Het was Jeanne alsof het diner nimmer zou eindigen. Ofschoon zij
niet den minsten eetlust had, wilden zij niet meer weigeren en at
van de getruffeerde poularde, van de gâteau Henri IV, van de ananas
en het keurig dessert, haren wijn echter slechts even met de lippen
aanrakend. Henk, naast haar, at veel en met smaak, en verwonderde
zich, al kluivende, hoe zij steeds zulke kleine porties nam. Maar
ook De Woude at ternauwernood, daar hij er zich in het vuur zijner
levendigheid nauwlijks den tijd toe gunde. Emilie echter hield Henk
goed gezelschap en dronk een stevig glas wijn.
Het was over achten, toen men opstond en de dames zich naar den salon
begaven. Frans ging met Henk en De Woude een sigaar rooken, daar Jeanne
verklaard had nog wel een half uurtje te willen blijven. Betsy had
dit vriendelijk gevraagd; zij kon haar gasten toch niet op staanden
voet laten vertrekken en het bleef vroeg genoeg voor de opera.
--Is Dora dikwijls ziek, Jeanne? vroeg Eline, terwijl zij zich, met
het geruisch van haar roze rips, naast deze op een canapé neêrzette,
en haar hand nam. Den laatsten keer, dat ik haar zag, mankeerde haar
niets en toen vond ik haar al zoo bleekjes en fijntjes.
Jeanne trok zacht hare hand terug en gevoelde iets als een
ergernis over die vraag na de conversatie aan tafel; zij antwoordde
kortweg. Maar Eline liet niet af, als was ze bewust, nu in liefheid
te moeten inhalen, wat zij eerst had verzuimd, en zij kon zóó iets
gevoelvol-medelijdends in haar stem leggen, dat Jeanne er onwillekeurig
door werd bewogen. Jeanne begon te klagen, hoe zij niet geloofde, dat
dokter Reijer zorgvuldig genoeg haar meisje had onderzocht, en Eline,
die zich op het zilveren blad, dat Gerard, de knecht, voorhield,
haar mokka suikerde, hoorde vol belangstelling naar de moederlijke
klacht. Emilie en Betsy waren in het aangrenzend boudoir gegaan,
waar de eerste modeplaten wilde zien.
--Arme meid, wat heb je een moeite, en nauwlijks drie maanden pas
in Holland. Je bent immers in September gekomen? vroeg Eline het
doorzichtige Chineesche kopje op de peluche babbytafel zettend.
Jeanne zweeg, maar eensklaps richtte zij zich op, en op haar beurt
Eline's fijne, koele vingers vattende, zeide zij, in een verlangen
naar teederheid:
--Zeg eens, Eline, je weet, ik heb het hart op de tong, ik ben altijd
nog al oprecht geweest: mag ik je iets vragen?
--Natuurlijk, antwoordde Eline, een weinig verbaasd.
--Nu dan.... waarom zijn we niet met elkaâr, zooals we vroeger
waren, toen je ouders nog leefden? Het is nu vier jaar geleden,
dat ik trouwde en naar Indië ging, en nu we terug zijn gekomen,
nu ik je weêr terug zie, is het, of alles tusschen ons veranderd
is. Ik heb geen kennissen en bijna geen familie hier in Den Haag,
en ik zou gaarne mijn vroegere kennissen blijven behouden.
--Maar Jeanne....
--O, ik weet het, je vindt me misschien dwaas, dat ik zoo spreek,
maar ik voel me soms zoo gedrukt door al die soesah; ik zou zoo gaarne
eens aan een goede vriendin mijn hart willen uitstorten.... wat ik
natuurlijk niet aan mijn man doe....
--Maar waarom niet aan je man....?
--Ach, hij heeft al genoeg zorg van zijn eigen zaken; hij is ziek,
niet waar, en hij wordt ongeduldig....
--Maar Jeanne, ik weet niet, wat er tusschen ons veranderd zou zijn.
--Misschien verbeeld ik het mij ook; vroeger waren we meer samen,
nu leef je in geheel andere kringen, je gaat veel uit en ik.... we
zijn zoo langzamerhand aan elkaâr vervreemd.
--Maar als men elkaâr in vier jaar niet gezien heeft....
--We hebben toch correspondentie gehouden.
