III.

Den volgenden dag was het de 20ste Januari; heur verjaardag. Zij

bleef lang te bed, omvangen door de warmte der dekens, in de zacht

roode schemering der gordijnen, zonder eenigen lust tot opstaan,

zonder eenig verlangen naar heur wandeling..... Zij zou hem toch

niet zien, al ging ze, docht haar in een voorgevoelen. Bijgeloovige

denkbeelden maakten zich van haar meester; zij meende--het was nu bij

negenen--als Mina nog vóor negenen kwam om haar waschtafel te ordenen,

zou zij morgen Fabrice in het bosch ontmoeten. Maar Mina kwam na

negenen, en toen de meid alles gereed gezet had en vertrokken was,

verzon zij iets nieuws.... Zij zou hem toch nog ontmoeten, wanneer

zij hare braceletten gisterenavond in de groote coupe had gelegd;

niet, zoo ze in een der kleine lagen, en ze richtte zich op, sloeg

het roode damasten bedgordijn terzijde en zij zag naar heur toilet

uit.... daar lagen de armbanden op de groote vaas! Met een glimlach

zonk zij weêr terug in de kussens....

Zij streed met zichzelve om op te staan, maar waarom niet te blijven

liggen in de lauwte der wol, daar zij mat van treurigheid was; waarom

een nieuwen dag te beginnen?.... Straks zouden haar kennissen komen

om haar te feliciteeren; zij zou lief moeten zijn, hun cadeaux in

extaze moeten aannemen, en zij was in een weinig vriendelijk humeur,

zij had geen lust iemand te ontvangen....

Het sloeg reeds halfelf, en zij dacht, of Betsy misschien niet weldra

boven zou komen, om met een paar vriendelijke woorden de bouderie

bij te leggen; zij luisterde, of zij den tred harer zuster niet op

de trap vernam, maar haar verwachting bleek ijdel, en ten laatste,

ontzenuwd door haar loomheid, stond zij op en kleedde zich traag aan.

De spiegel weêrkaatste haar beeld met iets droevigs in de oogen en iets

bitters om den mond, en zij vond zich bijna leelijk zoo.... Maar wat

deerde het: voor wie mooi te zijn, voor wie, daar niemand haar liefhad

met zulke innigheid, als zij meende, dat heur hart bevatten kon!

Zij was nu gereed en op eenmaal overviel haar een huivering.... Zij kon

zich niet naar beneden begeven; hoe zou zij Betsy moeten naderen? Zou

zij geheel en al een afwachtende houding aannemen? Waarom kwam

Betsy haar dan toch ook niet tegemoet. Zij was toch eigenlijk zeer

kwalijknemend, zoo lang boos te blijven, om een kleinigheid....

Eline gevoelde bijna een vrees, Betsy in de eetkamer te zullen zien

en zij begaf zich naar heur boudoir, waar de kachel reeds vlamde,

en wierp zich op haar divan, diep ongelukkig in een smart vol wanhoop

en verlatenheid.... Waarom, waarom leefde zij....

Zoo werd het haar als een redding uit een afgrond van droefgeestigheid,

waarin zij al dieper en dieper wegzonk, toen zij Henk en Ben beiden

de trap hoorde opkomen.... Zij naderden, zij vernam hun stemmen,

er werd luidruchtig gebeukt op haar deur.

--Waar ben je, meisje, nog in je bed? riep Henk.

--Neen, ik ben hier, in mijn boudoir! riep zij terug, met lichte

verheffing van stem.

De deur werd opengedraaid en Henk verscheen in de portière, zijn

hoofd schuddend, terwijl Ben tusschen zijn vaders hooge rijlaarzen

doorslipte, een bouquet in de vuistjes.

--Tante, wel gefeliciteerd met uw verjaardag.... en dit is van

Ben! zeide het kind als een van buiten geleerd lesje, terwijl het

den ruiker in haar schoot legde.

