II.

Jeanne ging met den dokter, nog pratende, de trap af, en Frans hoorde

in zijn kabinet hoe Reijer naar hem vroeg, hoe zij iets antwoordde

en de meid riep, om den dokter uit te laten. Daarop kwam zij binnen,

terwijl het koetsje weldra op straat wegratelde.

--Stoor ik je? vroeg zij met hare zachte, onderdrukte stem.

--Neen, zeker niet, waarom?

--Waarom ben je niet even boven gekomen, Frans? Reijer heeft tweemaal

naar je gevraagd.

Hij haalde de schouders op.

--Het is toch voor niets! sprak hij wrevelig; ze sturen je naar

beroemdheden in Leiden en Utrecht, die je een tientje laten betalen

voor een praatje van een paar minuten....

--Maar wat wil je dan? Je kan toch niet met een tooverslag genezen

van iets, waar je al twee jaren aan souffreert. Ik vind, je bent niet

verantwoord, als je niet meer voor je gezondheid doet, dan je in die

drie maanden, die wij hier zijn, gedaan hebt. Je bent er toch voor

in Europa gekomen, niet waar?

--Zeer zeker, maar ik moet eerst iemand vinden, die meer vertrouwen

inboezemt dan Reijer. Reijer is een dokter à la mode, jou door de Van

Raats aangeraden, heel beleefd en heel aardig, maar mij te oppervlakkig

en te vluchtig. Hij is weg voor je hem gezien hebt.

--Maar je spreekt ook niet open met hem. Ik vraag hem uit over Dora en

dwing hem als vanzelf langer te blijven, en waarlijk, nu hij ons reeds

beter kent, schijnt hij ook meer belang in ons te stellen. En men zegt

algemeen, dat hij knap is, niet alleen de Van Raats dwepen met hem....

--Ja, ik zal wel eens zien, ik heb allen tijd, we zijn hier immers

nauwlijks. Je bent soms net een druppel water op een steen, tèk, tèk,

tèk.... Je zit altijd door te draven over die doktershistorie! riep

hij, ontevreden over zichzelven en ongeduldig uit, en hij sloeg zijne

schrijfportefeuille open, als om haar te beduiden, dat hij geen tijd

meer had.

Zij ging zonder een zucht en sloot de deur zacht achter zich toe. Boven

vond zij in de kinderkamer hunne eenige meid, een jonge deern van

zestien jaar, met een vuil schort en ponyhaar, bezig de bedden

op te maken, terwijl Dora met de beide jongens, Wim en Fritsje,

in het andere vertrek aan het spelen was met eene groote bouwdoos,

een geschenk van grootpa, den heer Van Tholen.

--Ik zal de deur dicht doen, dan kan je de kamer luchten, Mietje,

sprak Jeanne en zij schoof de porte-brisée toe, en zette zich,

glimlachend tot de kinderen, neêr bij het raam aan eene tafel,

bezaaid met eenig linnengoed, dat zij moest nazien, kousjes,

schortjes, rokjes, hier zoo kort geleden aangeschaft, en reeds te

verstellen... O, wat waren hare kinderen slijtsch!... Ze zuchtte en

hare kleine, magere hand woelde een weinig in het goed, terwijl hare

oogen zich met tranen vulden. Waarom was ze niet sterker van gestel,

wat zou ze dan flink haar huishoudentje geregeld hebben! Het was haar

soms zoo moeilijk zich te verheffen boven de moedeloosheid, waarin

zij zich voelde wegzinken als in een afgrond, uit de lusteloosheid,

die haar als met fluweelen armen omving, en toch ... er moest zooveel

gedaan worden; ze mocht niet toegeven aan ijdele mijmerij, niet hare

oude, verspreide herinneringen bij elkander rakelen, als uitgebrande

sintels, en zich in een verlangen naar vroegere illuzies vergeten;

de werkelijkheid doemde voor haar op met een groote scheur in Dora's

nieuw wollen rokje en de vuile wasch, die geteld moest worden.

