Eline Vere was de jongste der beide zusters, donkerder van haar en
oogen, slanker, minder rijk van vormen. Haar schaduwvolle, zwartbruine
blik, bij de geämberde bleekheid van haar tint en het kwijnende van
sommige heurer gebaren, gaven haar iets van een loome odàliske, die
droomde. Die schoonheid verzorgde zij zeer, als een dierbaar juweel,
dat men laat fonkelen en flonkeren, en deze aanhoudende zorg deed haar
als verlieven op wat zij bevalligs aan zich vond. Minuten lang kon zij
zich spiegelen, glimlachend met de fijne punt van den roziggenagelden
vinger de lijn van wenkbrauw en wimper streelend, zich de oogleden
een weinig amandelvormig vertrekkende, of heure bruine haren woest
om zich heen warrelende, in de houding eener schalke zingara. Haar
toilet verstrekte haar eene onophoudbare moeite, een voortdurende, zeer
ernstige overpeinzing, waarbij zich lichte kleuren met sierlijke vormen
harmonieerden tusschen het emailachtige tintelen van satijn en het in
warme schakeeringen wisselen van peluche, omwolkt door eene apotheoze
van tulle en gaas, mousseline en kant. De lichte druppel, trillende
onder de facetten van den brillant aan haar ringvinger, wekte, met
den verwelkenden geur van een sachet, eene aangename gewaarwording
van fijne weelde, iets zeer vrouwelijks en weeks in haar op.