Acht dagen lang hoorde Rougon reeds de misnoegdheid om hem heen zich in
steeds luider bewoordingen uiten. Men zou hem alles vergeven hebben,
zijn machtsoverschrijding, de onverzadelijke begeerten van zijn
trawanten, den zwaren druk van zijn ijzeren vuist, maar gendarmes
uit te zenden om de stroomatrassen der zusters te doorzoeken, dat was
een misdaad, zoo monsterachtig, dat de dames aan het hof rilden, als
hij voorbij ging. Monseigneur Rochart bracht de geheele officiëele
wereld in beweging; hij was zelfs bij de keizerin geweest, zei
men. Trouwens, het schandaal werd levendig gehouden door een troepje
handige lieden; dezelfde geruchten verhieven zich van alle kanten
tegelijk. Te midden van die verwoede aanvallen bleef Rougon eerst kalm
en glimlachend. Hij haalde zijn stevige schouders op, noemde het zaakje
"een dwaasheid". Hij maakte er zelfs een grapje van. Op een soirée bij
den grootzegelbewaarder, liet hij zich ontvallen: "Ik heb toch niet
verteld dat ze een pastoor in een stroozak gevonden hebben", en toen
dat gezegde bekend werd, kwam er een nieuwe uitbarsting van toorn,
dat was de goddeloosheid, de heiligschennis ten top gedreven! Toen
begon hij zich langzamerhand op te winden. Het begon hem eindelijk
te vervelen! De zusters waren dieveggen, men had immers de zilveren
braadpannen en de bekers bij haar gevonden. En hij wou de zaak nog
verder drijven, hij sprak er van dat hij de heele geestelijkheid van
Faverolles voor de rechtbank beschaamd zou doen staan.
Op een morgen, heel in de vroegte, meldden de Charbonnels zich
bij hem aan. Hij keek verbaasd op, hij wist niet dat zij in Parijs
waren. Zoodra hij ze zag, riep hij hun toe dat de zaken goed vorderden;
den vorigen avond had hij nog instructies aan den prefect gezonden
om het parket te noodzaken de zaak aan te pakken. Maar mijnheer
Charbonnel scheen zeer ontsteld en mevrouw Charbonnel riep uit:
--Neen, neen, dat niet.... U is te ver gegaan, mijnheer Rougon. U
hebt ons verkeerd begrepen.
En beiden begonnen een lofrede op de zusters der H. Familie te
houden. Zij waren heiligen. Een oogenblik hadden zij misschien aan
ze getwijfeld; maar nooit waren zij zoover gegaan om ze van leelijke
dingen te beschuldigen. Geheel Faverolles zou hun trouwens de oogen
geopend hebben, zoo hoog stonden de zusters daar in de algemeene
achting aangeschreven.
--U zou ons het grootste nadeel toebrengen, mijnheer Rougon,
zei mevrouw Charbonnel, als u voortging zoo verbitterd tegen den
godsdienst te werk te gaan. Wij zijn gekomen om u vriendelijk te
verzoeken de zaken te laten rusten.... Daarginds, ziet u, wist men
dat zoo niet! Zij dachten dat wij u aanzetten, ze zouden ons nog
gesteenigd hebben.... We hebben het klooster een ivoren crucifix
geschonken, dat boven het voeteneind van onze armen neef hing.
--Enfin, besloot mijnheer Charbonnel, u is gewaarschuwd, u moet het
verder zelf weten.... Wij bemoeien er ons niet meer mee.
Rougon liet ze praten. Zij schenen heel ontevreden op hem te zijn,
ze werden ten laatste zelfs heftig. Hij kreeg op eens een koud gevoel
in den nek. Hij keek ze aan, door een plotseling matheid bevangen,
alsof hem wederom iets van zijn kracht ontnomen was. Maar hij begon
geen woordentwist met hen. Hij zond ze heen, met de belofte dat hij
de zaak zou laten rusten. En inderdaad, zij ging in den doofpot.
Sedert eenige dagen was hij onder den indruk van een nieuw schandaal,
waarbij zijn naam genoemd werd. Een afgrijselijk drama was in Coulonges
afgespeeld. Du Poizat, die het zijn vader lastig wou maken, was op een
morgen aan de deur van den gierigaard komen aankloppen. Vijf minuten
later hoorden de buren geweerschoten in het huis, gevolgd door een
vreeselijk gejammer. Toen men binnentrad, vond men den grijsaard met
gespleten hoofd onder aan de trap liggen; twee afgeschoten geweren
lagen midden in het voorhuis. Du Poizat vertelde doodsbleek dat zijn
vader, toen hij de trap op wou gaan, plotseling als een waanzinnige
"houd den dief" geroepen en tweemaal op hem gevuurd had; hij toonde
zelfs het gat van een kogel in zijn hoed. Daarop, altijd volgens
hem, was zijn vader achterover gevallen en had zich tegen de punt
van de eerste trede het hoofd te pletter gestooten. Die tragische
dood, dat geheimzinnige drama zonder getuigen, had in het heele
departement aanleiding tot de zonderlingste praatjes gegeven. De
dokters constateerden wel een plotselingen aanval van beroerte,
maar de vijanden van den prefect beweerden niettemin dat hij den
ouden man een duw gegeven had: en het aantal van zijn vijanden wies
met den dag, dank zij zijn ruw bestuur, waaronder Niort als onder
een schrikbewind gebukt ging. Du Poizat klemde zijn tanden opeen en
balde zijn magere vuisten; wanneer hij voorbijging, was éen enkele
blik uit zijn grijze oogen voldoende om den babbelaars aan de deuren
den mond te snoeren. Maar er kwam een tweede ongeluk bij; hij zag
zich genoodzaakt Gilquin te ontslaan, die zich aan een leelijke zaak
had schuldig gemaakt; voor honderd francs nam Gilquin op zich den
boerenzoons vrijstelling van militairen dienst te bezorgen; en al
wat men doen kon, was hem voor een correctioneele straf te vrijwaren
en hem zijn ontslag te geven. Intusschen had Du Poizat krachtig op
Rougon gesteund, wiens verantwoordelijkheid hij bij iedere nieuwe
ramp grooter maakte. Hij had zeker een voorgevoel van Rougon's val,
want hij kwam in Parijs zonder hem te waarschuwen. Hij dacht er aan
een overplaatsing als prefect te vragen, ten einde een zeker ontslag
te ontkomen. Na den dood van zijn vader en de schelmenstreken van
Gilquin werd Niort voor hem onhoudbaar.
--Ik heb mijnheer Du Poizat op de faubourg Saint-Honoré ontmoet, hier
vlak bij, zei Clorinde uit boosaardigheid tot den minister. Zijt ge dan
niet meer met elkander bevriend?.... Hij schijnt nijdig op u te zijn.
Rougon ontweek een antwoord. Daar hij zich genoodzaakt gezien had
verscheidene gunsten aan den prefect te weigeren, was er langzamerhand
een groote verkoeling tusschen hen ontstaan, en onderhielden zij alleen
nog officiëele relatiën. Trouwens, de afval was algemeen. Zelfs mevrouw
Correur liet hem in den steek. Op enkele avonden kreeg hij weer die
gewaarwording van eenzaamheid, waaronder hij al vroeger geleden
had, in de rue Marbeuf, toen zijn aanhang aan hem twijfelde. Na
zijn drukke dagen, waarbij zijn salon altijd vol bezoekers was,
vond hij zich alleen. Hij miste zijn huisvrienden. Hij kreeg weer
behoefte aan de bewondering van den kolonel en mijnheer Bouchard,
aan de levenswarmte die van zijn kleine hofhouding uitging; tot zelfs
de stille aanwezigheid van mijnheer Béjuin betreurde hij nu.
