Vroeger dan zij placht uit te gaan, ging Eline dien middag naar
de Verstraetens. Het was in de laatste dagen van November en een
strenge winter was vroeg ingevallen. Het vroor; de sneeuw knarste,
nog onbezoedeld en blauwig-blank, onder Eline's lichten, regelmatigen
tred, maar liever zocht haar voet de gladheid der schoongemaakte
trottoirs. De fijn geschoeide handen in het kleine mofje verschuilend,
soms van onder haar witte tulle voilette een kennis, vriendelijk
glimlachend, toeknikkende, nam zij haar weg door de Javastraat naar
de Princessegracht. Ze gevoelde zich nog zeer opgeruimd in haar
elegant, met bruin bont omzoomd, wintertoilet en in haar aangename
gemoedsstemming, zelfs niet verbroken door een kleinen twist met
Betsy, welke haar verweten had, hoe zij Grete werk liet doen,
dat Mina paste. Zulke kleine oneenigheden waren tegenwoordig geene
zeldzaamheid, echter steeds tot groote ontstemming van Henk, wien
niets zoo tegenstond als die lichte uitbarsting van huiselijk gekibbel.
Eline had zich echter Betsy's opmerking weinig aangetrokken en deze
met minder bitsheid dan gewoonlijk beantwoord; zij wilde zich niet
door zulke nietigheden uit haar goed humeur laten brengen, het leven
was er haar te lief voor....
En dankbaar, dat zij zich ingehouden had, sloeg zij de Javastraat om.
Bij de Verstraetens vond zij nog een ongewone wanorde. Dien gaf haar
niet-thuis, maar Eline verbrak het consigne en drong door in de groote
suite, waar zij mevrouw aantrof, die zich verontschuldigde over haar
peignoir. Losch, de fotograaf, was, half bedekt onder het groene kleed
van zijn toestel, bezig de reeds gepozeerde groep der Vijf Zinnen te
beschouwen. De meisjes, Etienne en Paul, lachten Eline toe, en zij
zeide, na mevrouw haar excuses gemaakt te hebben, hoe heerlijk zij
het vond nog iets van de tableaux te kunnen zien. Maar het tafereel
maakte in het kille, door den besneeuwden tuin weêrkaatste, daglicht,
niet meer dien indruk van gloed en weelderig kleurgeflonker als
den vorigen avond in een verheerlijking van Bengaalsch licht. De
draperieën hingen slap en verkreukeld, het goudlaken van Frédérique
had een vaal verlepte tint; haar hermelijn bleek molton te zijn, met
zwarte wol opgewerkt. Etienne's blonde pruik was een weinig uit de
krul. Tevergeefs maande Losch aan een weinig vriendelijk te kijken:
Lili, als de Reuk, lag half te sluimeren in haar kussen.
--Ik geloof, dat er niet veel van komen zal, zeide Marie, terwijl
Losch aan haar draperie schikte; maar Toosje Van der Stoor had er
wel idée op, en bleef liggen, onbeweeglijk, met een onuitstaanbare
kramp in haar middel, door heur moeielijke poze.
Eline was, om de gepozeerde artisten niet af te leiden, naar de serre
gegaan en zette zich neêr bij den heer Verstraeten, dien zij nog
met zijn verjaardag feliciteerde. Hij legde zijn boek uit de handen
en zijn bril af, terwijl hij met zijn tintelende, bruine oogen vol
welgevallen het elegante meisje beschouwde.
--Weet u wel, sprak ze, terwijl zij het, met bont omzoomde, manteltje
loshaakte; weet u wel, dat ik eigenlijk jaloersch ben van dat troepje
daar ginds. Je ziet ze maar altoos samen, altijd vroolijk, vol van
allerlei plannen en pretjes.... Ik voel me heusch oud bij ze....
--Verbeeld je! antwoordde mevrouw lachend, terwijl zij in haar
peignoir achter een stoel bleef staan; je bent even oud als Marie,
drie-en-twintig, niet waar?
--Ja mevrouwtje, maar ik ben niet zoo bedorven geweest als Marie en
Lili worden, en ik geloof, dat ik het me toch zoo goed zou hebben
laten welgevallen! Ach, u weet, vroeger bij ons, toen ik nog een kind
was.... papa was meestal ziek en dat maakte ons natuurlijk stil,
en later bij tante Vere.... tante was een allerliefste vrouw, maar
veel ouder dan papa en vroolijk was zij niet....
--Je mag geen kwaad spreken van tante Vere, Eline! zeide de heer
Verstraeten; ze was nog een oude vlam van me....
--O, en u mag niet met haar spotten; ik hield dol veel van haar, ze
was ook een tweede moeder voor ons, en toen ze, na die lange ziekte,
stierf, voelde ik mij verschrikkelijk verlaten, als alleen op de
wereld.... Ziet u, dat alles heeft me nu juist geen erg vroolijke
jeugd gegeven! en ze glimlachte met een weemoedig trekje, terwijl haar
oogen, bij de gedachte aan wat zij gemist had, vochtig werden. Terwijl,
als je Paul en Etienne en de meisjes ziet, dat is altijd een gelach
en een vroolijkheid.... heusch om er jaloersch van te worden. Die
Toos is ook een lief kind.
Men hoorde de artisten van de estrade springen. Losch was klaar. Paul
en Etienne kwamen met Freddy, Marie en Cateau in kostuum de serre
binnen, terwijl Lili naar bed ging, afgewonden door de drukte der
twee laatste dagen.
--Dag juffrouw Vere, sprak Cateau en reikte Eline haar hand. Eline
gevoelde plotseling een onbeschrijflijke, onberedeneerde sympathie
voor dat kind, zoo eenvoudig en onbewust-innemend, en ze moest haar
aandoening, terwijl ze opstond om heen te gaan, verbergen door Cateau
met een brusk gebaar, al spelende, te omhelzen.
--Dag schat! zeide ze dwepend. Kom mevrouwtje, ik ga u verlaten, u zal
nog veel te doen hebben, nu de drukte is afgeloopen. Alleen.... heb
ik Betsy beloofd u de kaartjes te vragen voor de opera.... Zou ik ze
mogen meênemen, als u ze bij de hand heeft?