I.

Het had Frédérique getroffen, hoe Otto op Oudejaarsavond bij de

Van Raats zeer veel met Eline had gesproken en geschertst, wel niet

in het oog loopend, maar toch meer dan zijn gewoonte was met jonge

meisjes in het algemeen. Er waren een paar dagen voorbijgegaan, en

zij had steeds een vraag aan haar broêr op de lippen, zonder dat er

zich een gelegenheid voordeed, om die te uiten. Zij was soms brusk

tegen Etienne, als deze met haar schertsen wilde, en zij had iets van

haar goed humeur verloren, meenden Lili, Marie en Paul. Zij speelde

ook weinig met de kinderen.

Het was een avond, dat zij thuis bleven; alleen Etienne was met

eenige jongelui, die hem waren komen halen, uitgegaan. De kinderen

waren naar bed en mevrouw Van Erlevoort zat met Mathilde in den

kleinen salon bij het theeblad, mevrouw met een boek, Mathilde met een

handwerk. Frédérique kwam binnen, en zij knikte haar moeder glimlachend

tegen en streelde liefkoozend het grijze haar op heur slapen glad....

--Freddy, wil je even Willem bellen? vroeg Mathilde, Otto wou een

kop thee op zijn kamer hebben: hij zit te werken en zal pas later

beneden komen.

--O, schenk maar in, ik zal het wel even brengen, antwoordde zij.

Mathilde schonk en Frédérique ging met het kopje naar boven. Op de

trap bedacht zij zich, of ze zou durven; misschien, dat Otto zelve

een woord zou zeggen, maar anders wilde ze het toch wagen.

Zij trad Otto's kamer binnen. Hij liep rond als in een vage droomerij,

het hoofd gebogen, de handen op den rug, geheel en al tegen zijn

arbeidzame gewoonte in.

--Zoo, dat vind ik pas een lief zusje! zeide hij schertsend en nam

haar het kopje uit de hand. Dat zal tienmaal zoo lekker smaken als

anders, uit zulke lieve vingertjes....

--Maar Otto! riep Frédérique; hoe kan je zoo schrikbarend banaal

zijn! Ik had tenminste een frisscher complimentje verwacht, niet zoo

iets gewoons.

Zij bleef hem glimlachend aanzien, maar hoorde niet wat hij

antwoordde, daar zij bij zichzelve overwoog, hoe haar vraag in te

kleeden. Wellicht zou hij het kwalijk nemen. Toch wilde zij, en zij

bedacht een inleiding, een voorwendsel om tot haar doel te geraken,

maar haar natuurlijke oprechtheid deed haar niets vinden, en zij

begon met eenvoudig te zeggen:

--Otto, ik.... ik heb je iets te vertellen, ik heb iets bij je te

biechten.

--Een zonde....?

--Een zonde.... neen, dat geloof ik niet.... Een.... indiscretie,

die ik onwillens jegens je begaan heb.... Maar vooraf moet je me

pardonneeren....

--Zoo maar op goed vertrouwen....?

--Ik zeg je, de indiscretie was onwillekeurig en.... ik ben niet

eens zoo indiscreet geweest als ik had willen zijn.... Ik heb dus

zelfs recht op een kleine belooning.... maar ik vraag alleen maar,

of ik vooraf op je pardon kan rekenen....

--Nu, ik zal barmhartig zijn, maar vertel dan....

--Zal je heusch niet boos worden?

--Heusch niet.... wat is er?

--Ik weet.... bij toeval, zie je.... ik weet, wie op St. Nicolaas....

Hij verbleekte een weinig, terwijl hij haar vol verwachting aanstaarde.

Het ontging haar niet, dat hij gespannen luisterde.

--.... aan Eline.... dien waaier heeft gegeven.... dien waaier van

Bucchi....

Zij bleef vóór hem staan, met iets als van een stout kind, zeer

verlegen om hare bekentenis. Hij blikte haar steeds toe, een weinig

verschrikt, met groote oogen.

--Weet je....? begon hij stamelend.

Zij knikte van ja.