Toen trachtte hij zijn volkje nog eens tot zich te trekken; hij toonde
zich vriendelijk, schreef brieven, waagde bezoeken. Maar de banden
waren verbroken; hij kon er niet in slagen ze allen weer om zich
heen te krijgen; wanneer hij het eind had vastgeknoopt, brak de draad
weer aan het andere eind. Eindelijk kwam er niet een meer. Dat was de
doodsstrijd van zijn macht. Hij, de sterke, was aan die onbeduidende
wezens gebonden door de langdurige werking van hun gemeenschappelijke
fortuin. Bij het heengaan namen zij ieder iets van hem mee. Bij die
vermindering van zijn gewichtigheid was het als werkten zijn krachten
niets uit; zijn groote vuisten sloegen in het ledig. Toen zijn schaduw
zich slechts alleen in de zon vertoonde, toen hij zich niet vetter
kon maken door het misbruiken van zijn invloed, scheen het hem toe
alsof zijn plaats op aarde kleiner was geworden; hij droomde nu van
een wederopstanding als een Jupiter Tonans, zonder trawanten aan zijn
voeten, de wet stellende enkel door de kracht van zijn woord.
Toch geloofde Rougon nog niet ernstig aan zijn val. Hij gevoelde niets
dan minachting voor die beten in zijn hielen. Hij zou heerschen, alleen
en onbemind. Daarbij vertrouwde hij nog geheel op den keizer. Zijn
lichtgeloovigheid was zijn eenige zwakheid. Telkens als hij Zijne
Majesteit zag, vond hij hem welwillend, vriendelijk, met zijn
ondoorgrondelijken glimlach; en hij hernieuwde hem de betuiging van
zijn vertrouwen, hij herhaalde de instructies die hij hem reeds vroeger
gegeven had. Dat was hem voldoende. De keizer kon er niet aan denken
hem op te offeren. Die zekerheid bracht hem tot een groot waagstuk. Om
zijn vijanden het zwijgen op te leggen en zijn macht voor goed te
bevestigen, kwam hij op de gedachte zijn ontslag in te dienen. Hij
deed dit in zeer waardige termen; hij sprak van de klachten die over
hem in omloop waren, hij zei dat hij de wenschen van den keizer stipt
nagekomen was en dat hij nu behoefte gevoelde aan Zijner Majesteits
hooge goedkeuring, voor dat hij zijn werk tot heil van den Staat
voortzette. Het hof bevond zich in Fontainebleau. Toen zijn aanvraag
om ontslag ingediend was, wachtte Rougon met de koelbloedigheid van
een goed speler. De laatste schandalen, het drama van Coulonges,
de huiszoeking bij de zusters der H. Familie, dat alles zou in het
vergeetboek geschreven worden. Mocht hij daarentegen vallen, dan wou
hij vallen op het toppunt van zijn macht, in al zijn kracht.
Juist op den dag waarop het lot van den minister beslist zou worden,
was er in de Oranjerie van de Tuileriën een fancy-fair gehouden,
ten voordeele van een bewaarschool, waarvan de keizerin beschermvrouw
was. Alle gewone bezoekers van het paleis, de geheele officiëele wereld
zou er zeker komen, om de keizerin welgevallig te zijn. Rougon besloot
er heen te gaan en zich kalm te toonen. Hij zou ze trotseeren, ze vlak
in het gelaat zien, die lui die hem schuins zouden aankijken, hij zou
zijn verachting stellen tegenover hun fluisterende opmerkingen. Tegen
drie uur gaf hij een laatste bevel aan den chef van het personeel,
toen zijn kamerdienaar hem kwam zeggen dat een heer en dame hem
dringend wenschten te spreken. Het kaartje droeg de namen van den
markies en de markiezin d'Escorailles.
De twee oudjes die de knecht, misleid door hun hoogst eenvoudige
kleeding, in de eetzaal had gelaten, stonden plechtstatig op. Rougon
haastte zich hen naar het salon te leiden, ietwat ongerust door hun
aanwezigheid. Hij drukte zijn verbazing uit over hun plotselinge reis
naar Parijs, wou zich heel vriendelijk toonen. Maar zij bleven effen
en keken onvriendelijk.
--Mijnheer, zei eindelijk de markies, u zult ons, hoop ik, den stap
niet kwalijk nemen dien wij ons genoodzaakt zien te doen.... Het
betreft onzen zoon Jules. Wij wenschten dat hij de administratie
verliet, dat u hem niet langer bij u hieldt.
En daar de minister hen met de uiterste verbazing aankeek, ging
hij voort:
--Jongelui zijn lichtzinnig. Wij hebben Jules tweemaal geschreven
om hem onze redenen uiteen te zetten, waarom wij wenschten dat hij
zijn ontslag zou nemen.... En daar hij niet gehoorzaamde, zijn wij
maar zelf gekomen. 't Is de tweede keer, mijnheer, in dertig jaar,
dat wij de reis naar Parijs ondernemen.
Toen had hij er veel tegen aan te voeren. Jules had mooie
vooruitzichten. Zij zouden zijn carrière verwoesten. Terwijl hij sprak,
gaf de markiezin blijken van ongeduld. Zij sprak nu op haar beurt,
met iets meer heftigheid:
--Mijn hemel, mijnheer Rougon, het staat niet aan ons om u te
beoordeelen. Maar er zijn zekere tradities in onze familie.... Jules
mag de hand niet leenen tot een afschuwelijke vervolging van de
Kerk. Te Plassans verbaast men zich reeds. We zouden met den geheelen
adel van het land in onaangenaamheden komen.
Hij had haar begrepen. Hij wou spreken, maar zij legde hem met een
gebiedend gebaar het zwijgen op.
--Laat mij uitspreken.... Onze zoon heeft zich tegen onzen zin met de
nieuwe dynastie verzoend. U weet hoe smartelijk het ons aandeed hem
een onwettig bestuur te zien dienen. Ik heb zijn vader weerhouden
hem te vloeken. Sedert dien tijd is ons huis in rouw gedompeld en
wanneer wij vrienden ontvangen, wordt de naam van onzen zoon niet
genoemd. Wij hadden gezworen ons niet meer met hem te bemoeien, maar
er zijn grenzen, wij mogen niet dulden dat een d'Escorailles gemeene
zaak maakt met de vijanden van onzen heiligen godsdienst. U begrijpt
mij zeker wel, mijnheer Rougon?
Rougon boog. Hij dacht er niet aan te lachen om de vrome leugens van
de oude dame. Hij vond den markies en de markiezin terug zooals hij ze
gekend had, in den tijd dat hij honger leed in de straten van Plassans,
hooghartig, trotsch en onbeschaamd. Wanneer anderen hem zoo hadden
durven toespreken, zou hij ze zeker de deur gewezen hebben. Maar hij
voelde zich klein; zijn armoedige jeugd kwam hem weer voor den geest;
een oogenblik meende hij nog zijn scheefgeloopen laarzen aan de voeten
te hebben. Hij beloofde Jules te overreden. Daarop voegde hij er bij,
zinspelend op het antwoord dat hij van den keizer verwachtte:
--Trouwens, uw zoon zal u misschien van avond reeds teruggegeven
worden.
Toen hij weer alleen was, voelde Rougon zich beklemd. Die oude
lieden hadden zijn koelbloedigheid geschokt. Nu aarzelde hij naar die
liefdadigheidsbazaar te gaan, waar iedereen zijn ontroering op zijn
gelaat kon lezen. Maar weldra schaamde hij zich voor die kinderachtige
vrees. En hij ging heen, zijn weg door het kabinet nemend. Hij vroeg
aan Merle of er niets voor hem gekomen was.
--Neen, Excellentie, antwoordde de bode, die sedert den morgen op
den loer scheen te staan, op een meewarigen toon.