--Maar meisje, is dat lang boven blijven; anders ben je op dit uur

al van je wandeling terug! riep Henk.

Zij antwoordde niet, maar omhelsde den kleinen jongen, terwijl haar

oogen bijna vochtig werden.

--Zet.... zet hem in water, Ben, zal je, in wat lauw water.... Dank

je, dank je wel, lieve vent.... Daar, in die vaas, voorzichtig.

Ben, steeds gehoorzaam en gewillig, ging aanstonds weg met de vaas,

tusschen de beenen van Henk door. Eline viel weêr in de kussens neêr

en zag haar zwager aan met een flauw lachje.

--Ik voel me akelig vandaag.... niets wel! sprak zij kwijnend. Henk

kwam nader met de handen op den rug.

--En dat op je verjaardag? vroeg hij opwekkend. Kom, ik zou maar

beneden komen, luie meid, maar laat mij je eerst flink zoenen.... van

harte hoor! en hij drukte zijn lippen op haar beide wangen, terwijl

zij glimlachend liggen bleef.

--En hier is een kleinigheid voor je, Elly.... ik hoop dat het je

bevallen zal! vervolgde hij, terwijl hij haar een étui overhandigde.

Zij lachte even.

--Hoe grappig, dat je me mijn cadeau hier boven komt brengen.... Dank

je, Henk, dank je.

Zij opende den étui, en zag een haarspeld, in den vorm van een

diamanten spin.

--Maar Henk! riep zij uit. Wat bederf je me toch.... Ik herinner

me: verleden zag ik dat bij Van Kempen, en ik zei, dat ik het zoo

aardig vond.... ik ga heusch beter op mijn woorden passen, in het

vervolg.... durf niets meer zeggen! sprak zij bijna verlegen, en zij

dacht aan haar waaier van Bucchi.

--Betsy had het in haar ooren geknoopt, antwoordde hij. We geven je

gaarne iets wat je verlangt.

Nu was zij bijna geërgerd over hun cadeau, maar ze sloeg haar armen

om zijn hals en kuste hem.

--Heusch, heusch, je bederft me! stamelde zij.

--Kom, lariflang hoor! riep hij uit. Maar nu ga ik nog een beetje

rijden; kom nu ook beneden, meisje, anders draag ik je de trappen af.

--Neen maar, dat zal je laten....

--Goed, maar dan ook als de....

--Ja, ja, dadelijk; maar Henk, hoor, geen gekheid! riep zij verschrikt

en ernstig gebiedend, daar zij een plagerij voorzag en in geen stemming

was die te dulden.

Hij stelde haar gerust, terwijl hij het op de lippen had haar te

vermanen tot een verzoening met zijn vrouw, maar hij vreesde, dat hij

haar niet voorzichtig genoeg zijn verlangen zou kunnen meedeelen;

hij vreesde, dat zij driftig zou worden, en daarbij.... alles zou

zich wel spoedig schikken, dacht hij, en ging weg.

Zij stond op, en vermoedde, al dralende, hoe Betsy zeker aan Henk

gezegd had, haar het cadeau boven te brengen, om het niet zelve te

moeten overhandigen. Zij gevoelde zich verlegen met haar houding;

zij was nu wel genoodzaakt den eersten stap der verzoening te doen

en dit krenkte haar fierheid. Het zou wezen, als ware zij zoo

opgetogen over hun cadeau, dat alle vroegere onaangenaamheid nu

was goedgemaakt.... Het was vervelend, maar toch, zij kon nu niet

beneden komen, en na een korten, koelen groet, ontbijten zonder iets

te zeggen. Het speet haar zeer, dat zij haar ingeving van den vorigen

dag niet gevolgd had en reeds een toenadering had gepoogd. Eigenlijk

was het toch te dwaas, dat gekibbel alleen om die honden!

En zij hield zich behaagziek de diamanten spin tegen heur haar,

tegen haar hals aan....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 59 / 188 题