Jeanne ging met den dokter, nog pratende, de trap af, en Frans hoorde
in zijn kabinet hoe Reijer naar hem vroeg, hoe zij iets antwoordde
en de meid riep, om den dokter uit te laten. Daarop kwam zij binnen,
terwijl het koetsje weldra op straat wegratelde.
--Stoor ik je? vroeg zij met hare zachte, onderdrukte stem.
--Neen, zeker niet, waarom?
--Waarom ben je niet even boven gekomen, Frans? Reijer heeft tweemaal
naar je gevraagd.
Hij haalde de schouders op.
--Het is toch voor niets! sprak hij wrevelig; ze sturen je naar
beroemdheden in Leiden en Utrecht, die je een tientje laten betalen
voor een praatje van een paar minuten....
--Maar wat wil je dan? Je kan toch niet met een tooverslag genezen
van iets, waar je al twee jaren aan souffreert. Ik vind, je bent niet
verantwoord, als je niet meer voor je gezondheid doet, dan je in die
drie maanden, die wij hier zijn, gedaan hebt. Je bent er toch voor
in Europa gekomen, niet waar?
--Zeer zeker, maar ik moet eerst iemand vinden, die meer vertrouwen
inboezemt dan Reijer. Reijer is een dokter à la mode, jou door de Van
Raats aangeraden, heel beleefd en heel aardig, maar mij te oppervlakkig
en te vluchtig. Hij is weg voor je hem gezien hebt.
--Maar je spreekt ook niet open met hem. Ik vraag hem uit over Dora en
dwing hem als vanzelf langer te blijven, en waarlijk, nu hij ons reeds
beter kent, schijnt hij ook meer belang in ons te stellen. En men zegt
algemeen, dat hij knap is, niet alleen de Van Raats dwepen met hem....
--Ja, ik zal wel eens zien, ik heb allen tijd, we zijn hier immers
nauwlijks. Je bent soms net een druppel water op een steen, tèk, tèk,
tèk.... Je zit altijd door te draven over die doktershistorie! riep
hij, ontevreden over zichzelven en ongeduldig uit, en hij sloeg zijne
schrijfportefeuille open, als om haar te beduiden, dat hij geen tijd
meer had.
Zij ging zonder een zucht en sloot de deur zacht achter zich toe. Boven
vond zij in de kinderkamer hunne eenige meid, een jonge deern van
zestien jaar, met een vuil schort en ponyhaar, bezig de bedden
op te maken, terwijl Dora met de beide jongens, Wim en Fritsje,
in het andere vertrek aan het spelen was met eene groote bouwdoos,
een geschenk van grootpa, den heer Van Tholen.
--Ik zal de deur dicht doen, dan kan je de kamer luchten, Mietje,
sprak Jeanne en zij schoof de porte-brisée toe, en zette zich,
glimlachend tot de kinderen, neêr bij het raam aan eene tafel,
bezaaid met eenig linnengoed, dat zij moest nazien, kousjes,
schortjes, rokjes, hier zoo kort geleden aangeschaft, en reeds te
verstellen... O, wat waren hare kinderen slijtsch!... Ze zuchtte en
hare kleine, magere hand woelde een weinig in het goed, terwijl hare
oogen zich met tranen vulden. Waarom was ze niet sterker van gestel,
wat zou ze dan flink haar huishoudentje geregeld hebben! Het was haar
soms zoo moeilijk zich te verheffen boven de moedeloosheid, waarin
zij zich voelde wegzinken als in een afgrond, uit de lusteloosheid,
die haar als met fluweelen armen omving, en toch ... er moest zooveel
gedaan worden; ze mocht niet toegeven aan ijdele mijmerij, niet hare
oude, verspreide herinneringen bij elkander rakelen, als uitgebrande
sintels, en zich in een verlangen naar vroegere illuzies vergeten;
de werkelijkheid doemde voor haar op met een groote scheur in Dora's
nieuw wollen rokje en de vuile wasch, die geteld moest worden.