De Oranjerie der Tuileriën waar de bazaar gehouden werd, was voor
die gelegenheid weelderig ingericht. Behangsel van rood fluweel met
gouden franje onttrok de muren aan het oog en herschiep de groote,
kale galerij in een hooge feestzaal. Aan een der uiteinden, links,
scheidde een kolossaal gordijn, eveneens van rood fluweel, een gedeelte
van de galerij als een zijvertrek af; dit gordijn was opgenomen door
embrasses met groote gouden kwasten, en door de wijde opening kwam men
uit de groote zaal, waar de kraampjes waren opgesteld, in de kleinere
ruimte, waarin het buffet geplaatst was. Men had den grond met fijn
zand bestrooid. Majolica potten vormden in iederen hoek boschjes
van groene planten. Op het midden van het vierkant door de kraampjes
gevormd, bood een cirkelronde fluweelen pouf gemakkelijke zitplaatsen
aan, terwijl zich uit het midden van den pouf een kolossale bloementuil
verhief, een dikke bundel stengels, waartusschen rozen, anjelieren,
verbena's, als een regen van schitterende druppels neervallend. En
voor de openstaande glazen deuren op het terras aan den waterkant,
bekeken de bedienden, in zwarte rokken gekleed, met een ernstig
gezicht de kaarten der genoodigden. De dames-patronessen verwachtten
tegen vier uur de eerste bezoekers. In de groote zaal stonden zij
achter haar toonbanken de koopers af te wachten. Op de lange, met
rood laken bekleede tafels lagen de koopwaren uitgestald; er waren
verscheidene toonbanken met Parijsche luxe-artikelen en met Chineesche
kunstvoorwerpen, twee winkels met kinderspeelgoed, een bloemenkiosk
vol rozen, en eindelijk een draaibord onder een tent, als op een
boerenkermis. De verkoopsters, gedecolleteerd en in avondtoillet,
waren vleiend als echte koopvrouwen, glimlachten als modistes die een
ouderwetschen hoed verkoopen, prezen haar artikelen aan zonder dat zij
er verstand van hadden; en tot dat winkeljuffrouwtje spelen leenden
zij zich met zenuwachtige lachjes, gekitteld door al die handen,
die onder het koopen de hare aanraakten. Een prinses stond in een
speelgoedkraam; aan de overzij verkocht een markiezin portemonnaies
van vijftien stuivers, die zij niet onder twintig francs losliet,
twee mededingsters, die den triomf van haar schoonheid afmeten naar
de hoegrootheid van haar ontvangst; zij klampten de bezoekers aan,
riepen de mannen, vroegen onbeschaamde prijzen, en na een loven en
bieden als bij inhalige slagersvrouwen, gaven zij, om de lui tot
groote aankoopen te decideeren, een handdrukje of een kijkje in
haar wijdgeopend keurslijf op den koop toe. De liefdadigheid bleef
het voorwendsel. Langzamerhand liep de zaal vol. Heeren bleven kalm
stilstaan en bekeken de verkoopsters, alsof zij deel uitmaakten van de
uitstalling. Voor sommige kraampjes verdrongen zich elegante jongelui;
zij grinnikten en maakte guitige zinspelingen op hun inkoopen,
terwijl de dames, onuitputtelijk in welwillendheid van den een naar
den ander gingen en met een allerliefsten glimlach haar koopwaren
aanprezen. Vier uren in zoo'n drukte door te brengen is een genot.
Er was een leven als op een veiling, daartusschen een helder gelach en
het doffe kraken van het zand onder de voetstappen. De roode behangsels
temperden het helle licht van de hooge vensters, verspreidden een
rooden gloed, die een rose tint op de ontbloote schouders deed
schitteren. En tusschen het publiek liepen zes andere dames, een
barones, twee bankiersdochters en drie vrouwen van hooggeplaatste
ambtenaren, met lichte mandjes om den hals gehangen, en snelden
iederen nieuwen bezoeker te gemoet met sigaren en lucifers.
Mevrouw de Combelot had vooral veel succès. Zij verkocht ruikertjes
in de met rozen gevulde kiosk, een met uitsnijwerk en verguldsel
versierd chalet, veel gelijkende op een groote vogelkooi. Zelf geheel
in het rose, een zachtrose huidtint, die haar naaktheid boven het laag
uitgesneden keurslijf verder voortzette, tusschen de twee borsten niets
anders dragend dan het ruikertje viooltjes, dat door alle verkoopsters
gedragen werd, was zij op het denkbeeld gekomen om haar ruikertjes als
een echte bloemenverkoopster voor de oogen van het publiek te maken:
een roos, een knop, drie blaadjes, die zij tusschen haar vingers
ineendraaide, terwijl zij het einde van den draad tusschen haar tanden
vasthield, en die zij voor een tot tien louis verkocht, naar gelang van
het uiterlijk der heeren. En men betwistte elkander haar ruikertjes,
ze kon aan alle aanvragen niet voldoen; zij prikte zich nu en dan
van de haast in den vinger en zoog dan snel de bloeddruppels op.
Tegenover haar, in de linnen tent, stond mevrouw Bouchard bij het
draaibord. Zij droeg een keurig blauw boerinnen-kostuum met hoog lijf
en een keurslijf bij wijze van fichu, bijna een vermomming, om geheel
het voorkomen te hebben van een oblie-koopvrouw. Daarbij lispelde zij
allerliefst en gaf zich een alleraardigst air van onnoozelheid. Op
het draaibord lagen de prijzen, afschuwelijke prullen van vijf of zes
stuivers, glaswerk, porcelein of marokijnwaar; en de wijzer kraste
tegen de koperen draden en het bord draaide met de prijzen rond, met
een geraas als van brekend vaatwerk. Om de twee minuten, wanneer er
geen spelers waren, zei mevrouw Bouchard met haar onschuldig stemmetje,
alsof zij zoo pas van haar dorpje kwam:
--Twintig sous een keer, heeren.... Toe, heeren, draai ereis rond....
Het afgeschoten vertrek, waar ververschingen verkrijgbaar waren,
was eveneens met zand bestrooid, in de hoeken met groene planten
versierd, en van ronde tafeltjes en rieten stoelen voorzien. Men
had gepoogd een echt café na te bootsen, om de zaak pikanter te
maken. Achterin, aan de monumentale toonbank, zaten drie dames; zij
wachtten op de bestellingen der bezoekers, en maakten intusschen een
druk gebruik van haar waaiers. Likeurkaraffen, schalen met taartjes en
sandwiches, bonbons, sigaren en cigaretten stonden daar uitgestald als
op een publiek bal. Nu en dan stond de middelste dame, een levendige
brunette, op om een glaasje in te schenken, zij kon zich niet roeren
tusschen dien overvloed van karaffen en manoeuvreerde met haar bloote
armen op gevaar af van alles te breken. Maar Clorinde heerschte
aan het buffet. Zij bediende het publiek aan de tafeltjes. Zij
leek wel Juno als kellnerin. Zij droeg een geelsatijnen japon,
met zwartsatijnen biezen afgezet, verblindend, buitengewoon, als
een ster waarvan de sleep op den staart van een komeet geleek. Zeer
laag gedecolleteerd, liep zij in statige houding tusschen de rieten
stoelen door, glazen bier op een witmetalen blad ronddragend met de
kalmte van een godin. Zij streek met haar bloote ellebogen langs de
schouders der heeren, bukte zich, met haar laag uitgesneden keurslijf
om orders op te nemen, gaf ieder antwoord, glimlachend, zonder zich
te overhaasten. Wanneer het bestelde gebruikt was, ontving zij in
haar mooie hand de zilverstukjes en de stuivers, die zij met een
gebaar, alsof zij met dat werk reeds vertrouwd was, in een taschje
liet glijden, dat aan haar ceintuur hing. Intusschen waren mijnheer
Kahn en mijnheer Béjuin gaan zitten. De eerste klopte voor de grap
op het zinken tafelblad en riep:
--Mevrouw, twee bier!
Zij kwam, bracht de twee glazen bier en bleef daar even staan rusten,
daar er bijna geen bezoekers waren. Verstrooid veegde zij met haar
kanten zakdoek haar vingers af, die nat van het bier waren. Mijnheer
Kahn merkte een bijzonderen gloed in haar oogen op, een zegevierende
uitdrukking op haar gelaat. Hij keek haar aan en vroeg:
--Wanneer zijt ge van Fontainebleau teruggekomen?
--Van morgen, antwoordde zij.
--En hebt ge den keizer gezien, wat weet ge voor nieuws?
Zij glimlachte even, kneep haar lippen samen met een raadselachtige
uitdrukking op haar gelaat, en keek hem op haar beurt aan. Toen zag
hij, dat zij een zonderling sieraad droeg, dat hij haar nooit had
aan zien hebben. Om haar hals droeg zij een hondenhalsband van zwart
fluweel, met gesp, ring en belletje, een gouden belletje waarin een
fijne parel klingelde. Op den halsband stonden in diamanten letters
twee dooreengewerkte namen. Aan den ring hing een zware gouden ketting
op haar borst neer, die werd opgehouden door een gouden plaatje,
aan den rechterarm bevestigd, waarop te lezen stond: Ik behoor mijn
meester toe.
--Zeker een cadeau? mompelde mijnheer Kahn, op het kleinood wijzend.
