Sedert vijf dagen had Eline op haar ochtendwandelingen Fabrice niet
ontmoet, en die teleurstellingen van den morgen verbitterden haar
geheelen dag. Eerst was zij stil, somber, kribbig geworden; weldra
werd zij zeer melancholiek: zij zong niet meer en had op een morgen
Roberts, haar muziekmeester, op een Donderdagmiddag Paul Van Raat
afgeschreven. Op een morgen, na haar wandeling, omstreeks half elf,
kwam zij thuis en wierp zich peinzend neêr op haar divan, terwijl zij,
liggende, met dwalende vingeren, haar manteltje loshaakte. Zij duldde
Ben niet bij zich en zond hem naar de kindermeid. En vermoeid, met
haar groote, lichtbruine oogen vochtig en glanzend van een onvoldaan
verlangen, tuurde zij haar kamer rond en liet zij haar blik dwalen
over de platen, de palmen, de groep van Canova. Een droefgeestige
zwaarmoedigheid omving haar als met een nevel en zij vroeg zichzelve
af, waarom zij leefde, zoo zij toch niet gelukkig kon wezen. Om haar
onbestemde smart een bepaalden vorm te geven zocht zij naar grieven
en stapelde ze opeen; zij had behoefte aan liefde en er was niemand,
die haar beminde. Met Betsy kon zij niet meer overweg, naar het scheen;
herhaaldelijk had zij twist met haar zuster en de schuld lag toch niet
altijd bij haar; Frédérique was in het oog loopend koel tegen haar;
waarom, kon ze ook maar in de verste verte niet vermoeden; alleen de
oude mevrouw Van Raat bleef haar steeds genegen, maar zij gevoelde
zich tegenwoordig in geen humeur voor die beminnelijke vrijmoedigheid,
getemperd door een geur van eerbied, die haar het hart der oude vrouw
had gewonnen. Haar leven was een nutteloos bestaan; zij slingerde
zonder doel van den eenen dag op den anderen en zij verlangde
naar.... iets als een vaag droombeeld, zonder bepaalden omtrek,
dat oprees in een sfeer van liefde, soms zeer ideaal als een idylle,
soms ook zeer eenvoudig, met een waas van huiselijkheid en stil geluk.
Zij zuchtte, terwijl zij haar hand ophief naar de aralia en het blad
bijna verkreukelde in haar zenuwachtige vingeren, en ze dwong zich
haar mijmering een gestalte te geven, in beeld te brengen, en zij
zag zich eensklaps, door een grilligen wiekslag harer fantasie,
met Fabrice samen, beiden geëngageerd in een groote stad aan het
tooneel. Zij hadden elkaâr lief en zij waren beroemd; men overlaadde
hen met kransen, met bouquetten, en duidelijk voor haar geest rees
het geheele visioen op, zooals het opgerezen was, terwijl zij eens
gezongen had met Paul.
Maar haar fantazie, door geen nieuwe indrukken gevoed, daar zij Fabrice
in zoo lang niet gezien had, kwijnde; het vizioen verkleurde, en het
liet haar alleen, in een grijze, sombere stemming, die de afspiegeling
scheen van den hemel daarbuiten, zwaar van donkere regenwolken. Ze
voelde de tranen, als warme druppels, van haar wimpers glippen; zij
voelde een dringend verlangen naar Henk, wien zij haar verdriet wilde
klagen; hij ook had haar zoo lief, en kon haar zoo vriendelijk in zijn
onhandigheid troosten; zijn stem alleen reeds, zoo goedig en zwaar,
was als een balsem.
En zij snikte langzaam voort en bedacht, hoe onaangenaam toch die
bouderie met Betsy was. Morgen was zij, Eline, jarig; zou Betsy dan
een eersten stap doen ter verzoening, of lag eigenlijk de oorzaak van
den twist bij haarzelve? Zoo zij geweten had, hoe zij ontvangen ware
geworden door haar zuster, had zij gaarne een toenadering gewaagd,
desnoods excuus gemaakt, maar nu vreesde zij Betsy's koelheid. Zij
zou dus wachten, wachten.
De middag ging langzaam voorbij, de uren sleepten zich voort, als moede
onder den last harer melancholie. Toen kleedde zij zich voor een diner
bij de Hijdrechten, zonder de minste illuzie te maken, dat zij zich
amuzeeren zou. Gaarne had zij Betsy willen verzoeken te zeggen, dat zij
ziek was en thuis bleef, maar het ging niet; wat zij verleden zich bij
de Verstraetens had veroorloofd, konden de Hijdrechten kwalijk nemen,
en daarbij zou Betsy haar verzoek misschien ronduit weigeren. Zij
ging dus en schroefde zich op tot een coquette vroolijkheid, die men
niet doorzag, daar zij veel tact had haar gevoelens te verbergen.