En toch nu, terwijl hare hand steeds woelde tusschen de kleine kousjes
en de kleine hemdjes, nu liet ze zich meer en meer neêrzijgen in het
weeke dons harer vermoeidheid; ze richtte zich niet met geestkracht op,
om aan het werk te gaan en ze hoorde niet het gekibbel der kinderen,
toen Dora en Fritsje beiden zeurend vochten om eenige blokjes. Zij had
zoo gaarne veel zonneglans en harmonie in hare kleine woning willen
brengen, maar zij was geene fee, en ze voelde zich zoo zwak en reeds
niet bestand tegen de kleine lasten van het leven, en ze dorst niet
te hopen op een rooskleuriger toekomst, daar de gedachte er aan haar,
uit een aangeboren vrees, steeds huiveren deed, en haar een vaag,
onduidelijk schrikbeeld voor den geest bracht, van iets sombers en
rampzaligs, dat zij niet in woorden had kunnen schetsen.
Haar hoofd viel neêr op haar andere hand en een traan drupte nu en dan
op het linnengoed. O, wat had ze zoet kunnen sluimeren, gestreeld door
eene liefkoozing, van iemand, die haar beminde en in wiens teederheid
zij zich kalm en kommerloos en veilig zou gevoeld hebben! En ze dacht
aan haar Frans, en hoe hij haar gevraagd had in hun tuin onder de
bloeiende seringen, en zij dreef hem en ze was een druppel water op
een steen, tèk, tèk, tèk....
O, ze wist het, ze maakte hem niet gelukkig; ze was hem een groote
teleurstelling geworden, maar zij kon het niet hebben, dat hij meer
in haar had willen zien en vinden, dan zij was: een dom, eenvoudig,
zwak vrouwtje, met een groote behoefte aan veel, veel liefde, en veel
zachtheid en innigheid, en met iets als een tikje sentimenteele poëzie
in haar kleine ziel....
En zij richtte zich zuchtend op en vermaande de kinderen niet zoo een
leven te maken: papa zat beneden en papa had hoofdpijn... Toen zocht
zij op tafel naar heure werkmand, maar zij had hem in de huiskamer
gelaten en zij vermaande Dora, als eene groote meid, even op de
broêrtjes te passen. Zij sprak meestal tot het meisje met iets in haar
stem, alsof zij tot eene volwassen dochter sprak, en Dora hielp haar
dikwijls, gestreeld, dat moes haar al zoo bruikbaar vond. Zich aldus
heffende uit hare weeke traagheid, ging Jeanne naar beneden, naar haar
huis- en eetkamer, en ze zocht naar de mand, toen Frans binnenkwam.
Hij had haar de trap opnieuw hooren afkomen, en hij had behoefte
haar even te zien, in een gevoel van wroeging en ontevredenheid over
zichzelven. Hij naderde haar, terwijl zij terzijde van den schoorsteen
zocht, op de punt zijner pantoffels. Hij vatte haar zacht bij heure
armen.
Zij schrikte even en toen zij opzag, bespeurde ze in zijn oogen die
zachtheid, waar ze zoo naar verlangen kon, en hij vroeg haar met een
vragend glimlachje, waarin bijna iets als vrees school:
--Ben je boos, zeg?
Hare oogen vulden zich plotseling vol vocht en ze vleide heur hoofd
neêr op zijn schouder en legde haren arm om zijn hals en knikte
van neen.
--Heusch niet?
Nog eens knikte zij van neen, lachende onder haar neêrdruppelende
tranen, en zij sloot de weenende oogen en voelde zijn ruigen snor
op hare lippen, toen hij haar zoende. Wat had hij toch gauw berouw,
wanneer hij onvriendelijk was geweest en wat deed het haar goed zoo
te kunnen vergeven.
--Kom, huil dan niet, zoo erg is het niet geweest....
Zij loosde een zucht van verademing en klemde zich vaster aan zijn
hals.
Als je maar een beetje vriendelijk tegen me bent, o, dan voel ik me
zoo.... zoo sterk, dan voel ik me tot alles in staat.
--Lief wijfje!....
Nog eens zoende hij haar en, onder de warme teederheid zijner lippen,
vergat zij de ijskoude der ongestookte kamer, die haar rillen deed
in zijne armen.
Hoofdstuk VIII.