En toch nu, terwijl hare hand steeds woelde tusschen de kleine kousjes

en de kleine hemdjes, nu liet ze zich meer en meer neêrzijgen in het

weeke dons harer vermoeidheid; ze richtte zich niet met geestkracht op,

om aan het werk te gaan en ze hoorde niet het gekibbel der kinderen,

toen Dora en Fritsje beiden zeurend vochten om eenige blokjes. Zij had

zoo gaarne veel zonneglans en harmonie in hare kleine woning willen

brengen, maar zij was geene fee, en ze voelde zich zoo zwak en reeds

niet bestand tegen de kleine lasten van het leven, en ze dorst niet

te hopen op een rooskleuriger toekomst, daar de gedachte er aan haar,

uit een aangeboren vrees, steeds huiveren deed, en haar een vaag,

onduidelijk schrikbeeld voor den geest bracht, van iets sombers en

rampzaligs, dat zij niet in woorden had kunnen schetsen.

Haar hoofd viel neêr op haar andere hand en een traan drupte nu en dan

op het linnengoed. O, wat had ze zoet kunnen sluimeren, gestreeld door

eene liefkoozing, van iemand, die haar beminde en in wiens teederheid

zij zich kalm en kommerloos en veilig zou gevoeld hebben! En ze dacht

aan haar Frans, en hoe hij haar gevraagd had in hun tuin onder de

bloeiende seringen, en zij dreef hem en ze was een druppel water op

een steen, tèk, tèk, tèk....

O, ze wist het, ze maakte hem niet gelukkig; ze was hem een groote

teleurstelling geworden, maar zij kon het niet hebben, dat hij meer

in haar had willen zien en vinden, dan zij was: een dom, eenvoudig,

zwak vrouwtje, met een groote behoefte aan veel, veel liefde, en veel

zachtheid en innigheid, en met iets als een tikje sentimenteele poëzie

in haar kleine ziel....

En zij richtte zich zuchtend op en vermaande de kinderen niet zoo een

leven te maken: papa zat beneden en papa had hoofdpijn... Toen zocht

zij op tafel naar heure werkmand, maar zij had hem in de huiskamer

gelaten en zij vermaande Dora, als eene groote meid, even op de

broêrtjes te passen. Zij sprak meestal tot het meisje met iets in haar

stem, alsof zij tot eene volwassen dochter sprak, en Dora hielp haar

dikwijls, gestreeld, dat moes haar al zoo bruikbaar vond. Zich aldus

heffende uit hare weeke traagheid, ging Jeanne naar beneden, naar haar

huis- en eetkamer, en ze zocht naar de mand, toen Frans binnenkwam.

Hij had haar de trap opnieuw hooren afkomen, en hij had behoefte

haar even te zien, in een gevoel van wroeging en ontevredenheid over

zichzelven. Hij naderde haar, terwijl zij terzijde van den schoorsteen

zocht, op de punt zijner pantoffels. Hij vatte haar zacht bij heure

armen.

Zij schrikte even en toen zij opzag, bespeurde ze in zijn oogen die

zachtheid, waar ze zoo naar verlangen kon, en hij vroeg haar met een

vragend glimlachje, waarin bijna iets als vrees school:

--Ben je boos, zeg?

Hare oogen vulden zich plotseling vol vocht en ze vleide heur hoofd

neêr op zijn schouder en legde haren arm om zijn hals en knikte

van neen.

--Heusch niet?

Nog eens knikte zij van neen, lachende onder haar neêrdruppelende

tranen, en zij sloot de weenende oogen en voelde zijn ruigen snor

op hare lippen, toen hij haar zoende. Wat had hij toch gauw berouw,

wanneer hij onvriendelijk was geweest en wat deed het haar goed zoo

te kunnen vergeven.

--Kom, huil dan niet, zoo erg is het niet geweest....

Zij loosde een zucht van verademing en klemde zich vaster aan zijn

hals.

Als je maar een beetje vriendelijk tegen me bent, o, dan voel ik me

zoo.... zoo sterk, dan voel ik me tot alles in staat.

--Lief wijfje!....

Nog eens zoende hij haar en, onder de warme teederheid zijner lippen,

vergat zij de ijskoude der ongestookte kamer, die haar rillen deed

in zijne armen.

Hoofdstuk VIII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 43 / 188 题