VIII.

Aan tafel schertste Eline onophoudelijk met De Woude, haar

buurman. Betsy zat tusschen haar beide mannelijke gasten, Emilie

tusschen Henk en Frans, Jeanne tusschen Eline en Henk. In de eenigszins

somber en antiek gemeubileerde eetkamer glinsterde de tafel van

damast, zilver en kristal onder den gloed van het gas, terwijl het

flikkerde langs karaffen en glazen, waarin donkerrood of bleekgeel,

de wijn scheen te sidderen. Uit de bloemen van een zilveren korf

verhief een ananas heur kroon van stekelig loof.

De Woude was met Eline begonnen te praten over de soirée bij de

Verstraetens en hij schilderde haar, hoe waarlijk vorstelijk freule

Van Erlevoort als Kleopatra en het Gezicht was geweest. Onder Emilie,

Frans en Betsy ontstond een druk gesprek over Indië, waarin zich

Jeanne eerst bijwijlen mengde, maar ze zat te ver, en werd afgeleid

door het gekakel van De Woude en het schelle lachje van Eline, die met

elkaêr zaten te flirten. Zwijgend lepelde Henk zijn soep en at zijn

vischpastei, een enkele maal Jeanne en Emilie met een paar woordjes

bedienend of inschenkend. En Jeanne werd al stiller en stiller,

zoowel uit malaise als uit vermoeidheid over haar druk gekout met

Emilie, na een dag vol zorg. Zij gevoelde zich weinig thuis naast het

coquetteerend paartje: Eline, en grande toilette, De Woude, in zijn

rok, die beide als een groepje vormden uit een galadiner, terwijl zij

er in haar zwart japonnetje povertjes bij afstak. Toch was zij blijde,

dat zij naast Henk zat en gevoelde zij in die nabuurschap iets als

de vage sympathie van haar misplaatstheid voor de zijne.

En zij kon niet nalaten zich te vergelijken bij Eline en Betsy; zij

tobbende met haar drie kinderen en haar klein verlofs-traktementje,

Eline en Betsy onbekrompen steeds verkeerende in een zwier van vermaak

en wereldschheid. Waar was de vroegere, gezellige vriendschap, die haar

samenbond, toen zij, nog ondeugende kinderen, met haar tasschen naar

school slenterden, Eline den capuchon van haar regenmantel vol kersen

had gestopt, en zij haar ondeugd en moedwil tegen de schooljuffrouwen

botvierden onder het commando van Betsy? Zij gevoelde zich als verkoeld

van de jonge vrouw, welke haar nu zelfs begon af te stuiten door dit

laatdunkend nonchalante in haar wijze van spreken, door dien toon van

overwicht tegenover haar man, verkoeld van dat jonge meisje, dat haar

wuft en ijdel toescheen in haar gesprek vol schitterende nietigheid

met dien fat. Vooral Eline begreep zij niet; zij vond iets ongewoons,

iets raadselachtigs in geheel haar wezen, dat steeds met zichzelve in

contrast was. Haar gelach om niets vermoeide haar en zij verwonderde

zich uit een fijn instinct er over, hoe iemand, die, naar men zeide,

zoo heerlijk zong, zoo onaangenaam en onnatuurlijk lachte. O, dat ze

toch een oogenblik stil ware....! En zij wenschte zich terug in hun

nauw bovenhuis, bij haar kleine Dora; hoe had ze die invitatie dan

ook aangenomen! Het is waar, Frans was er op gesteld geweest, dat zij,

nu de dokter het gevaar geweken zag, eenige verstrooiing zou zoeken,

maar dit, dit gaf haar geen verstrooiing: dit maakte haar zenuwachtig,

zelfs verlegen.

En zij bedankte Henk voor de zwezeriken met asperges, die hij haar

aanprees.

--Heb ik goed gehoord, freule, is meneer De Woude een broêr van

u? vroeg Frans zacht aan Emilie. Zoowel haar als Georges ontmoette

hij voor den eersten keer, en zoowel hunne gelijkenis als hun contrast

trof hem.

--Zeker, fluisterde Emilie. Een eigen broêr. En ik ben trotsch op

hem. Hij is een echte gommeux, maar een beste jongen. Hij werkt op

Buitenlandsche Zaken, hij is élève-consul.... Pas op, als u misschien

iets slechts van hem denkt! lachte zij fluisterend, en dreigde met

haren vinger, als ried zij Ferelijns gedachte.

--Ik heb nog nauwelijks meer dan een paar woorden met meneer De

Woude gewisseld, en zal dus wel oppassen, nu al een opinie over hem

te hebben! sprak hij een weinig verschrikt over Emilie's brusquerie.

--Dat is u geraden; de meeste menschen krijgen een geheel anderen

indruk van Georges, als zij hem eenigen tijd kennen, dan als zij hem

voor het eerst in gezelschap zien.... U ziet, ik spring als een trouwe

zuster voor mijn broêr in de bres.... Schenk u me nog maar eens in.

--En zelfs zonder dat hij wordt aangevallen! hervatte Ferelijn

glimlachend, en voldeed aan Emilie's verzoek.--Maar toch zooveel merk

ik al dat hij een bedorven kindje van de dames is, niet alleen van

zijn zuster, ook van mevrouw Van Raat en juffrouw Vere....

Betsy had zich in het gesprek van Eline en Georges gemengd,

aangetrokken door de levendigheid van den laatste, die van den hak op

den tak sprong, tal van onderwerpen even aanroerde: een conversatie,

zonder bepaald fond, zonder eigenlijke geestigheid, maar licht als

schuim en zeepbellen en flikkerend als vuurwerk. Zulk een gesprek

was haar element; een ernstig discours, al werd het met verve

gevoerd, was haar te zwaar, maar dit getintel van kleine vonkjes en

schuimspatjes, dat was als het geparel van den wijn in het kristal

der kelken, behaagde haar uitermate. Zij vond Georges veel amuzanter

dan gisteren bij de Verstraetens, waar hij tweemaal beweerd had, dat

het roode licht meer flatteerde dan het groene. Nu viel hij niet in

herhalingen, maar ratelde door, terwijl zijn stijfheid met een paar

fijne plooitjes kreukte, terwijl hij haar schertsend brutaal in de

rede viel, of zijn opinie opdrong, terwijl hij zijn frazen vlug en

onnauwkeurig afspon met een Fransche levendigheid.

Eline had een paar malen Jeanne willen medevoeren in dien cirkel van

schitterende nietigheid, maar Jeanne had slechts even geglimlacht

of geantwoord met een enkel woord en Emilie gaf het op haar te

amuzeeren. Het gesprek werd algemeener; Eline voegde zich er bij

met haar vrooliik sans-gêne en haar komische jovialiteit en Frans,

te midden van dien tooverkring, kon niet nalaten nu en dan een vonk

van luchtige geestigheid te laten flikkeren, al wierp hij vaak een

bezorgden blik naar zijn stil vrouwtje.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 26 / 188 题