Eenigszins droomerig en romantisch van natuur dacht zij zich soms, in
loome buien, met zekeren wellust, hare kinderjaren terug, en stapelde
zij allerlei kleine heugenissen uit dien tijd op elkaâr, als dierbare
reliquieën. Dan verfrischte en verfraaide zij, willens en wetens,
die verflauwde heugenissen met idealistisch-teêre tint. Van tijd tot
tijd zich ze weder voor den geest roepend, vergat zij wat historisch,
wat fantastisch er aan was, en kon, met stellige zekerheid, de eene
of andere nietige epizode van vroeger dagen, aldus gepoëtizeerd,
verhalen. Betsy, met practischen waarheidszin, dong aanstonds, of zij
er zeker van was of niet, op alles, wat slechts naar verheerlijking
zweemde, af, en Eline, in eene behagelijke melancholie, onderscheidde
meestal, na zulke terechtwijzingen, zoowel de eerste kiem, als de
latere fantastische bloem harer voorstelling.
Zij herinnerde zich haar vader, een schilder, een fijn-artistieken
geest, zonder kracht tot scheppen, zeer jeugdig gehuwd met een
oudere, hem overheerschende vrouw, zich gedrukt gevoelende onder
die heerschzucht, terwijl zijn fijn-bezenuwd gestel, gelijk een
edel snaarspeeltuig, getrild had onder haar te ruwe beroering,
zooals dat van Eline nu somtijds trilde onder die der zuster. Zij
herinnerde zich dien vader, met zijn tint als vergeeld ivoor en zijne
bloedelooze doorschijnende vingers, lusteloos en loom neêrliggende,
zich in de geestkracht zijns denkens plannen van groote werken
scheppend, en die van zich werpend na een eerste penseelstreek. Zij
was eenigszins zijne kleine vertrouweling geweest en zijn krachteloos
genie had in haar oogen de vlucht genomen van dat eens poëtischen,
madonna-malenden Rafaëls, met dwepende oogen en lange lokken. Hare
moeder had haar steeds een stille vrees ingeboezemd, en de herinnering
der illuzie-verdrijvende nietigheden des dagelijkschen levens, die
zich aan deze moeder meer verbond dan aan dien vader, maakte het
Eline onmogelijk haar in gedachte te idealizeeren.
Zij herinnerde zich, na den dood haars vaders, jong gestorven
in de ontevredenheid van een mislukt leven, na dien harer moeder,
plotseling door eene immer dreigende hartkwaal getroffen, hare jeugd
onder de hoede eener verweduwde tante en zachte voogdes. Ouderwetsch,
mager en recht, met treurige, regelmatige trekken, als de ruïne eener
schoone vrouw, herinnerde zij zich die voor een groote spiegelruit
vier glinsterende breinaalden, in regelmatig, beverig menuet, met twee
dorre handen, te hebben zien bewegen. Zij leefde daar in die groote
kamer, in eene zachtkens ontzenuwende en weeke welvaart, in iets
geurigs en fluweelachtigs, het mollige Deventersch onder de voeten,
een vlammend blokkenvuur in den haard, en een, met fantastische
ooievaren en scharlaken pioenrozen bekleurd, geel zijden Japansch
tochtscherm voor de deur.
De beide zusters, daar aan elkanders zijde ontwikkeld, onder de
lessen eener zelfde opvoeding, in eene zelfde omgeving, hadden
twee aan elkaâr evenwijdige gemoedslevens in zich laten ontkiemen,
wier zijden echter bij het rijpen der jeugd naar de eischen van
twee verschillende temperamenten afweken. In Eline, die, van een
loom en lymfatisch gestel, behoefte gevoelde aan teederen steun en
zachtkoesterende warmte, en wier zenuwen, fijn als de vezelen eener
bloem, zelfs in hare weeke, als met fluweel gecapitonneerde omgeving
dikwijls nog door den minsten tegenstand te ruw werden beroerd en te
hevig geprikkeld, ontwikkelde zich uit angst eene terughoudendheid,
die haar gemoed vulde met duizenden kleine grieven van heimelijk
verdriet. Overvol geworden stortte zich dit dan uit met een enkele
bruisende golf. In Betsy's volbloediger leven ontkiemde, bevorderd
door Eline's behoefte aan steun, een streven naar overheersching,
waardoor zij haar psychisch bestaan bijna geheel in het wezen der,
als was zoo ontvankelijke, zuster kon dringen, welke hierbij, na een
eersten schok, toch rust en voldoening vond. Maar noch Eline's vrees
haar fijn bezenuwd gestel te zullen wonden, noch Betsy's heerschzuchtig
egoïsme hadden ooit tot eene tragische crisis aanleiding gegeven,
daar beider scherpe omtrekken, in de zachtblauwe atmosfeer harer
omgeving, zich afstompten en wegdoezelden in een effen grijze tint.