--Toe, wees niet boos! vervolgde zij. Ik kon het heusch niet helpen. Ik

kwam 's morgens even op je kamer, ik wilde er lak van je schrijftafel

halen en.... je hebt me toch nooit verboden op je kamer te komen,

nietwaar? Ik klopte, maar je was al uit, en toen ik naar het lak

zocht, zag ik in dat loketje.... den étui staan, dien ik 's avonds

dadelijk herkende.... Ik dacht een oogenblik, dat het iets voor mij

zou zijn en wou.... en wou het openmaken.... je weet hoe nieuwsgierig

ik ben.... maar ik heb het niet gedaan, omdat ik al spijt genoeg had,

dat ik je cadeau had ontdekt.... Zeg, ben je nu boos, ik kon het

heusch niet helpen, wel?

--Boos, maar lieve meid! Is dat nu iets om boos te zijn! antwoordde

hij met een gedwongen luchtigheid. Een surprise kan geen eeuwigheid

duren, en daarbij.... je hebt het toch zeker niet aan Eline verteld?

--O neen, natuurlijk niet....!

--Nu, wat is er dan?.... Dan is er immers niets! sprak hij

achteloos. Of ben je bedroefd, dat de waaier niet voor jou bestemd was?

Ze haalde minachtend de schouders op.

--Ik wist niet, dat je me voor zoo kinderachtig hield. Alleen....

--Nu wat?

Zij zag hem onderzoekend aan met haar heldere, oprechte oogen en hij

gevoelde zich een weinig verlegen onder dien uitvorschenden blik.

--Alleen.... een jong mensch.... geeft toch niet.... zulke

cadeaux.... aan een jong meisje, als hij niet heel veel van haar

houdt....

--O, ik mag Eline heel gaarne, waarom zou ik haar niet op St. Nicolaas

iets geven....

--Neen, Otto, je bent niet oprecht! sprak zij ongeduldig en trok

hem mede naar de canapé. Kom, ga eens zitten en hoor eens even, wat

ik je te vertellen heb. Een degelijke, verstandige, zuinige jongen

zooals jij, geeft geen waaier, van ik weet niet hoeveel, aan een jong

meisje, als.... hij niet verliefd op haar is.... Dat zul je mij niet

wijsmaken. Je hebt Eline vroeger nooit iets gegeven en je hebt dezen

keer aan Lili en Marie ook niets gegeven. Je ziet dus, ik doorzie wel,

dat er meer achter schuilt! ging zij voort en legde hem hare handen

op de schouders.... Maar eensklaps hield zij op.

--O, je vindt me misschien.... je wil misschien niet, dat ik er met

je over spreek! stamelde zij bijna verschrikt.

--Freddy, integendeel! sprak hij zacht en trok haar tot zich op de

bank. Ik wil heel gaarne met je spreken over.... over Eline. Waarom

zou ik niet....? Maar stel nu eens, dat ik misschien veel, heel veel

van Eline hield, vindt je het dan nog zoo onverstandig en ondegelijk

in me....?

--Dus waarlijk.... je houdt.... je houdt van Eline?

--Vindt je dat dan zoo erg onbegrijpelijk? vroeg hij glimlachend.

--O, Eline is niet iemand voor je! barstte zij eensklaps

hartstochtelijk los. Neen, Otto, neen, Eline kan je nooit waard

zijn; ik weet het, ze is mooi, en ze heeft iets.... iets wat

aantrekt.... maar ze is mij.... ze is mij antipathiek, ik verzeker je,

geloof mij, je moet niet meer aan haar denken, je zou nooit gelukkig

met haar kunnen zijn.... Je bent zoo lief en goed; als je heusch

heel veel van haar ging houden, zou je misschien geheel en al in

haar willen opgaan, geheel en al voor haar willen leven, en ze zou je

nooit een tiende, nooit zooveel! kunnen teruggeven van wat jij haar

gaf. Ze heeft geen hart, ze is een koude steen vol egoïsme.... Alles

is egoïsme in haar....

--Maar Freddy, Freddy! viel hij haar in de rede. Lieve meid, wat hol

je door! Hoe zou jij aan zooveel menschenkennis komen om precies te

weten wat Eline is.

Het ergerde haar, hoe zacht hij haar naam uitsprak, als een liefkoozing

die op zijn lippen verwijlde.

