Aan tafel schertste Eline onophoudelijk met De Woude, haar
buurman. Betsy zat tusschen haar beide mannelijke gasten, Emilie
tusschen Henk en Frans, Jeanne tusschen Eline en Henk. In de eenigszins
somber en antiek gemeubileerde eetkamer glinsterde de tafel van
damast, zilver en kristal onder den gloed van het gas, terwijl het
flikkerde langs karaffen en glazen, waarin donkerrood of bleekgeel,
de wijn scheen te sidderen. Uit de bloemen van een zilveren korf
verhief een ananas heur kroon van stekelig loof.
De Woude was met Eline begonnen te praten over de soirée bij de
Verstraetens en hij schilderde haar, hoe waarlijk vorstelijk freule
Van Erlevoort als Kleopatra en het Gezicht was geweest. Onder Emilie,
Frans en Betsy ontstond een druk gesprek over Indië, waarin zich
Jeanne eerst bijwijlen mengde, maar ze zat te ver, en werd afgeleid
door het gekakel van De Woude en het schelle lachje van Eline, die met
elkaêr zaten te flirten. Zwijgend lepelde Henk zijn soep en at zijn
vischpastei, een enkele maal Jeanne en Emilie met een paar woordjes
bedienend of inschenkend. En Jeanne werd al stiller en stiller,
zoowel uit malaise als uit vermoeidheid over haar druk gekout met
Emilie, na een dag vol zorg. Zij gevoelde zich weinig thuis naast het
coquetteerend paartje: Eline, en grande toilette, De Woude, in zijn
rok, die beide als een groepje vormden uit een galadiner, terwijl zij
er in haar zwart japonnetje povertjes bij afstak. Toch was zij blijde,
dat zij naast Henk zat en gevoelde zij in die nabuurschap iets als
de vage sympathie van haar misplaatstheid voor de zijne.
En zij kon niet nalaten zich te vergelijken bij Eline en Betsy; zij
tobbende met haar drie kinderen en haar klein verlofs-traktementje,
Eline en Betsy onbekrompen steeds verkeerende in een zwier van vermaak
en wereldschheid. Waar was de vroegere, gezellige vriendschap, die haar
samenbond, toen zij, nog ondeugende kinderen, met haar tasschen naar
school slenterden, Eline den capuchon van haar regenmantel vol kersen
had gestopt, en zij haar ondeugd en moedwil tegen de schooljuffrouwen
botvierden onder het commando van Betsy? Zij gevoelde zich als verkoeld
van de jonge vrouw, welke haar nu zelfs begon af te stuiten door dit
laatdunkend nonchalante in haar wijze van spreken, door dien toon van
overwicht tegenover haar man, verkoeld van dat jonge meisje, dat haar
wuft en ijdel toescheen in haar gesprek vol schitterende nietigheid
met dien fat. Vooral Eline begreep zij niet; zij vond iets ongewoons,
iets raadselachtigs in geheel haar wezen, dat steeds met zichzelve in
contrast was. Haar gelach om niets vermoeide haar en zij verwonderde
zich uit een fijn instinct er over, hoe iemand, die, naar men zeide,
zoo heerlijk zong, zoo onaangenaam en onnatuurlijk lachte. O, dat ze
toch een oogenblik stil ware....! En zij wenschte zich terug in hun
nauw bovenhuis, bij haar kleine Dora; hoe had ze die invitatie dan
ook aangenomen! Het is waar, Frans was er op gesteld geweest, dat zij,
nu de dokter het gevaar geweken zag, eenige verstrooiing zou zoeken,
maar dit, dit gaf haar geen verstrooiing: dit maakte haar zenuwachtig,
zelfs verlegen.
En zij bedankte Henk voor de zwezeriken met asperges, die hij haar
aanprees.
--Heb ik goed gehoord, freule, is meneer De Woude een broêr van
u? vroeg Frans zacht aan Emilie. Zoowel haar als Georges ontmoette
hij voor den eersten keer, en zoowel hunne gelijkenis als hun contrast
trof hem.
--Zeker, fluisterde Emilie. Een eigen broêr. En ik ben trotsch op
hem. Hij is een echte gommeux, maar een beste jongen. Hij werkt op
Buitenlandsche Zaken, hij is élève-consul.... Pas op, als u misschien
iets slechts van hem denkt! lachte zij fluisterend, en dreigde met
haren vinger, als ried zij Ferelijns gedachte.
--Ik heb nog nauwelijks meer dan een paar woorden met meneer De
Woude gewisseld, en zal dus wel oppassen, nu al een opinie over hem
te hebben! sprak hij een weinig verschrikt over Emilie's brusquerie.
--Dat is u geraden; de meeste menschen krijgen een geheel anderen
indruk van Georges, als zij hem eenigen tijd kennen, dan als zij hem
voor het eerst in gezelschap zien.... U ziet, ik spring als een trouwe
zuster voor mijn broêr in de bres.... Schenk u me nog maar eens in.
--En zelfs zonder dat hij wordt aangevallen! hervatte Ferelijn
glimlachend, en voldeed aan Emilie's verzoek.--Maar toch zooveel merk
ik al dat hij een bedorven kindje van de dames is, niet alleen van
zijn zuster, ook van mevrouw Van Raat en juffrouw Vere....
Betsy had zich in het gesprek van Eline en Georges gemengd,
aangetrokken door de levendigheid van den laatste, die van den hak op
den tak sprong, tal van onderwerpen even aanroerde: een conversatie,
zonder bepaald fond, zonder eigenlijke geestigheid, maar licht als
schuim en zeepbellen en flikkerend als vuurwerk. Zulk een gesprek
was haar element; een ernstig discours, al werd het met verve
gevoerd, was haar te zwaar, maar dit getintel van kleine vonkjes en
schuimspatjes, dat was als het geparel van den wijn in het kristal
der kelken, behaagde haar uitermate. Zij vond Georges veel amuzanter
dan gisteren bij de Verstraetens, waar hij tweemaal beweerd had, dat
het roode licht meer flatteerde dan het groene. Nu viel hij niet in
herhalingen, maar ratelde door, terwijl zijn stijfheid met een paar
fijne plooitjes kreukte, terwijl hij haar schertsend brutaal in de
rede viel, of zijn opinie opdrong, terwijl hij zijn frazen vlug en
onnauwkeurig afspon met een Fransche levendigheid.
Eline had een paar malen Jeanne willen medevoeren in dien cirkel van
schitterende nietigheid, maar Jeanne had slechts even geglimlacht
of geantwoord met een enkel woord en Emilie gaf het op haar te
amuzeeren. Het gesprek werd algemeener; Eline voegde zich er bij
met haar vrooliik sans-gêne en haar komische jovialiteit en Frans,
te midden van dien tooverkring, kon niet nalaten nu en dan een vonk
van luchtige geestigheid te laten flikkeren, al wierp hij vaak een
bezorgden blik naar zijn stil vrouwtje.