Zij knikte van ja, de lippen tot een fijn, sensueel lachje
geplooid. Zij had die lijfeigenschap gewenscht. Zij praalde er met
een schaamteloosheid mee, die haar boven een gewonen misstap verhief,
gevierd door de keuze van een vorst, benijd door allen. Toen zij zich
vertoonde met den band om den hals, waarop de scherpziende oogen
der mededingsters een doorluchtigen voornaam met den haren meenden
vermengd te zien, hadden alle vrouwen het begrepen; zij wisselden
oogwenkjes, alsof zij zeggen wilden: 't Is dus een feit! Sedert een
maand sprak de officiëele wereld over dat avontuur, verwachtte die
ontknooping. En 't was inderdaad een feit, zij zelve verkondigde het
luid, ze droeg het op haar hals geschreven. Indien men geloof mocht
hechten aan wat er gefluisterd werd, dan had zij op vijftienjarigen
leeftijd voor de eerste maal met een koetsier in een stal op een bos
stroo geslapen. Later had zij gerust in andere bedden, van bankiers,
ambtenaren, ministers, steeds hooger stijgende, haar fortuin in
elk dier nachten grooter makend. En van alkoof tot alkoof, van het
eene nachtkwartier tot het andere, had zij bij wijze van apotheose,
als een laatste uiting van trots, haar mooi verstandig hoofd op het
keizerlijke hoofdkussen gelegd.
--Mevrouw, een glas bier, alsjeblieft! vroeg een dikke gedecoreerde
heer, een generaal, die haar glimlachend aankeek.
En toen zij het glas bier gebracht had, werd zij door twee
afgevaardigden geroepen.
--Twee glazen chartreuse, alsjeblieft!
Een stroom van bezoekers kwam binnen, van alle kanten klonken de
bestellingen, grogjes, anisette, limonade, taartjes, cigaren. De mannen
keken haar oplettend aan en fluisterden elkander gretig het praatje
toe, dat over haar de ronde deed. En als die kellnerin, die 's morgens
uit de armen van den keizer was gekomen, haar hand uitstrekte om hun
geld te ontvangen, schenen zij iets van die vorstelijke liefde aan
haar te zoeken. Zij keerde zonder eenige verwarring te doen blijken
langzaam haar hals om, teneinde haar hondenhalsband te laten zien,
waaraan de dikke gouden ketting rinkelde. Dat was nog iets pikants er
bij, ieders dienstbare te zijn wanneer men voor een nacht koningin
is geweest, om de tafeltjes van een nagebootst café tusschen de
citroenschijfjes en de koekkruimels door, met voeten rond te wandelen,
die door een doorluchtigen knevel hartstochtelijk gekust waren.
--'t Is vermakelijk, zei ze, weer bij mijnheer Kahn terugkomend. Ze
houden me, op mijn woord, voor een gemeene meid! Een heeft er me
zelfs geknepen, geloof ik. Ik heb maar niets gezegd. Och, waarvoor
ook?.... 't Is voor de armen, nietwaar?
Mijnheer Kahn gaf haar een knipoogje dat zij zich bukken zou, en heel
zacht vroeg hij:
--Dus, Rougon?....
--Sst, dadelijk, antwoordde zij eveneens fluisterend. Ik heb hem een
uitnoodigingskaart met mijn naam gestuurd. Ik verwacht hem.
En toen mijnheer Kahn twijfelachtig het hoofd schudde, voegde zij er
levendig bij:
--Ja, ja, ik ken hem, hij zal komen.... Trouwens, hij weet niets.
Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin begonnen toen naar Rougon uit te
kijken. Ze hadden het uitzicht op de groote zaal, door de wijde opening
der gordijnen. Het werd er steeds voller. Heeren, met de beenen over
elkander gekruist, lagen achterover geleund tegen den cirkelronden
pouf, en sloten droomerig de oogen, terwijl een onafgebroken stroom
van bezoekers langs hun uitgestrekte beenen heen liep en er bijna
over struikelde. De warmte werd hinderlijk. En boven het gonzend
gedruis klonk het krassend geluid van het draaibord als een ratel.
Mevrouw Correur, die juist aankwam, ging langzaam de kraampjes langs;
zij droeg een wit en mauve gestreept zwartzijden kostuum, waaronder
haar armen en schouders rosachtige vetkussentjes leken. Zij keek
bedachtzaam rond, als een klant die een voordeelig koopje hoopt te
doen. Gewoonlijk zei zij dat men er uitmuntende koopjes vond, op
die liefdadigheidsbazaars, die arme dames hadden zoo weinig verstand
van haar koopwaren. Maar zij kocht nooit bij haar kennissen onder de
verkoopsters; die "pekelden" hun vrienden te veel. Toen zij de zaal
om geweest was, alles opnemende, besnuffelende en weer neerleggende,
kwam zij terug voor een kraampje van marokijnwerk, waarvoor zij meer
dan tien minuten staan bleef, om met een besluiteloos gezicht de heele
etalage te monsteren. Eindelijk nam zij achteloos een juchtleeren
portefeuille in haar hand, waarop zij al langer dan een kwartier het
oog gehad had.
--Hoeveel? vroeg zij.
De verkoopster, een lange jonge blondine, die met twee heeren stond
te schertsen, keerde zich ternauwernood om en antwoordde:
--Vijftien francs.
De portefeuille was er minstens twintig waard. De dames, die onder
elkander wijdijverden om de heeren buitensporige prijzen te laten
betalen, verkochten gewoonlijk uit een soort van vrijmetselarij aan
vrouwen tegen inkoopsprijs. Maar mevrouw Correur legde de portefeuille
met een verschrikt gezicht op de toonbank neer en mompelde:
--O, dat is te duur. 't Is maar voor een cadeautje. Ik geef er tien
francs voor, meer niet. Hebt u niet iets liefs voor tien francs?
En zij haalde opnieuw de etalage onderste boven. Niets beviel
haar. Och hemel! was die portefeuille nu maar zoo duur niet! Zij nam
ze weer ter hand, stak haar neus in de zakjes. De verkoopster werd
ongeduldig en was bereid ze haar voor veertien, toen voor twaalf
francs te laten. Neen, neen, dat was nog te duur. En zij kreeg ze
voor elf francs, na een vreeselijk geknibbel. De lange blondine zei:
--Ik verkoop graag.... Alle vrouwen bieden, er is er niet een die
koopt.... O, als we de heeren niet hadden!
Mevrouw Correur vond tot haar groote blijdschap in de portefeuille een
etiketje, waarop de prijs, vijf en twintig francs, genoteerd stond. Ze
snuffelde nog wat rond en ging ten slotte achter het draaibord staan,
naast mevrouw Bouchard. Zij noemde haar "liefje", en streek de lokjes
op haar voorhoofd terecht.
--Kijk, daar is de kolonel! zei mijnheer Kahn, die nog steeds, aan
zijn tafeltje gezeten, de binnenkomende bezoekers bespiedde.
De kolonel kwam omdat hij niet anders kon. Hij hoopte er met een louis
af te komen, en dat ging hem al genoeg aan het hart. Aan de deur werd
hij reeds bestormd door drie of vier dames, die als om strijd riepen:
--Mijnheer, koopt u een sigaar van mij.... Mijnheer, een doosje
lucifers....
Hij glimlachte en maakte zich met een beleefd woordje van ze
af. Vervolgens ging hij eens poolshoogte nemen, en daar hij hoe eer
hoe liever zijn schuld betalen wou, hield hij stil bij een kraampje,
waarin een dame stond, die zeer gezien was aan het hof; daar vroeg
hij naar een zeer leelijken sigarenkoker. Vijf en zeventig francs! Hij
kon een gebaar van schrik niet weerhouden; hij wierp den koker weg en
maakte dat hij wegkwam; terwijl de dame gekrenkt het hoofd omwendde,
alsof hij haar persoonlijk iets onbehoorlijks had gedaan. Toen ging
hij, om onaangename aanmerkingen te voorkomen, naar de kiosk waar
mevrouw de Combelot nog steeds haar ruikertjes ineendraaide. Die
ruikertjes zouden zeker niet duur zijn. Uit voorzichtigheid wou hij
zelfs geen ruiker nemen, begrijpende dat de bloemenverkoopster een
te hoogen prijs voor haar werk zou vragen. Hij koos uit den stapel
rozen den dunsten en de minst ontloken knop, en zijn portemonnaie
voor den dag halend, vroeg hij hoffelijk:
--Mevrouw, hoeveel kost die bloem?
