Groote, zich rekkende schaduwen, als dansende, zwarte schimmen,
wierpen de vlammen in de kachel over den muur en het plafond der
donkere kamer. Voor een seconde bleef er dan een lichtglans hangen
aan een antieke zilveren kan op een gebeeldhouwd buffet, dat, als een
donkere massa, een hoek vulde, aan eenige antieke borden en pullen
tegen den wand....
Vincent Vere lag uitgestrekt op zijn divan, en zag bij die telkens
herhaalde lichtflikkeringen met halfgesloten oogen rond. Die vreemde,
met rossen gloed doorschoten, somberheid van het vertrek deed hem
aangenaam de alledaagschheid van zijn in de Spuistraat gehuurde kamers
vergeten, waar een enkel kostbaar voorwerp van hemzelven vloekend
afstak tegen de versleten burgerlijkheid van het ameublement. En hij
mijmerde een pooze in die dantesque schemering....
Hij gevoelde zich in de laatste dagen zeer uitgeput. Een matheid
verlamde zijn ledematen; het scheen hem of er lauw water door
zijn aderen vloeide in plaats van bloed; een mist scheen somwijlen
over zijn hersenen te hangen, zoodat hij niet denken of zich iets
herinneren kon. Zijn geaderde oogleden vielen kwijnend over zijn
fletsen, lichtblauwen blik; zijn onderlip scheen als moede neêr te
hangen en er groef zich daardoor een trek om zijn kleinen mond, die
hem iets zeer lijdends gaf. Vaak had hij zich zoo gevoeld, maar thans
gaf hij de schuld aan de atmosfeer van Den Haag, die hem deed stikken,
en hij verlangde naar veel ruimte en veel lucht, en begreep niet hoe
hij er toe gekomen was, zich te begeven naar een stad, die zoo weinig
aantrekkelijkheid voor hem gehad had.... Ja, het heugde hem, door den
nevel van zijn uitputting heen: hij had een wijle van rust gewild,
na al zijn rusteloos trekken en reizen, maar nu reeds werd hij, trots
zijn vermoeidheid, door een nervoziteit geprikkeld om zich opnieuw
in een maalstroom van veranderingen te werpen. Rust en eentonigheid
verdoofden hem, en niettegenstaande zijn zwakte, bevocht hem steeds
een aandrang naar veel beweging, naar veel handeling; een verlangen
naar telkens wisselende verschieten, naar een horizon, die steeds
week. Toch miste hij alle energie om zich aan eenig werk met kracht
te wijden, terwijl zijn veranderlijkheid hem steeds voortdreef in
een rusteloos zoeken, naar een kring, een omgeving, een betrekking,
waarin hij zich thuis zou gevoelen, en die hij niet vond.
De twee weken, welke hij thans in Den Haag had doorgebracht, schenen
hem een eeuw van verveling toe. Den dag, nadat hij Betsy en Eline in
de opera gezien had, was hij bij de Van Raats komen koffiedrinken
en had hij Henk vijfhonderd gulden te leen gevraagd: hij wachtte,
binnen een paar dagen, geld uit Brussel, naar hij zeide, en zou zijn
neef zoo spoedig mogelijk deze schuld afdoen. Henk, die hem kende
als zeer vergeetachtig in zulke kwijtingen, had echter niet willen
weigeren en hem de gevraagde som ter hand gesteld, en Vincent leefde
nu, terwijl het geld hem den eenen dag als water tusschen de vingers
slipte, en hij den anderen, met een bijna bekrompen gierigheid,
een dubbeltje poogde uit te winnen, in zijn doffe zwakte voort,
terwijl de wissels uit Brussel zich wachten lieten.
Over de toekomst bekommerde hij zich weinig, hij had steeds geleefd van
het eene uur op het andere; hij had dagen van weelde gekend in Smyrna,
en honger geleden in Parijs en Londen, maar in welke omstandigheden
ook, steeds had hem die koorts naar afwisseling voortgejaagd in een
ontevredenheid met het tegenwoordige; nu gevoelde hij zich eensklaps,
terende op zijn vijfhonderd gulden, zoo gedésoeuvreerd, dat de last
zijner lusteloosheid hem somwijlen zijne zwakte vergeten deed.
Zoo mijmerde hij voort, starende in de duisternis, doorschoten met
de rosse vlammen, die de meubels telkens met spookachtig relief uit
het donker deden verschijnen. Hij mijmerde voort in een troosteloos
pessimisme.... Waarom zou hij niet zijn zooals hij was? Hij zou weder
geld noodig hebben en hij zou het krijgen op welke wijze ook, quand
même; waarom niet? Er was geen goed en geen slecht in de wereld; alles
was zooals het wezen moest en het gevolg van een aaneenschakeling
van oorzaken en redenen; alles had recht van bestaan; niemand kon
iets veranderen aan wat was of zijn zou; niemand had een vrijen wil;
ieder was een gestel, een temperament en kon niet anders handelen,
dan volgens de eischen van dat temperament, overheerscht door omgeving
en omstandigheden; dàt was de waarheid, die de menschen steeds met
hun kinderachtig idealisme, zeurend over deugd en met een handjevol
religieuze poëzie, zochten te bedekken....
--O God, wat een bestaan is toch het leven! dacht hij en vatte
het hoofd in de handen, terwijl zijn vingers door het krullende
lichtbruine haar woelden. Dit leven tenminste dat ik nu leid, zou
mij binnen een jaar dood of dol maken. Morgen is als vandaag, niets,
niets, eentonig flauw....
En hij wierp zich als in een zee van herinneringen en overdacht wat
hij doorleefd had, en verschillende oorden en steden doemden voor
zijn geest op....
--En toch, wat een gezwoeg voor niets! murmelde hij en zijn oogen
sloten zich, terwijl eensklaps een sluier over zijn heugenis scheen
neêr te dalen, en een licht zweet hem op het voorhoofd parelde. Het
suisde in zijn ooren en een onbepaalde ruimte, iets schrikwekkend
wijds rolde zich plotseling uit voor zijn gesloten blik....
Maar die zwakheid, een flauwte nabij, duurde slechts eenige seconden;
een diepe zucht slechts hief zich nog op uit zijn borst....