--Wat zeggen een drie, vier brieven in een jaar! Spreekt het niet van
zelf, dat men eenigszins andere ideeën krijgt, als men ouder wordt en
in andere omstandigheden komt. Vroeger was ik ook in zorgen, eerst
over mijn lieve papa, later over tante Vere, die ik in haar ziekte
heb opgepast...
--Voel je je gelukkig hier, kan je met Betsy overweg?
--O, zeker, uitstekend, anders zou ik immers niet bij haar inwonen.
Eline vond het, uit haar aangeboren terughoudendheid, niet noodig,
hierop meer te antwoorden.
--Zie je, je hebt je om niets te bekommeren, ging Jeanne voort; alles
gaat en gebeurt zooals je zelf wilt, je leeft vrij en onafhankelijk,
voor je genoegen.... bij mij is alles zoo geheel anders.
--Maar is dat nu een reden om ons vervreemd van elkaâr te noemen? Ten
eerste vind ik vervreemd een onaangenaam woord; ten tweede is het,
al duidt je het zachter uit, niet waar....
--Toch wel.
--Toch niet.... Ik verzeker je Jeannelief, kan ik je van dienst zijn
in het een of ander, je zal me altijd bereid vinden. Geloof je dat?
--Zeker, en ik dank je voor je belofte... Maar Eline...
--Nu?
Jeanne had iets als een vraag op de lippen: hoe ben je? verhaal mij
meer van je, laat mij je beter leeren kennen, zooals je nu bent! maar
het gemaakt vriendelijk lachje om die fijne lippen, in die droomerige,
amandelvormige oogen deed haar zwijgen. En zij gevoelde plotseling
berouw over haar openhartigheid tegenover dit coquette meisje, dat haar
veêren waaier in- en uitplooide; zij gevoelde als een onvoldaanheid
over het nuttelooze gesprek, dat er uit gevloeid was. Waarom had zij
zich door die opwelling laten medeslepen; zij pasten immers toch niet
bij elkaâr....
--Nu? herhaalde Eline, en toch vreesde zij in haar terughoudendheid
voor die vraag, die komen zou.
--Later, later, als we weêr eens alleen zijn! stotterde Jeanne en
zij stond op, ontevreden, over zichzelve geërgerd, op het punt in
tranen uit te barsten, na dat onaangename diner, na die vruchtelooze
wisseling van gedachten. Betsy en Emilie traden juist uit het boudoir.
Jeanne meende dat het tijd was van heengaan. De drie heeren
kwamen weldra binnen en Henk hielp Jeanne haar langen wintermantel
aantrekken. Zichzelve tot vriendelijkheid dwingend nam zij afscheid
en herhaalde Betsy, hoe lief zij haar intieme invitatie had gevonden,
en opnieuw overviel haar een rilling van ontevredenheid, toen Eline
haar op beide wangen kuste.
--Wat is die Jeanne toch gloeiend vervelend! zeide Betsy, nadat de
Ferelijns weg waren. Zij heeft bijna geen mond opengedaan.... Waarover
heb je het toch zooeven met haar gehad, Eline?
--Ik? Wel over Dora, en over haar man... niets bizonders.
--Arme meid! sprak Emilie medelijdend. Kom Georges, haal mijn sortie
eens.
Mina bracht echter de sorties der dames binnen, terwijl De Woude
zijn ulster ging aantrekken en Henk zich in zijn dikke handen wreef,
aangenaam gestemd, dat hij van avond thuis zou kunnen blijven na een
lekker diner. Het rijtuig stond reeds een half uur in de dooiende
sneeuw te wachten, met Dirk den koetsier en Herman den palfrenier,
onder hunne groote, bonten pélérines als verzonken, op den bok.
--Frans, dwing me nooit meer een invitatie bij de Van Raats aan te
nemen! sprak Jeanne smeekend, terwijl zij, rillend aan haar mans arm,
door de modder plaste, en de slippen van haar te wijden mantel, die
telkens openwoei, met haar kleine, verkleumde hand bij elkaâr poogde te
houden. Heusch, ik voel me niet meer thuis bij hen, bij Betsy en Eline.
Hij haalde even ongeduldig de schouders op en bleef zwijgen, en zij
stapten met hunne natte schoenen door, in het flikkerend licht der
lantaarns, die zich vervelend regelmatig herhaalden langs den weg,
en die haar doffen glans afspiegelden in de plassen, beverig en flauw.