--Honderd francs, mijnheer, antwoordde de dame, die zijn manier van
doen had opgemerkt.
Hij stotterde, zijn handen beefden. Maar ditmaal was het onmogelijk
terug te treden. Er stonden menschen om hem heen, men keek naar
hem. Hij betaalde en zijn toevlucht naar de koffiekamer nemende,
ging hij aan het tafeltje van mijnheer Kahn zitten, en mompelde:
--'t Is een afzetterij, een afpersing....
--Hebt ge Rougon niet in de zaal gezien? vroeg mijnheer Kahn.
De kolonel antwoordde niet. Hij wierp van verre woedende blikken op de
verkoopsters. En toen mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette
vroolijk lachend voor een kraampje stonden, mompelde hij binnensmonds:
--Dat dank je de drommel, die jongelui hebben pret.... Zij krijgen
altijd waar van hun geld.
Mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette amuseerden zich
inderdaad uitstekend. De dames betwistten ze aan elkander. Zoodra zij
binnentraden, werden de armen naar hen uitgestoken, rechts en links,
overal klonken hun namen.
--Mijnheer d'Escorailles, u weet wat u me beloofd hebt.... Kom mijnheer
La Rouquette, koop een stokpaardje bij me. Niet? Dan een pop. Ja,
ja, een pop, die moet u hebben!
Zij gaven elkaar een arm, om elkaar te beschermen, zeiden zij
lachend. Zij gingen door de zaal, stralend, opgetogen, te midden
van die bestorming van rokken, de warme liefkoozing van de lieve
stemmen. Nu en dan verdwenen zij, verzwolgen onder de naakte
boezems, waartegen zij zich met uitroepen van afgrijzen trachtten te
verdedigen. En bij ieder kraampje lieten zij zich zoo'n lief geweld
aandoen. Daarop hielden zij zich gierig, en gaven op een komische
wijze lucht aan hun ontzetting. Een pop van een stuiver voor een
louis, dat konden zij zich niet permitteeren! Drie potlooden van twee
louis, men wou ze dus doodarm maken! 't Was allergrappigst. De dames
maakten een zacht kirrend geluid, als de tonen een fluit. Ze werden
begeerig, vroegen het drie-, viervoudige van den prijs. Zij gaven
de heeren aan elkander over en hier en daar klonk het: "Ik zal die
twee eens beetnemen.... Dat zijn een paar goede om af te zetten....",
wat de heeren heel goed hoorden en waarop ze met grappige buigingen
antwoordden. Achter hun rug pochten de dames op hun succès; maar de
meest benijde was een achttienjarig juffertje, dat een pijp zegellak
voor drie louis verkocht had. Aan het einde der zaal, waar een
verkoopster hem met alle geweld een doos zeep in den zak wou steken,
riep mijnheer d'Escorailles:
--Ik heb geen cent meer. Wil ik een wissel voor u teekenen?
Hij keerde zijn geopende portemonnaie om, en de dame vergat zich in
haar ijver zoozeer dat zij de portemonnaie uit zijn hand nam en ze
doorzocht. En zij keek den jongen man aan, ze scheen op het punt hem
zijn horlogeketting te vragen.
't Was een grap. Mijnheer d'Escorailles nam altijd voor de aardigheid
een leege portemonnaie op zulke bazaars mee.
--Kom mee, zei hij, mijnheer La Rouquette meetroonend, ik word het beu,
hè? Wij zullen trachten weer wat op ons verhaal te komen.
En toen zij voorbij het draaibord gingen, riep mevrouw Bouchard:
--Twintig sous per keer, heeren.... Draai ereis rond!
Zij traden naderbij en deden alsof zij haar niet verstaan hadden.
--Hoeveel kost een keer, koopvrouw?
--Twintig sous, heeren.
Daar begon het gelach opnieuw. Maar mevrouw Bouchard, in haar blauw
boerinnenpakje, bleef onschuldig kijken, en zette een gezicht alsof
zij de heeren volstrekt niet kende. Toen bleef het bord een kwartier
lang ronddraaien, zonder rustpoos. Zij losten elkander af. Mijnheer
d'Escorailles won twee dozijn eierdopjes, drie zakspiegeltjes, zeven
biscuitbeeldjes, vijf cigarettenkokers. Mijnheer La Rouquette kreeg
voor zijn aandeel twee pakjes kant, een porceleinen vaasje op een
verguld zinken voet, glazen, een blaker, een toiletdoos. Mevrouw
Bouchard riep met een benepen gezicht:
--Neen maar, u is al te gelukkig! Ik speel niet meer.... Hier, neem
uw prijzen mee.
Ze had ze op een tafel gelegd, in twee stapels. Mijnheer La Rouquette
stond er versteld van. Hij vroeg of hij zijn stapel mocht ruilen
voor het ruikertje viooltjes, dat zij in haar kapsel droeg. Maar
zij weigerde.
--Neen, neen, u hebt het gewonnen, niet waar? Nu, dan moet ge het
ook meenemen.
--Mevrouw heeft gelijk, zei mijnheer d'Escorailles ernstig.
Men moet de fortuin den rug niet toedraaien, en de drommel haal me
als ik éen eierdopje laat staan!....
Hij had zijn zakdoek uitgespreid en pakte er alles netjes in. Er
ontstond een nieuwe uitbarsting van vroolijkheid. De verlegenheid
van mijnheer La Rouquette was al even vermakelijk. Toen kwam mevrouw
Correur, die tot dusverre als een waardige matrone zich glimlachend
op den achtergrond had gehouden, met haar dik, blozend gelaat voor
den dag. Zij wou wel ruilen, zei ze.
--Neen, ik wil niets, haastte de jonge afgevaardigde zich te
zeggen. Neem alles, ik geef u alles.
Maar zij gingen niet heen, ze bleven nog een oogenblik. Nu richtten
zij zachtjes aardigheden van een twijfelachtig allooi tot mevrouw
Bouchard. Als men haar zag, geraakten de hoofden nog meer aan het
draaien dan haar draaibord. Wat won men bij haar aardig spel? Dat
was wel zoo amusant als alle vogels vliegen; en ze wilden voor dat
spelletje allerlei aardige inzetten geven. Mevrouw Bouchard sloeg de
oogen neer en lachte als een onnoozel gansje, zij wiegelde zachtjes op
haar heupen, als een boerinnetje dat door heeren in de maling wordt
genomen, terwijl mevrouw Correur er opgetogen bij stond en met het
verrukte gezicht van een kenster uitriep:
--Wat is ze toch snoezig!
Maar mevrouw Bouchard gaf mijnheer d'Escorailles tenslotte een tikje op
de handen, toen hij het mechaniek van het draaibord wou onderzoeken,
onder voorwendsel dat zij valsch speelde. Wilden de heeren haar wel
eens met rust laten! En toen zij ze weggezonden had, hernam zij weer
op lokkenden toon:
--Komaan, heeren, twintig sous per keer. Een keer maar, heeren!
Op dit oogenblik ging mijnheer Kahn, die opgestaan was om over de
hoofden heen te kijken, weer haastig zitten, terwijl hij mompelde:
--Daar is Rougon.... Niets laten merken, hoor!
Rougon ging langzaam de zaal door. Hij bleef staan, draaide aan
het bord van mevrouw Bouchard, betaalde drie louis voor een roosje
van mevrouw de Combelot. Toen hij aldus geofferd had, scheen hij
onmiddellijk weer heen te willen gaan. Hij begaf zich reeds naar
een deur, maar plotseling, nadat hij een blik in de koffiekamer
had geworpen, ging hij dien kant uit, met opgeheven hoofd, kalm
en trotsch. Mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette waren
bij mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin en den kolonel gaan zitten; ook
mijnheer Bouchard had zich bij het groepje gevoegd. En al die heeren
voelden, toen de minister langs hen heen ging, een lichte huivering,
zoo groot en forsch gebouwd leek hij hun toe. Hij had ze uit de hoogte
een vertrouwelijk knikje gegeven. Hij ging aan een naburig tafeltje
zitten. Zijn breed gezicht keerde zich links en rechts, alsof hij de
blikken, die hij op hem voelde rusten, wilde trotseeren.
