II.

In de gang kreeg Eline het onbewuste gevoel van buiten de deur gezet

te zijn, dat haar, zeer vaag, onaangenaam aandeed. Den geheelen avond,

toegevende aan een gril van loomheid en verveling, had zij alleen

gezeten, en langdurige eenzaamheid deed haar spoedig melancholiek

worden, en naar een schertsend woord en het bijzijn van anderen

verlangen. Besluiteloos bleef zij een oogenblik in het donker staan,

en ging, in hare behoefte naar eenige aanspraak, tastende de trap af,

de eetkamer binnen.

Henk had zijn rok op de bank neêrgegooid, en stond zich, in vest en

hemdsmouwen, zijn traditioneelen grog klaar te maken. Heete wasem

wolkte het glas uit, terwijl hij den ketel weêr op de vuurstoof

plaatste.

--Zoo meisje! groette hij met zijn joviale stem, en innemende

goedmoedigheid speelde in zijn soezige, blauwgrijze oogen en om

zijn zwaar en blond beknevelden mond. Heb je je niet erg verveeld,

zoo geheel verlaten?

--Wel een beetje. Misschien jij nog meer? vroeg zij, hem behaagziek

toelachend.

--Ik? Wel neen. Integendeel, de tableaux waren heel aardig. Wijd

zijne beenen uit-een zettende, slurpte hij behagelijk aan zijn

gloeienden grog.

--Is de peuter stil geweest?

--Ja. Hij is niet wakker geworden. Blijf je nog op?

--Even de couranten inzien. Maar waarom ben jij nog niet naar kooi?

--Ach.... zoo maar....

Zij rekte zich weer kwijnend voor den spiegel, en wond zich, met

opgeheven armen, het loshangende haar tot eene glanzend bruine

wrong. Zij gevoelde eene behoefte hem veel en vertrouwelijk te

verhalen, zocht naar iets, maar vond in hare leêge, verdroomde

gedachte geen enkel onderwerp, geen enkele grief. Zij was gaarne in

tranen losgebarsten, in de overmaat eener, niet al te scherp vlijmende,

smart, alleen om zijne zachte, zware stem haar te hooren troosten. Maar

zij vond niets en bleef zich kwijnend rekken.

--Is er wat, hé? Hè meisje? Kom vertel eens, is er wat?

Starend schudde zij het hoofd van neen, Neen er was niets.

--Nou, maar je kan het mij gerust vertellen, hoor!

--Ach.... ik heb een beetje het land.

--Waarover?

Zij kreunde even in eene behaagzieke pruilerij.

--Ach.... ik weet niet. Ik ben wat zenuwachtig, al den heelen dag.

Hij lachte, met zijn zachten, vollen, diepen lach.

--Jij met je zenuwen! Kom, zusje, wordt nu weêr vroolijk, hé? Je

bent zoo een gezellige meid, als je wat vroolijk bent, je moet je

niet aan die buien overgeven....

Hij gevoelde, dat zijne welsprekendheid niet toereikende was om haar

dit verder te betuigen, en dus besloot hij, schertsend:

--Wil je een grogje, zus?

--Dank je.... Ja, een slok uit je glas.

Zij wendde zich tot hem, en lachende onder zijn blonde knevels,

hief hij het wasemende glas aan hare lippen. Toen zag hij door de

half gesloten oogleden een traan glinsteren, dien zij tegenhield. En

eensklaps, als besloten, zette hij zijn glas neêr, en vatte haar

de handen.

--Kom, meisje, vertel eens, daar is wat, er is wat gebeurd met Betsy,

of.... kom, anders ben je zoo vertrouwelijk met me.

En hij blikte haar verwijtend toe met zijn soezigen, dommen blik,

als van een goedigen New-Foundlander.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 12 / 188 题