, en deed Eline eenige onverschillige vragen over de kennissen,

die hij zoo even had afscheid zien nemen. Terwijl zij hem antwoordde,

gevoelde zij een groote sympathie voor haar neef in zich opwellen. Het

was weer die behoefte, welke haar hartstocht voor Fabrice verwekt

had: veel liefde om zich heen te voelen, de schatten harer liefde te

verspreiden. En evenals het Paul getroffen had onder den valen schijn

eener petroleumlamp, trof het haar nu onder het, door de pendeloques

tintelende, gaslicht: Vincent geleek haar overleden, dierbaren vader,

zoo treffend, dat zij zich bij zijn aanblik, als in haar jeugd kon

terugdenken; zóó, met dien smartelijken trek om den mond, met die

oogen vol meemoed, lag haar vader neêr, wanneer hij uitgeput was van

artistieke vizioenen, te ver af om in zijn onmacht te grijpen: zóó

hing zijn hand over de leuning van zijn stoel, wanneer het penseel

haar ontgleden was.

En Eline voelde haar sympathie voor Vincent doortrillen met

medelijden en poëtischen weemoed, terwijl zij luisterde naar zijn

vermoeid murmelende stem, die haar over Smyrna sprak; hij scheen haar

belangwekkender toe, dan de meeste jongelieden bij hun côterie; hij

werd haar martelaar, in de kleinheid der wereld, terwijl hij haar

klaagde, dat hij Den Haag kleinsteedsch en vervelend vond en naar

veel ruimte verlangde; zij ook, zij wilde....

--Maar ik verveel je met mijn klachten, parlons autre chose! viel

hij zichzelven met veranderde stem in de rede. Ik ben niet beleefd

zooveel over mijzelven....

--O, volstrekt niet, je verveelt mij in het geheel niet! antwoordde

zij wat haastig, een weinig verdrietig, dat hij den draad harer

fantasie eensklaps afsneed. Denk je, dat ik mij niet geheel en al

in je gedachten verplaatsen kan, dat ik niet begrijp, hoe je anders

wilt, dan den alledaagschen sleur, waarin wij willens en wetens

ronddraaien? Ik zelf zou somtijds.... er wel eens uit willen! riep

zij met een beweging harer armen, als ware zij een gevangen vogel, die

zijn vleugelen uitslaat. Ik voel mij soms zeer geneigd een vreeselijk

dollen streek te doen! en zij glimlachte schalks en dacht aan Fabrice.

Hij schudde, glimlachend ook, zijn hoofd en tikte haar even op heur

omhoog geheven hand, die bevallig neêrviel.

--Waarom zou je nu dwaasheden willen? vroeg hij. Je vervalt in een

uiterste. Onafhankelijk te leven van iedereen, je niet storen aan de

praatjes van een côterie, maar je wil te volgen, zoolang die verstandig

is; zoo dikwijls van omgeving te veranderen, als men verkiest, dat

is mijn ideaal.... niets dat zoo jong doet blijven als afwisseling.

--Maar om onafhankelijk te zijn, om zich aan niets te storen.... moet

men meer moreele kracht bezitten, dan wij gewoonlijk in onze

overbeschaafdheid durven hebben! antwoordde zij, zich vermeiende in

de epicuristisch-filozofische tint, die hun gesprek een weinig kleurde.

--Moreele kracht? Ach neen, je moet er eenvoudig geld voor

hebben! hernam hij kortweg en practisch. Als ik rijk ben, en vormen

heb, geen dwaasheden doe, maar mij netjes hoû voor de wereld, ben ik

volkomen in staat mijn ideaal verwezenlijkt te zien, zonder dat men

mij iets anders zal ten laste leggen, dan misschien.... een beetje

excentriciteit.

Zij vond de zienswijze te nuchter, te banaal en drong hem de hare op,

die haar meer romantisch scheen.

--Nu goed, geld.... natuurlijk! hernam ze, met vrouwelijke

gemakkelijkheid zijn stelling afwerend. Maar zonder genoeg kracht om

zijn eigen wil door te drijven, wordt men toch dadelijk meêgesleurd

door alle oude gewoonten. Zie je, en daarom--hij lachte om haar

allerbeminnelijkste logica--daarom zou ik zoo gaarne.... eens iets

dwaas doen, iets vreeselijk dwaas. Ik gevoel me sterk om mijn eigen

gang te gaan en mij te verzetten tegen de wereld, ik voel soms zeer

veel bravoure in mij....

Hij had schik in de dartelheid, die uit hare glanzende oogen straalde

en hare geheele elegante figuurtje scheen hem, terwijl zij aldus

coquetteerde met haar loszinnigheid, een kapel toe, op het punt weg

te fladderen.

--Maar Eline! riep hij lachende. Wat voor dingen haal je je toch in

je hoofd! Wat zou je dan wenschen, wat voor dwaasheden zou je dan

eigenlijk willen doen? Toe, biecht eens op, ondeugd!

Zij lachte meê.

--O, minstens me laten schaken!

--Door mij?

--Waarom niet? Maar ik geloof, je zou me gauw aan mijn lot overlaten,

ik zou een te duur luxe-artikel zijn en ik zou met hangende pootjes

terugkeeren. Merci dus, als je vraag een invitatie insloot; ik wacht

liever op mijn rijken mylord....

--Geen hutje dus met maneschijn?

--O, Vincent, hoe afgezaagd! Jamais! Ik bestierf het van verveling:

dan noch liever actrice.... en wegloopen met een acteur....

En zij schitterde van schalkschheid en overmoed, zij genoot met

geheime vreugde in haar gedachte aan Fabrice, en zag Vincent driest

in de oogen; hij kon toch die gedachte niet raden....

Hij schaterde het uit; de levendige dartelheid, die haar loome elegance

gedurende hun gesprek vervangen had, de gloed in haar amandelvormige

oogen, en het behaagzieke tikken harer kleine hand op hare knie

vermaakten hem nog meer dan haar woorden, en toch, deze waren hem ook

sympathiek; er verschool zich een verlangen naar afwisseling onder,

dat gelijk was aan het zijne. Zij zagen elkander daarna een wijle

glimlachend aan, en Eline gevoelde in de zachtheid van zijn fletsen

blik die langzaam omstrikkende bekoring als van het staren eener slang.

--Hoe frappant.... lijkt hij op mijn lieve papa, hoe frappant! dacht

zij, bijna verwonderd over de sympathie, die zij voor Vincent gevoelde,

terwijl zij opstonden, nu de bel hen naar de eetkamer riep.

Hoofdstuk XIII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 61 / 188 题