--Menschenkennis? Ik weet van geen menschenkennis, ik weet alleen wat

ik voel, en ik voel, dat Eline geheel en al voor zichzelve bestaat,

niet de minste opoffering voor een ander zou kunnen doen.... Ik voel,

neen, ik verklaar je, ik ben er overtuigd van, dat als je met Eline

trouwde, je nooit, nooit, nooit gelukkig zou zijn.... Ze zou een tijd

van je kunnen houden, maar haar liefde zou egoïsme zijn, zooals alles

in haar egoïsme is.

--Freddy, je bent hard! sprak hij zacht en verwijtend. Ik vind het lief

van je, dat je zoo voor me voelt, maar je bent hard, heel hard voor

Eline.... Ik geloof niet, dat je haar kent, en ik geloof integendeel,

dat ze voor iemand, van wien zij hield, zich geheel en al zou kunnen

opofferen.

--Je zegt, dat ik haar niet ken: hoe ken jij haar dan? Wanneer zie

je haar anders, dan als ze een en al glimlachje en lievigheid is....

--Vindt je het een fout in haar, dat zij liever innemend is dan stug?

Frédérique zuchtte.

--Ach Otto, ik.... ik weet niet wat ik vind; ik voel het alleen, je kan

niet gelukkig met haar zijn! sprak zij met een onwrikbare overtuiging.

Hij vatte haar glimlachend bij de hand.

--Je spreekt werkelijk, of we morgen gingen trouwen....

--O toe, zeg me.... vind me niet.... nieuwsgierig.... Je hebt

haar.... toch nog niet gevraagd...?

Hij zag haar aan, steeds glimlachend, en schudde langzaam van neen.

--Denk dan goed er over na, zal je, laat je niet ineens meêsleepen....

Zij vlijde zich liefkoozend tegen hem aan, en haar oogen stonden

vol tranen.

--Je bent een lieve meid, Freddy, maar heusch....

--Je vindt me misschien ridicuul, dat ik je zoo een raad durf geven!

--Volstrekt niet. Ik ben je er integendeel innig, innig dankbaar voor,

maar toch, je moet je niet zoo door een gevoel, laat me zeggen door een

antipathie, die niet eens eenige aanleiding heeft, laten meêsleepen

om zoo hard te oordeelen over een ander. Neem dien raad aan, dan zal

ik je niet ridicuul vinden, maar wel een lief, klein zusje....

Hij kuste haar herhaaldelijk op het voorhoofd, en zij verschool zich

een weinig verlegen tegen zijn schouder.

--Toe, neem me niet kwalijk, ik ben misschien onhandig geweest,

ik had niet zoo moeten spreken....

--Je bent me het liefst, wanneer je precies uitspreekt wat je op het

hart hebt, en ik reken er ook op, dat je dat voortaan altijd zal doen.

--Dan word ik misschien stug en niet innemend! antwoordde zij met

bedoeling.

--En nu ben je een beetje hatelijk. Ben je dan jaloersch van Eline?

--Ja, antwoordde zij kort.

--Om den waaier zeker? schertste hij.

--Och, je plaagt me! steunde zij boudeerend. Niet om den waaier,

ik heb er wel tien, maar wel om... omdat jij van haar houdt.

--Laten we dan eens een verdrag maken... Jij zoekt voor me een meisje,

dat je lief vindt en geschikt om mijne gemalinne te worden, en waarvan

je niet jaloersch bent; heb je haar dan gevonden, en bevalt ze mij ook,

dan denk ik nooit meer aan Eline.... Vindt je dat goed?

Zij antwoordde niet en stond op, terwijl zij haar tranen

afwischte. Zijn scherts mishaagde haar en deed haar vreezen, dat hij

haar dwaas had gevonden. Zij naderde de tafel, wees hem even op het

kopje thee en zeide:

--Je thee wordt koud, Otto, ik zou ze uitdrinken.

Voordat hij had kunnen antwoorden, was zij weggewipt vol tegenstrijdige

gevoelens, verheugd, dat zij zich geuit had, dat zij nu Otto's

vertrouwen had, en toch in onzekerheid of zij niet liever had moeten

zwijgen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 57 / 188 题