De Ferelijns bewoonden in de Hugo de Grootstraat boven een kruidenier
een klein appartement, een suite met een keuken en een kabinetje op de
eerste, en twee kamers met twee kabinetjes op de tweede verdieping. Zij
leefden daar in een drukkende bekrompenheid, een benauwde zuinigheid;
Frans was door zijn ouders weinig nagelaten geworden en moest dus met
vrouw en kinderen leven van zijn klein verlofstractement. Zij hadden
zich in Den Haag gevestigd, in de stad, waar zij beiden, van hun
kindsheid af, hadden gewoond, waar zij elkaâr hadden leeren kennen,
waar zij hun vrienden en hun meeste souvenirs dachten terug te zullen
vinden, hoewel Frans er wel eens over sprak, dat zij verstandiger
zouden handelen zich in een kleinere stad te vestigen. Maar ook
Jeanne's vader, de heer Van Tholen, gepensionneerd rezident, woonde
nog in Den Haag, zeer eenzaam, wegens zijn moeilijk karakter weinig
meer gezocht door oude vrienden en bekenden, en langzamerhand verlaten
door zijn kinderen, die huwden of eene betrekking zochten. Daarom had
Jeanne haar man ook overgehaald, niettegenstaande hun kleine beurs,
in Den Haag te blijven. Zij zou zuinig zijn, beloofde zij, en zij
hield woord, weinig spaarzaam van aard, maar nu gedwongen te zien op
iederen cent, dien ze uitgaf.
Zoo bleven zij in Den Haag, trots vele teleurstellingen, Jeanne
vond heur vader in de vier jaren, waarin zij elkaâr niet gezien
hadden, oud geworden, ontevredener en prikkelbaarder, dan zij hem
zich vroeger herinnerde. De tijden van vroeger waren voorbij,
dacht zij; de vroolijke jeugd in de ouderlijke zonnige woning,
met haar moeder en haar broers en zusters; haar onschuldige
guitenstreken met vriendinnetjes van school; haar meisjesdroomen
onder de seringen en jasmijnen van hun tuin; haar engagementstijd,
vol idealistische hersenschimmen, met Frans. De souvenirs, die zij
in Holland meende terug te vinden, waren wijd en zijd verspreid,
als verdorrende bladeren, en hoe zij in Indië's hitte ook heimwee
had gehad naar de vocht en den mist van het vaderland, nu, gebukt
onder haar teleurstellingen, gebukt onder haar gedwongen zuinigheid,
verlangde zij weder naar dat materieel kommerlooze buitenleven, dat
zij in de Kadoe, tusschen haar koe en haar kippen, genoten had. En
toch, dapper trots haar zwakte, hield zij den kamp met de duizende
kleine beslommeringen van het dagelijksche leven vol. Dokter Reijer
kwam hare Dora steeds om den anderen dag bezoeken, maar ze meende
in den gezochten, jongen dokter een zenuwachtige haast te bespeuren,
die hem zijne visite als bij seconden deed aftellen. Hij bleef even,
luisterde aan Dora's borstje, zeide geruststellend, dat haar hoest
losser werd, drukte Jeanne nog eens op het hart, het kind niet
uit te laten gaan en vertrok in zijn coupé, terwijl hij met een
gouden potlood in zijn boekje noteerde en de namen zijner drukke
clientèle nazag. Frans zelven had hij, om zijn zware hoofdpijnen en
zijn koortsen, een consult aangeraden met een professor in Utrecht,
wien hij over den patiënt reeds lang uitvoerig geschreven had en
Frans was naar Utrecht gegaan en teruggekomen, ontevreden over de
vage, bedekte wijze, waarop de professor zich had uitgelaten. Zoo
dokter Reijer nu Dora bezoeken kwam, ging Frans weg, geërgerd over
hem en zijn Utrechtschen professor, die met hun beiden hem nog
niet konden genezen, en hij begroef zijne hoofdpijn, die hem in het
achterhoofd hamerde en zijne rillende huiveringen, die over zijn rug
als sijpelingen van koud water vloeiden, in eene norsche eenzaamheid
op zijn eigen kantoortje, het kabinet der eerste verdieping. Iets als
eene wroeging omving hem dan wanneer hij Jeanne, alleen, boven met den
dokter hoorde praten en Dora met haar zeurig stemmetje hoorde krijten,
als het kind tegenstribbelde en zich niet wilde laten onderzoeken,
maar toch: hij stond op; alle doktoren waren kwakzalvers, die hem
wel veel wijsheid konden vertellen, maar die hem, als hij ziek was,
toch niet genezen konden....