I.

Het was een paar dagen na den St. Nicolaasavond, toen Eline des

middags uitging met den kleinen Ben aan haar hand. Den vorigen avond

was zij met mevrouw Verstraeten, Marie en Lili naar de opera geweest,

waar zij de Trouvère gezien had, en dien morgen had zij Roberts,

haar ouden brompot van een muziekmeester, Léonore's air voorgezet,

opdat hij haar zou accompagneeren:

"La nuit calme et sereine..."

Hij had zijn hoofd geschud; hij hield niet van die bravour-aria's der

Italiaansche school, waarvoor Eline dikwijls met hem redetwistte;

zij vond Bellini, Donizetti, Verdi elegant en melodieus, muziek

als geschreven voor haar kristallen sopraan, hij vond ze dikwijls

kinderachtig, met hun huppelende, lichte wijsjes en wees haar op de

rijkere diepheid van Wagner. Maar ze had hem onder den duim en hij

had gespeeld wat ze hem voorgezet had.

--Kom Ben, niet zoo hangen, goed loopen! sprak Eline tot den kleinen,

dikken jongen, die op zijn loome beentjes haar een pas achterna

bleef. Kom, gelijk met tante blijven. Vindt je het niet prettig,

meê naar de winkels te gaan?

Eline had gisteren in de opera, tijdens de cavatine van den Comte de

Luna, een gedachte in zich voelen opkomen. Achter het raam van een

platenwinkel had zij portretten van Fabrice gezien, gecostumeerd, in

verschillende pozes, en zij had het plotselinge verlangen gevoeld er

een te bezitten. Nu was zij op weg gegaan, om zich dat portret aan te

schaffen. En zij stelde met een lichten glimlach, als genoot zij in een

geheime weelde, zich hem voor met zijn groote, forsche gestalte en zijn

mooien kop met den zwarten baard. Hoe heerlijk toch acteur te zijn!

Van Fabrice dwaalden hare gedachten af op haar nieuwen waaier,

dien zij gisteren had gebruikt.... Betsy had haar gezegd, dat zij

dwaas deed dien te gebruiken, voordat zij den gever kende, nu zij

in het minst niet vermoeden kon van wien het geschenk haar toekwam,

maar zij had zich niet aan het bezwaar harer zuster gestoord; zij

vond integendeel iets pikants in dat onbekende, en haar romantische

geest schepte er aanstonds een kleinen roman uit: Fabrice had haar

opgemerkt in de loge der Verstraetens, hij was gecharmeerd op haar

geworden, hij zong voortaan slechts voor haar, alleen voor haar, en

de grootste teleurstelling vervulde zijn hart, wanneer hij haar niet

in de opera zag... Hij was het, die haar den waaier gestuurd had, met

dat bescheiden: Mlle E. Vere, op het adres; hij had gezien, dat zij

gisteren den waaier gebruikt had, en hij zou het haar wellicht eenmaal

laten raden uit een enkelen blik, uit een enkelen klank zijner stem....

Zij glimlachte om dat romantizeeren harer fantazie en eensklaps schoot

er als een bliksemstraal door haar geest... Het heugde haar: verleden

zomer, op de tentoonstelling van schilderijen in de Akademie, had zij

waaiers van Bucchi gezien, onopgemaakt, en uitgespannen achter glas, en

zij herinnerde zich nu plotseling ze zeer bewonderd en den wensch geuit

te hebben er een te bezitten.... Wie had de fijne opmerkzaamheid gehad,

haar nu dat verlangen te bevredigen? Met wie was zij geweest in die

tentoonstelling? Met Emilie De Woude, met Georges misschien.... Georges

kon toch niet.... Of, haar danseur, die haar ten huwelijk had gevaagd,

dien zij had afgewezen? Ach, het was te dwaas, ze gaf het op, ze wilde

er niet meer over denken.... eenmaal zou ze het toch wel weten....

Door de Parkstraat en de Oranjestraat was zij in het Noordeinde

gekomen en zij naderde reeds den platenwinkel, toen haar op eens de

vrees omving, of de winkelier het niet dwaas zou vinden, dat een jong

meisje het portret van een acteur kwam koopen. Zij geloofde, dat zij

nooit zou durven... maar daar stond zij reeds voor den spiegelruit,

waarachter groote gravures en fotografieën, beelden in biscuit en

terracotta, tal van andere kleinere kunstvoorwerpen uitgestald waren,

en haar oog viel dadelijk op een ris portretten, acteurs en actrices

van de opera, met hun namen er onder geschreven: Estelle Desvaux,

Moulinat, Théo Fabrice...

--Kom Ben! sprak ze en duwde het kind zachtjes de deur in. Eenige

dames zochten in den winkel fotografieën uit en zagen haar aan. Zij

kon het niet helpen, maar ze meende waarlijk, dat zij even bloosde

onder haar witte tulle voiletje.

--Mag ik nieuwjaarskaartjes van u zien, zooals er voor aan het raam

liggen? vroeg zij den winkelier, die haar naderde, Niet aan die

beeldjes komen, Ben.

Een menigte van kaartjes werden haar getoond. Ze bezag ze aandachtig,

nam ze met de tippen harer geschoeide vingeren op, en legde er eenige

terzij. Daarna zag zij hier en daar rond, bespeurde een stapel

portretten en vatte die met haar loome onverschilligheid aan. Er

waren er bij van Fabrice.

Welke zou ze nemen? Dit melancholieke, in het zwart fluweelen kostuum,

met den kanten kraag, van Hamlet; dit als Tell? Neen, hier dit, als

Ben Saïd, zooals ze hem voor het eerst gezien had. Maar zij zou er

ook nog een nemen van Moulinat, den tenor, en een van Estella Desvaux,

de forte-chanteuse; dan frappeerde het niet, dat zij eigenlijk alleen

voor Fabrice was gekomen. Maar dàn kon zij nog wel een tweede van

Fabrice er ook bij nemen, als Hamlet.

--Wil u me die kaartjes geven en, hier, deze vier portretten.

--Mag ik ze u laten bezorgen?

--O, neen, geeft u het maar meê, ik zal u dadelijk betalen. Hoeveel

is het te zamen?

Zij betaalde en nam het enveloppe aan, waarin de winkelier de platen

gesloten had, en ze ging heen met Ben aan haar hand, en verbeeldde

zich, dat de dames, nog altijd bezig met haar fotografieën, haar

weder aanzagen, als wilden zij heur gedachte doorgronden.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 49 / 188 题