II.

Een glans van genoegen overstraalde Eline's gelaat, nu zij weder buiten

was, en nu zij gedurfd had, en zij gevoelde zich zeer vriendelijk

en sprak telkens als een lief moedertje tegen Ben. En toen zij in

de Hoogstraat Jeanne Ferelijn bespeurde, die melancholiek, in haar

wintermantel wijd als een zak, en met haar eenvoudig zwart hoedje op,

aan de overzijde liep zonder haar te bemerken, stak zij haastig, Ben

medetrekkend, de straat over, tusschen twee rijtuigen, en zij sprak

Jeanne aan, glimlachend en vol hartelijkheid. Zij liepen te zamen een

eind op, en Jeanne vertelde haar, dat het zeer goed met Dora ging,

maar dat zij een kindermeisje had moeten nemen, dat zij de kinderen

niet altijd onder de hoede van Mietje durfde laten, die zoo slordig

was en zoo weinig attent en dat dit haar financieël wel eenigszins

drukte. Eline dwong zich oplettend te zijn bij het verhaal der nieuwe

beslommering; Jeanne sprak echter weldra opgewekter over haar vader,

den heer Van Tholen, en over dokter Reijer, waarmede zij thans beter

overweg kon. Nu zij opmerkte hoe sympathiek Eline haar aanzag, en

hoe lief zij Ben een enkele maal vermaande, rakelde zij eenige oude

herinneringen op uit haar schooltijd, en zij lachten beiden om een paar

guitenstreken, eertijds bedreven, en om de kersen, die zij snoepten uit

Eline's capuchon. Jeanne berispte zichzelve, dat zij op het dinertje,

onlangs bij de Van Raats, zulk een onaangenamen indruk van Eline had

kunnen ontvangen; zij vond haar nu eenvoudig en hartelijk.

--Maar laat mij je niet langer ophouden, Eline, sprak zij, eensklaps

stilstaande; ik heb eenige vervelende commissies te doen; ik moet

een paar pannen bestellen, en een melkkan. Mietje heeft kans gezien

me er een te breken.

--O, ik heb niets te doen, ik ga zoo ver met je meê, wanneer je het

niet vervelend vindt, en wanneer Ben niet moê is. Ben je moê, kleine

baas? Neen, niet waar? Hij kan al zoo flink loopen!

Zij liepen verder op en Jeanne bestelde de pannen en Eline koos in

een porceleinwinkel een melkkan voor haar uit. Intusschen bleef zij

vol van haar eigen gedachten over Fabrice en zij gevoelde soms een

onweêrstaanbaar verlangen, om het enveloppe, dat zij in haar eene hand

droeg, te openen en zijn portretten te zien. Ze hield zoo dol veel

van muziek, en Fabrice zong met zoo iets innigs, met veel meer gevoel

dan andere acteurs. Hij was nog jong, geloofde zij; hij zou later

zeker zeer veel naam maken en in Parijs worden geëngageerd. Jeanne

ging nooit naar de opera en had hem dus denkelijk nooit gezien....

Zou zij, Eline, hem wel eens tegenkomen in de straten? En hoe zou

hij er uitzien in zijn gewone kleeren? Ze zou eens, des morgens

vroeg, een boodschap verzinnen, ten einde de opera te passeeren;

mogelijk was het dan repetitie geweest, en zou zij de artisten in den

omtrek van het gebouw ontmoeten. Vervuld van haar eigen berekeningen,

hoorde zij niet altijd wat Jeanne haar verhaalde, maar zij bleef haar,

wandelende aan heur zijde, aanzien met die oogen en dien glimlach,

welke zoo betooverend lichtvol en Eline's grootste innemendheid waren.

Zij waren intusschen omgekeerd en zij nam nu afscheid bij den Hoogewal.

--Nu adieu, ik kom je eens gauw opzoeken, Jany, en mijn groeten aan

Ferelijn. Zal je het doen? Kom Ben, geef mevrouw een handje.

Jeanne gevoelde, in haar behoefte aan teederheid, iets als een lauwe

warmte haar doorstroomen bij den klank van dien naam, Jany, een

herinnering aan vroeger, aan haar jongemeisjesjaren, toen iedereen

haar Jany noemde, Jany....

En zij haastte zich naar de Hugo de Grootstraat vol moed en

vroolijkheid, verlangende naar haar klein binnenhuisje, haar man en

haar schatjes van kinderen....

Eline glimlachte heimelijk, terwijl zij zich door het Willemspark

naar huis begaf. De dorre takken boven haar glinsterden van den rijp,

en in de vriezende lucht was het helder en klankrijk, als vol van

onbestemde echo's.... Zij gevoelde een aandrang om haar geluk in die

ruime atmosfeer uit te galmen met een schitterende roulade....

Was zij dan een klein beetje.... gecharmeerd.... op dien cabotin?

Ach, het was te dwaas, hij zong alleen maar goed!

Hoofdstuk X.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 50 / 188 题