Clorinde was naderbij gekomen, haar geel kostuum als een koningin
achter zich aan slepend. Zij vroeg hem, op een vulgairen toon, waarin
een zweempje spotternij klonk:
--Wat blieft mijnheer?
--Ah zoo, zei hij vroolijk. Ik drink nooit iets.... Wat hebt u?
Toen somde ze hem allerlei likeuren op: fine champagne, rum, curaçao,
kirsch, chartreuse, anisette, vespetro, kummel.
--Neen, neen, geef me een glas suikerwater.
Zij ging naar het buffet en bracht het glas suikerwater, altijd met
haar majestueuse houding. En zij bleef voor Rougon staan en zag toe
hoe hij zijn suikerwater roerde. Hij bleef glimlachen en sprak een
paar onbeteekenende woorden.
--Maakt ge het goed?.... Ik heb u in geen eeuw gezien.
--Ik was op Fontainebleau, antwoordde zij eenvoudig.
Hij keek op en wierp haar een doordringenden blik toe. Maar zij
ondervroeg hem op haar beurt.
--En zijt ge tevreden? Gaat alles naar wensch?
--O, uitstekend, zei hij.
--Komaan, des te beter!
En zij draaide om hem heen, met de oplettendheden van een
kellner. Zij keek hem aan met een boosaardige flikkering in haar
oogen, alsof ze ieder oogenblik gereed stond om haar zegepraal uit
te flappen. Eindelijk besloot zij reeds hem te verlaten, toen zij op
de teenen ging staan om in de zaal te zien. Daarop tikte zij hem op
den schouder.
--Ik geloof dat men u zoekt, hernam zij, met een opgewekt gezicht.
Merle kwam inderdaad eerbiedig nader, tusschen de tafels en de
stoelen van het buffet door. Hij maakte drie buigingen achtereen en
verzocht Zijn Excellentie hem niet kwalijk te nemen, maar men had
na het vertrek van Zijn Excellentie den brief gebracht, dien Zijn
Excellentie 's morgens misschien al verwacht had. En ofschoon hij
daaromtrent geen opdracht had gekregen, had hij gemeend....
--Al wel, geef maar hier, viel Rougon hem in de rede.
De bode reikte hem een groote enveloppe over en ging wat in de
zaal rondloopen. Rougon had met een oogopslag de hand herkend; het
was een eigenhandig schrijven van den keizer, in antwoord op zijn
aanvraag om ontslag. Een koud zweet brak hem uit, maar hij verbleekte
niet. Hij stak den brief bedaard in den binnenzak van zijn overjas,
zonder de blikken af te wenden van mijnheer Kahn en diens vrienden,
aan wie Clorinde enkele woorden had toegefluisterd. De geheele bende
loerde nu op hem, verloor geen enkele zijner bewegingen uit het oog,
in een koortsachtige nieuwsgierigheid.
De jonge vrouw had zich weer voor hem geplaatst. Rougon dronk eindelijk
zijn glas suikerwater half leeg en zocht naar een vleiend gezegde.
--U ziet er vandaag bijzonder mooi uit. Als koninginnen zich tot
dienstbaren maakten....
Zij viel hem midden in zijn complimentje in de rede en zei met haar
gewone vrijmoedigheid:
--Leest u hem niet?
Hij deed alsof hij het geheel vergeten was. En toen, alsof hij zich
plotseling herinnerde:
--O ja, die brief.... Ik zal hem lezen, als het u genoegen doet.
En met een pennemes sneed hij de enveloppe door, heel zorgvuldig. Met
een enkelen blik had hij de weinige regels doorloopen. De keizer
nam zijn ontslag aan. Meer dan een minuut hield hij het papier
voor zijn gezicht, als om het te herlezen. Hij was bang dat hij
zijn gelaat niet in bedwang zou kunnen houden. Zijn gansche kracht
kwam in opstand, wilde dien val niet aannemen, een rilling ging
hem door merg en been, als hij zich niet met inspanning van alle
krachten daartegen verzet had, zou hij het uitgeschreeuwd, met
zijn vuist op de tafel gebeukt hebben. Steeds starend op den brief,
zag hij den keizer weer zooals hij hem te Saint-Cloud gezien had,
met zijn weeke stem, zijn onveranderlijken glimlach, terwijl hij
hem bij hernieuwing van zijn vertrouwen verzekerde, de vroeger
gegeven instructies bekrachtigde. Hoe lang moest die gedachte aan
zijn ongenade achter dat omsluierd gelaat gezeteld hebben, om hem
zoo plotseling, in éen nacht, terneer te werpen, na hem wel twintig
malen in zijn macht gehandhaafd te hebben? Eindelijk bedwong Rougon
zich, met een uiterste krachtsinspanning. Hij hief zijn gelaat op,
waarin geen enkele trek bewoog; met een onverschillig gebaar stak
hij den brief weer in zijn zak. Maar Clorinde was met beide handen
op het tafeltje komen leunen. Zij boog zich voorover en met trillende
mondhoeken mompelde zij:
--Ik wist het. Ik was er van morgen nog.... Arme vriend!
En zij beklaagde hem met zulk een wreede spotternij, dat hij haar
nogmaals in de oogen keek. Zij veinsde trouwens niet meer. Zij had nu
dat genot, waarop zij maandenlang gewacht had, en zonder overijling,
zin voor zin, smaakte zij het genoegen zich eindelijk aan hem als
een onverzoenlijke, gewroken vijandin te doen kennen.
--Ik heb u niet kunnen verdedigen, ging zij voort. Ge weet zeker
niet....
Zij voleindigde niet. Toen vroeg zij, op scherpen toon:
--Raad eens wie u aan Binnenlandsche Zaken vervangt?
Hij maakte een gebaar alsof het hem niet schelen kon. Maar zij bleef
hem onafgewend aan zien en zei ten slotte deze twee woorden:
--Mijn man!
Rougon, wiens keel droog was, dronk nog een teug suikerwater. In
die paar woorden had zij alles gelegd, haar toorn dat zij vroeger
versmaad was geworden, haar wraakplannen met zooveel kunst overlegd,
haar vreugde als vrouw, dat zij een man van zoo'n kracht verslagen
had. Toen gaf zij zich het genoegen hem te kwellen, misbruik van haar
overwinning te maken, zij legde nadruk op de kwetsende zijden van het
geval. Mijn hemel, haar man was volstrekt geen hoogvlieger, dat bekende
zij volmondig, zij spotte er zelfs mee; zij gaf te kennen dat de eerste
de beste voldoende was geweest, dat zij evengoed den bode Merle tot
minister kon laten benoemen, als zij er lust in had gehad. Ja, den
bode Merle, den eerste den besten domoor, onverschillig wien: Rougon
zou een waardigen opvolger gehad hebben. Dat bewees de almacht van de
vrouw. En daarop sloeg zij een beschermenden, moederlijken toon aan,
ze deelde goeden raad uit.
--Ziet ge, mijn waarde, ik heb het u dikwijls gezegd, ge handelt
verkeerd, de vrouwen te minachten. Neen, de vrouwen zijn zoo dom niet
als gij denkt. Dat maakte me altijd boos, als ik hoorde dat ge ons
uitmaakt voor dwazen, lastige meubels, weet ik het, blokken aan het
been.... En mijn man, zie daar eens naar! Ben ik soms voor hem een blok
aan het been geweest?.... Kijk, dat had ik u eens willen toonen. Ik
had me daarop willen vergasten, van af den dag waarop we dat gesprek
hielden, weet ge nog wel? Ge hebt het nu gezien, nietwaar? Nu daarom
toch even goede vrienden, hoor.... Ge zijt heel sterk, mijn waarde,
maar onthoud éen ding: als een vrouw zich de moeite wil geven om zich
tegen u te stellen, trekt gij altijd aan het kortste eind.
Rougon glimlachte ietwat bleek.
--Ja, ge hebt misschien gelijk, zei hij langzaam, terwijl de
geheele geschiedenis hem weer voor den geest kwam. Ik had enkel mijn
kracht. Gij hadt....
