VII.

Het zou een eenvoudig, huiselijk dinertje zijn. Om halfzes kwamen de

Ferelijns en kort na hen Emilie met Georges. Betsy ontving ze in den

salon en vroeg Jeanne naar het kindje.

--Ze is nu veel kalmer, mijn kleine meid, ze heeft tenminste geen

koorts meer, maar toch, geheel beter is ze niet. Dokter Reijer was

nog al tevreden. Ik vind het heel lief, dat je ons gevraagd hebt:

ik heb waarlijk behoefte eens uit al die soesah te zijn, maar door

mijzelve kom ik er niet toe. Alleen, je ziet, ik heb vertrouwd op je

gezegde, dat het heel intiem zou zijn en er mij dus niet voor gekleed.

Zij keek een weinig ongerust van haar eigen eenvoudige, zwarte japon

naar Betsy's grijs satijnen toilet.

--Er komt werkelijk niemand meer dan, hier, Emilie en haar broêr,

dien ik een beleefdheid wilde doen. Maar je hadt mij gezegd vroeg

naar huis te willen gaan, en wij gaan dan later even naar de opera,

in de loge van oom Verstraeten. Maak je dus niet ongerust, je hebt

groot gelijk gehad, zoo te komen.

Henk kwam binnen, in zijn huisjasje, met zijn joviaal, vriendelijk

gezicht en dit stelde Jeanne nog meer gerust dan Betsy's

verklaring. Emilie, ruischende van de gitten, en levendig als

altijd, kende zij goed, en alleen Georges maakte op haar, in de

onberispelijkheid van zijn frac en zijn gardenia, een indruk van

gegeneerdheid.

Frans Ferelijn was, als Oost-Indisch ambtenaar, met verlof voor

herstel van gezondheid in Holland gekomen en zijn vrouw was een oude

schoolkennis van Eline en Betsy.

Jeanne scheen een eenvoudig vrouwtje, zeer stil en gebukt onder haar

huiselijk verdriet. Zwak, mager en van een bloedarmoedige bleekheid,

met een paar zachte bruine oogen, was haar de moederlijke zorg voor

drie ziekelijke kinderen bij bekrompen geldmiddelen te zwaar en zij had

een onbedwingbaar heimwee naar Indië, waar zij geboren was, waar zij

het eenzame leven in de binnenlanden lief had. Zij leed van de koude en

telde de maanden, die zij nog in Holland zou moeten doorbrengen. Aan

Emilie verhaalde zij, hoe zij bij Temanggoeng in de Kadoe gewoond

hadden,--Frans was controleur 1e klasse,--temidden eener menagerie

van Cochinchina-kippen, eenden, duiven, een Hollandsche koe, die

zooveel liter melk gaf per dag, twee geiten en een kakatoe,--als Adam

en Eva in het Paradijs, merkte Emilie op;--hoe zij des morgens haar

Perzische rozen en haar mooie crotons verzorgde en in den groentetuin

zelve haar groenten voor dien middag uitzocht, en hoe haar kinderen

in Holland aanstonds waren begonnen te sukkelen en te hoesten. Het is

waar, ze zagen wel bleek in Indië, maar ze behoefde daar toch niet

te vreezen voor elk tochtje, voor elke deur die open stond. En zij

betreurde zeer haar baboe, Saripa, die zij uit economie had moeten

achterlaten. Nu was zij in dienst bij andere menschen op Samarang,

maar zij had beloofd, dadelijk weêr tot haar te komen, zoodra zij

in Indië terug waren, en Jeanne zou haar uit Holland eenige mooie

katoentjes voor kabaia's medebrengen.

Emilie luisterde vriendelijk toe, en maakte haar goed aan het praten;

zij wist, hoe die herinneringen uit Indië Jeanne vermochten te wekken

uit haar gewone stilte. Betsy vond haar ongeschikt in een groot

gezelschap, en vroeg haar dus slechts alleen, met haar man, soms

met een paar goede kennissen. Eigenlijk vond zij haar vervelend en

onbeduidend, meestal slecht gekleed en zeurig, maar toch meende zij,

dat deze opinie niet uitsloot haar een enkele maal intiem te vragen,

Jeanne uit medelijden, Emilie voor de vroolijkheid en Georges, om

zijn kaartje met een invitatie te reciproceeren.

Terwijl Frans Ferelijn met Henk over zijn aanstaande promotie tot

assistent-rezident sprak, en Georges, na een paar frazen aan de

gastvrouw, luisterde, hoe Jeanne verhaalde van Frans' rijpaard, dat

eens tot in hun middengalerij was komen aanzetten om zijn pisang te

halen, lag Betsy met het hoofd op den rug harer causeuse en vond dat

Eline op zich wachten liet. Zij had gaarne wat vroeg willen eten,

om niet al te laat in de opera te komen, en ze hoopte maar, dat de

Ferelijns niet indiscreet zouden zijn en langer blijven, dan zij zich

eerst hadden voorgenomen. Amuzant waren ze toch zelden, dacht ze,

en stond op, heimelijk ongeduldig, verschikte de pauwenveêren in

een Makartbouquet, eenige kleinigheden op een peluche tafeltje, of

schoof met heur voet het tijgervel voor den vlammenden haard terecht,

kribbig op Eline.

Eindelijk ging de deur open en Eline trad binnen. En het trof Jeanne,

hoe mooi, vooral hoe elegant zij was in haar roze toilet van zijden

rips, zeer eenvoudig en zeer rijk, met enkele kleine strikjes, die als

vlinders wegscholen op haar, en-coeur opengesneden, corsage en heur

korte mouwtjes in den elleboog; strikjes, die zich luchtig schenen

neêrgezet te hebben op haar schouders en aan haar middel. In haar

lichtbruine haren, opgekamd in den vorm van een antieken helm, stak

een roze veêren touffe met aigrette; roze schoentjes schoeiden haar

voet, loom en licht als die eener fee; een enkel parelsnoer schakelde

zijn matwitte kralen om haar hals. In de hand droeg zij haar lange

handschoenen, haar roze veêren waaier en haar binocle van parelmoer.

Ferelijn en De Woude stonden op en zij drukte hun de hand en kuste

Emilie en Jeanne even op het voorhoofd, meêwarig naar de kleine Dora

vragend. Zij zag, hoe allen, zelfs Henk en Betsy haar opnamen, van

het hoofd tot de voeten, als getroffen door den rijken eenvoud van

haar toilet, en zij glimlachte, toen Jeanne haar van dokter Reijers

goede hoop sprak, het tobbende vrouwtje in den triumf en den glans

harer schitterende bevalligheid toe.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 25 / 188 题