Het was nog vroeg, even over halfdrie, en het kwam Eline in de
gedachte, hoe zij in vele dagen de oude mevrouw van Raat niet had
opgezocht, ofschoon zij wist, dat deze veel van haar hield en gaarne
des middags iemand ontving, om een praatje te kunnen maken. Henk ging
zijn moeder trouw iederen morgen bezoeken, nadat hij gereden had en
de twee, door zijn vrouw verbannen, Ulmerdoggen renden ongestraft de
trappen van het huis zijner moeder op. Betsy zag deze zelden: Betsy
zag wel in, dat mevrouw Van Raat haar weinig genegen was. Eline had
haar hart weten te winnen, door een zekere, allerinnemendste wijze,
waarop zij met oude dames omging, iets in haar toon van spreken, in
haar kleine attenties, iets als een geur van eerbied, die der oude
vrouw weldeed.
Eline ging weêr terug door de Javastraat naar de Laan van Meerdervoort,
en vond mevrouw Van Raat alleen, in haar hoogen stoel, de handen
gevouwen in den schoot. En zij scheen het jonge meisje een beeld van
zóo groote, onuitgesproken treurigheid toe; er zweefde over de rijke,
versleten meubels zulk een waas van vervlogen gezelligheid; er hing
in den corridor, in het vertrek zulk een atmosfeer van weemoed; er
lag over de plooien der donkergroene ripsen gordijnen zulk een nevel
van melancholie, dat zij zich bij haar binnentreden beklemd om het
hart voelde, als was het leven de moeite niet waard. Waarom waarom....?
Toen deed zij zich geweld aan. Zij verzamelde die gedachten, waarin
zij des morgens zoo opgeruimd was geweest, zij glimlachte en nam in
haar toon dien vagen eerbied, met iets van liefde en medelijden, aan,
en zij sprak opgewekt over Paul, over het diner van dien middag en de
opera.... en zij beloofde mevrouw Van Raat eenige boeken te sturen,
lieve, lichte lectuur, waarin men de wereld door roze glaasjes bekeek.
Het deed haar pijn zoo te ratelen, terwijl zij gaarne met de oude
vrouw had willen schreien, in een sympathie van weedom, maar zij hield
zich goed, en durfde zelfs een ernstiger onderwerp aan te vatten;
zij keurde het, steeds met haar lieven, eerbiedigen toon af, dat
mevrouwtje zooeven, toen zij binnen was gekomen, vochtige oogen had
gehad en dit nu niet wilde erkennen; zij was niet nieuwsgierig, maar
zij zou haar zoo gaarne willen troosten, zoo ze kon; had mevrouwtje
haar niet wel eens meer als confidente beschouwd..?
Zij doelde op klachten over Betsy, op andere, kleinere beslommeringen,
maar raakte ze niet verder aan.
En de oude vrouw schudde, reeds getroost en met een lachje, het hoofd;
waarlijk zij had niets, zij gevoelde zich alleen maar wat verlaten;
ach, het was, geloofde zij, dat ze zich verveelde; ze stelde in weinig
meer belang, maar dat was haar eigen schuld, niet waar? Andere oude
menschen lazen geregeld de courant, hielden zich op de hoogte, zij
niet; maar Eline was toch een lieve meid; waarom geleek Betsy niet
een beetje op haar, hé?
En ze begon, levendiger, te verhalen, over haar jeugd, over haar
lieven man; daar hing zijn portret....
Het was over vieren, toen Eline zich haastte weg te komen; het begon
donker te worden en het dooide en de duisterende wolken schenen op
haar te zullen vallen en haar te doen stikken.... Die oude vrouw was
gelukkig geweest, zeer gelukkig.... verbeeldde zij zich dat, of was
het waarheid? En zij, Eline, was nu reeds niet gelukkig; o, hoe zou ze
zich gevoelen, wanneer ze ook oud was, en leelijk en verschrompeld! Dan
zou ze zelfs geen herinneringen hebben, om zich te troosten, dat het
geluk bestond, voor haar bestaan had, dan zou alles droeviggrijs zijn,
grijs als die lucht! O God, waarom te leven, zoo niet gelukkig?
--Waarom, waarom? fluisterde ze en ze haastte zich, daar ze zich
verkleeden moest vóor het diner.