-- Ik had wat anders, te drommel! eindigde zij met een vrijmoedigheid
die bijna grootheid werd, zoo hoog stelde zij zich in haar minachting
voor de convenances.
Er kwam geen klacht over zijn lippen. Zij had hem kracht ontnomen om
hem te overwinnen; zoo keerde zij de lessen, die zij als een volgzame
leerling in de rue Marbeuf van hem gekregen had, als een wapen tegen
hem. Dat was een ondankbaarheid, een verraad, waarvan hij als een
man van ondervinding, de bitterheid zonder walging indronk. Alleen
wenschte hij bij deze ontknooping te weten of hij haar nu eindelijk
geheel kende. Hij herinnerde zich zijn oude pogingen om het geheime
raderwerk van die prachtige en toch defecte machine te leeren
kennen. De domheid van de mannen was toch werkelijk groot.
Tweemaal was Clorinde even weggegaan om een bestelling uit te
voeren. Daarna hervatte zij haar plechtstatige wandeling tusschen de
tafeltjes, terwijl zij veinsde zich niet meer met hem te bemoeien. Hij
keek haar na; hij zag hoe zij op een heer met een grooten baard
toetrad, een vreemdeling wiens buitensporige verkwistingen Parijs in
opschudding brachten. Hij dronk juist zijn glaasje Malaga leeg.
--Hoeveel is het, mevrouw? vroeg hij, opstaande.
--Vijf francs, mijnheer. Alle verteringen zijn vijf francs.
Hij betaalde. En toen op denzelfden toon, met zijn vreemd accent:
--En hoeveel een kus?
--Honderdduizend francs, antwoordde zij zonder aarzelen.
Hij ging weer zitten en schreef een paar woorden op een stuk papier dat
hij van een agenda scheurde. Toen drukte hij haar een stevigen zoen op
de wang, betaalde haar en ging met kalmen tred de deur uit. Iedereen
glimlachte, en vond dat heel aardig.
--De kwestie is maar, welken prijs men er voor vraagt, mompelde
Clorinde, weer bij Rougon terugkomend.
En hij zag daarin een nieuwe toespeling. Zij had "nooit" tot hem
gezegd. En die kuische man, die zonder het hoofd te buigen den
nekslag van zijn ongenade had ontvangen, leed nu bij het zien van den
halsband, dien zij met zooveel onbeschaamdheid droeg. Zij boog zich
meer voorover, bewoog uitdagend haar hals. De fijne parel klingelde
in het gouden belletje; de ketting hing, nog warm van de hand zijns
meesters; de diamanten schitterden op het fluweel, waar hij gemakkelijk
het geheim las, dat iedereen kende. En nog nooit had de keizer hem
met zoo'n gevoel van afgunst vervuld. Hij had Clorinde liever in de
armen van den koetsier gezien, van wien men fluisterend sprak. Het
prikkelde zijn oude begeerten haar buiten zijn bereik te weten, als
de slavin van een man die met een enkel woord de hoofden deed buigen.
De jonge vrouw ried waarschijnlijk wat hem kwelde. Zij voegde er
een wreedheid aan toe, ze wees hem met een knipoogje op mevrouw de
Combelot, die in een bloemenkiosk haar rozen verkocht. En zij mompelde
met haar boosaardigen glimlach:
--Die arme mevrouw de Combelot, hè? Zij wacht nog altijd.
Rougon dronk zijn glas suikerwater leeg. Hij stikte bijna. Zijn
portemonnaie voor den dag halend, mompelde hij:
--Hoeveel?
--Vijf francs.
Toen zij het geldstuk in haar taschje had laten glijden, hield zij
weer haar hand op en zei schertsend:
--Geeft u niets voor de kellnerin?
Hij zocht, en vond twee sous die hij in haar hand lei. Dat was zijn
onbeschoftheid, de eenige wraak die zijn parvenu-ruwheid wist te
bedenken. Zij kreeg een kleur, ondanks haar brutaliteit. Maar dadelijk
hernam zij haar hooghartige houding. Zij ging groetend heen en liet
van haar lippen vallen:
--Dank u, Excellentie.
Rougon durfde nog niet opstaan. Hij voelde een slapheid in de beenen,
die hem deed vreezen dat hij zou wankelen, en hij wou heengaan
zooals hij gekomen was, flink, met een kalm gelaat. Hij zag er
vooral tegen op langs zijn vroegere huisvrienden te moeten gaan,
aan wier gerekte halzen, gespitste ooren en opengesperde oogen geen
enkele bijzonderheid van het voorgevallene was ontgaan. Hij keek nog
eenige oogenblikken rond, met geveinsde onverschilligheid. Hij dacht
na. Een nieuw bedrijf van zijn politiek leven was dus afgespeeld. Hij
viel, ondermijnd, afgeknaagd, verslonden door zijn bende. Zijn sterke
schouders kraakten onder de verantwoordelijkheden, de dwaasheden en
de laagheden, die hij voor zijn rekening had genomen, uit snoeverij
op zijn kracht, een behoefte om een gevreesd en edelmoedig hoofd
te zijn. Zijn reuzenspieren maakten zijn val nog geweldiger, de
ineenstorting van zijn kliek nog grooter. De voorwaarden zelven van
zijn macht, de noodzakelijkheid om achter zich begeerten te hebben die
hij voldoen moest, zich staande te houden door het misbruik van zijn
invloed, dat alles had noodzakelijkerwijs zijn val tot een kwestie
van tijd gemaakt. En nu herinnerde hij zich die langzame werking van
zijn bende, die scherpe tanden die iederen dag een beetje van zijn
kracht opaten. Zij waren om hem heen; zij klommen op zijn knieën,
daarop naar zijn borst, vervolgens naar zijn keel, tot stikkens toe;
zij hadden hem alles ontnomen, zijn voeten om op te stijgen, zijn
handen om te stelen, zijn tanden om te bijten, zij woonden in zijn
ledematen, ontleenden er hun vreugd en hun gezondheid aan, deden
er zich aan te goed, zonder aan den dag van morgen te denken. Maar
nu zij hem uitgeput hadden, nu zij zijn beenderen hoorden kraken,
maakten zij dat zij weg kwamen, als die ratten die door hun instinct
gewaarschuwd worden voor de aanstaande ineenstorting van de huizen,
waarvan zij de muren verbrokkeld hebben. De heele bende blaakte
van gezondheid. Ze mestte zich weer aan een ander dik lichaam
vet. Mijnheer Kahn had zijn spoorweg Niort-Angers aan den graaf de
Marsy verkocht. De kolonel zou de volgende week een betrekking in
de keizerlijke paleizen krijgen. Mijnheer Bouchard had de bepaalde
toezegging gekregen dat zijn beschermeling, de belangwekkende
Georges Duchesne, tot sous-chef benoemd zou worden, zoodra Delestang
aan het ministerie van Binnenlandsche zaken was. Mevrouw Correur
verheugde zich over een zware ziekte van mevrouw Martineau; zij
verbeeldde zich reeds dat zij in haar huis te Coulonges woonde,
van haar renten levende en weldoende in die streek. Mijnheer Béjuin
had de zekerheid gekregen dat de keizer zijn kristalfabriek tegen
den herfst zou bezoeken. Mijnheer d'Escorailles eindelijk had zich,
na een heftig vertoog van den markies en de markiezin, aan Clorinde's
voeten geworpen, en had een post als sous-prefect gekregen, enkel door
de bewondering, waarmee hij had toegekeken toen zij glaasjes likeur
ronddiende. En Rougon, tegenover die met weldaden overladen bende,
voelde zich kleiner dan vroeger, voelde zich verpletterd onder hun
drukkend gewicht; hij durfde zijn stoel niet verlaten, uit vrees dat
hij ze zou zien glimlachen, wanneer hij mocht struikelen.
