III.

Toen, toen barstte zij los, en, door snikken onderbroken, stroomden de

klachten voort, schijnbaar zonder aanleidende oorzaak, verteederd als

zij was geworden door zijne stem en zijn oog. Het was eene onhoudbare

behoefte zich te uiten. Wat had zij aan haar leven, voor wie was

zij eenigszins van nut! De handen in elkaâr gewrongen, liep zij het

vertrek op en neêr, immer klagende, klagende. Het zou haar niets

kunnen schelen binnen een uur te sterven; alles was haar het zelfde;

alleen dat doellooze, nuttelooze bestaan, zonder iets waaraan zij

zich met hare geheele ziel kon wijden, werd haar te zwaar.

Henk sprak tegen, eenigszins verlegen met de scène, die toch niets

anders was dan eene bekende, een periodiek terugkomende scène. Hij

praatte over Betsy en Ben, hun jongen, over hemzelven; hij had het op

de lippen haar te spreken van een eigen huishouden, dat de toekomst

haar zou toebeschikken, maar iets als eene kiesche aarzeling hield

hem hiervan terug. Zij, op deze tegenwerpingen, schudde het hoofd,

een boudeerend kind gelijk, dat het verlangde niet krijgt en het

aangebodene weigert, en woest wierp zij op eens haar hoofd tegen zijn

schouder en snikte daar, een arm om zijn dikken nek geslingerd. Zoo

klaagde zij voort met lossamenhangende zinnen, in haar nervoziteit

geprikkeld door een avond eenzaam gemijmer in een overwarme kamer,

steeds terugkomende op haar doelloos leven, dat zij voortsleepte als

een vervelenden last, en er klonk iets in hare stem als verweet zij

dit alles aan hem, aan Henk, aan haar zwager. Hij, zeer verlegen,

ontroerd door de geurige warmte dier omhelzing, die hij toch niet

al te teeder mocht beantwoorden, verbrak dien hobbelenden stroom van

gebroken zinnen alleen met een paar banale troostwoorden.

Langzaam, langzaam aan, op den vollen, zachten toon zijner zware

stem, liet zij hare melancholie wegwiegelen, als eene wemeling van

rozenbladeren op een vliet.

Eindelijk zweeg zij, loosde een zucht, maar bleef met haar hoofd op

zijn schouder rusten. Nu zij bedaarder werd, vond hij het gepast, zich

wat boos te maken over haar onverstand.... Wat een lariflang was dat

toch! Wat een onzin! Wat drommels, wond ze zich toch altijd zoo op....

--Neen, Henk, waarlijk....! begon ze, en hief haar vochtigen blik

tot hem.

--Meisje, je zeurt met je doelloos leven, en al dat moois meer. Waar

haal je toch die dingen vandaan? We houden immers allemaal van je....

En, bij de herinnering zijner onuitgesproken gedachte van zoo even,

ging hij voort:

--Een jonge meid.... en dan praten van een doelloos.... Zus, je

bent dol!

Toen, als gekitteld door zijne gedachte, en bovenal meenende,

dat de filozofie genoeg geduurd had, schudde hij haar op eens met

schertsende woestheid bij heur armen, en kneep haar in den treurenden

mond. Lachend stribbelde zij tegen; de uitbarsting had in haar iets

als een verbroken evenwicht hersteld. Toen beiden eenige oogenblikken

daarna samen de trap opgingen, moest zij een schatergil onderdrukken,

daar hij haar plotseling tilde en droeg, terwijl zij, bevreesd,

dat hij zoude struikelen, half smeekte, half beval:

--Kom Henk, laat los, hoor! Wees nu niet zoo dwaas, Henk, laat los,

Henk!

Hoofdstuk III.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 13 / 188 题