Langzamerhand werd zijn hoofd echter vrijer, voelde hij zich flinker;
hij stond op. Hij schoof het tafeltje terzijde om voorbij te gaan,
toen Delestang en de Marsy gearmd de zaal binnenkwamen. Er liepen
zonderlinge geruchten over dezen laatste. Wanneer men mocht gelooven
wat er gefluisterd werd, dan had hij de vorige week een ontmoeting
met Clorinde op het kasteel van Fontainebleau gehad, met het eenige
doel om de samenkomsten van den keizer met de jonge vrouw gemakkelijk
te maken. Hij had in opdracht de keizerin te amuseeren. Trouwens,
dat scheen pikant, anders niets; zulke diensten worden meer onder
mannen bewezen. Maar Rougon zag er een weerwraak van den graaf in,
die de medeplichtigheid van Clorinde aanwendde om hem ten val te
brengen, op die wijze tegen zijn opvolger aan het ministerie dezelfde
wapenen gebruikende, waarmee hij eenige maanden vroeger te Compiègne
verslagen was. Sedert zijn terugkeer uit Fontainebleau was mijnheer
de Marsy de onafscheidelijke metgezel van Delestang.
Mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin, de kolonel, de heele bende wierp
zich in de armen van den nieuwen minister. Diens benoeming zou
eerst den volgenden dag in de Moniteur verschijnen, vlak achter het
ontslag van Rougon; maar het besluit was geteekend, men was zeker van
zijn zegepraal. Zij gaven hem met een lachend gezicht een stevigen
handdruk, fluisterden hem iets toe, en toonden een geestdrift die
zich ternauwernood door de tegenwoordigheid van al de bezoekers liet
bedwingen. 't Was de langzame inbezitneming der trawanten, die de
voeten en de handen kussen voordat zij zich van de vier ledematen
meester maken. En hij behoorde hun reeds toe; een hield hem bij den
rechterarm, een ander bij den linkerarm; een derde had een knoop
van zijn jas gegrepen, terwijl een vierde zich achter zijn rug op de
teenen verhief om hem iets toe te fluisteren. Hij hief zijn knappen
kop omhoog, met een minzame waardigheid, een van die indrukwekkende,
correcte, domme gezichten, die men op platen ziet afgebeeld, waarop de
dames van de onder-prefecturen ruikers aanbieden aan een souverein op
reis. Rougon, die met een bloedend hart naar die verheerlijking van
de middelmatigheid keek, kon toch een glimlach niet bedwingen. Hij
herinnerde zich zijn eigen voorspellingen.
--Ik heb altijd voorspeld dat Delestang het ver zou brengen, zei hij
met een fijn lachje tot den graaf de Marsy, die met uitgestrekte hand
op hem toe gekomen was.
De graaf antwoordde met een spottend lachje. Sedert hij vriendschap met
Delestang had aangeknoopt, nadat hij zijn vrouw diensten had bewezen,
amuseerde hij zich kostelijk. Hij knoopte een gesprek met Rougon
aan, steeds uiterst hoffelijk. Voortdurend met elkander in botsing,
groetten die twee mannen elkander na afloop van ieder tweegevecht,
als tegenstanders van gelijke kracht, die zich telkens voornemen het
een volgenden keer te winnen. Rougon had Marsy gekwetst, Marsy had
op zijn beurt Rougon gekwetst, dat zou zoo voortgaan totdat een van
hen niet meer zou opstaan. Misschien verlangden zij eigenlijk niet
eens naar elkanders volkomen nederlaag, amuseerde hen die strijd,
was die onafgebroken ijverzucht een onmisbaar deel van hun bestaan;
bovendien, voelden zij zich de twee tegenwichten die noodig waren om
het keizerrijk in evenwicht te houden, de ruige vuist die neervelt,
de fijne geganteerde hand die verworgt.
Intusschen was Delestang in de grootste verlegenheid. Hij had Rougon
opgemerkt en hij wist niet of hij hem de hand zou reiken. Hij keek
besluiteloos naar Clorinde, die druk bezig was met een onverschillig
uiterlijk sandwiches, tulbanden en koekjes naar alle kanten van de
koffiekamer te brengen. Een enkele blik dien hij opving, nam zijn
besluiteloosheid weg; hij kwam naderbij, nog ietwat, verlegen, zijn
verontschuldiging stamelend.
--Beste vriend, ge neemt het me toch niet kwalijk?.... Ik heb het
geweigerd, maar ik ben er toe genoodzaakt.... Er zijn dingen, waaraan
men zich niet kan onttrekken, nietwaar?
Rougon viel hem in de rede; de keizer had in zijn hooge wijsheid
gehandeld, het land zou in uitmuntende handen zijn. Toen vatte
Delestang weer moed.
--O, ik heb u verdedigd, we hebben u alle verdedigd. Maar kijk,
onder ons gezegd, ge waart wel wat ver gegaan.... die zaak met de
Charbonnels, ge weet wel, die arme zusters....
Mijnheer de Marsy onderdrukte een glimlach. Rougon antwoordde op zijn
jovialen toon van vroeger:
--Ja, ja, de huiszoeking bij de geestelijke zusters. Mijn hemel,
onder al de dwaasheden die mijn vrienden mij hebben laten begaan,
is dat misschien de eenige verstandige en rechtvaardige zaak in de
vijf maanden van mijn gezag.
En hij ging heen, toen hij Du Poizat zag binnentreden en zich van
Delestang meester maken. De prefect hield zich alsof hij hem niet
bemerkte. Sedert drie dagen lag hij te Parijs in hinderlaag. Hij
had zeker een overplaatsing als prefect gekregen, want hij putte
zich uit in dankbetuigingen. Toen de nieuwe minister zich omkeerde,
kreeg hij den bode Merle, die door mevrouw Correur voortgeduwd werd,
bijna tegen het lijf; de bode sloeg de oogen neer als een verlegen
meisje, terwijl mevrouw Correur hem warm aanbeval.
--Men houdt niet van hem aan het ministerie, mompelde zij, omdat hij
door zijn stilzwijgen tegen de misbruiken protesteerde. Hij heeft
rare dingen onder mijnheer Rougon bijgewoond!
--Ja, vreemde dingen, zei Merle. Daar zou ik een boekje van open kunnen
doen!.... Mijnheer Rougon zal niet betreurd worden. Ik heb allerminst
reden om gesteld op hem te zijn. Hij had me bijna weggejaagd.
In de groote zaal, die Rougon met langzame schreden doorwandelde,
was men bijna uitverkocht. Om de keizerin genoegen te doen, hadden
de bezoekers de kraampjes letterlijk geplunderd. De verkoopsters
waren in de wolken; ze opperden het plan om 's avonds met een
nieuwen voorraad de bazaar te heropenen. En zij telden haar geld
op de tafeltjes uit. Groote bedragen werden met een zegevierend
gelach aangekondigd: de eene had drieduizend francs gebeurd, een
andere vierduizend vijfhonderd, een derde zevenduizend, een vierde
tienduizend. Deze laatste straalde van verrukking. Ze was een vrouw
van tienduizend francs.
Maar mevrouw de Combelot was wanhopig. Zij had haar laatste roos
verkocht, en de koopers bestormden nog steeds haar kiosk. Zij ging
de zaal in om mevrouw Bouchard te vragen of zij niets te koop had,
het kwam er niet op aan wat. Maar het draaibord was ook leeg; een dame
nam juist den laatsten prijs mee, een poppen-waschkom. Eindelijk, na
lang zoeken, vonden zij een pakje tandenstokers op den grond. Mevrouw
de Combelot nam het in zegepraal mee naar haar kiosk, gevolgd door
mevrouw Bouchard.
--Heeren! Heeren! riep eerstgenoemde vrijmoedig, met haar bloote
armen de mannen om zich heen lokkend. Dat is alles wat wij overhebben,
een pakje tandenstokers. Er zijn er vijf-en-twintig.... Ik breng ze
in veiling.
De mannen verdrongen zich lachend om haar heen. De inval van mevrouw
Combelot vond een uitbundigen bijval.
--Een tandenstoker! riep zij. Er is een kooper voor vijf
francs!.... Komaan, heeren, vijf francs!
--Tien francs! zei een stem.
--Twaalf francs!
--Vijftien francs!
Maar mijnheer d'Escorailles bood op eens vijf en twintig francs en
mevrouw Bouchard haastte zich om met haar lieve stem te roepen:
--Toegewezen voor vijf en twintig francs!
De andere tandenstokers gingen nog veel hooger. Mijnheer La Rouquette
betaalde voor den zijnen drie en veertig francs; ridder Rusconi,
die juist aankwam, bood zelfs twee en zeventig francs; de laatste
tandenstoker eindelijk, die door mevrouw de Combelot als gespleten
werd aangekondigd, daar zij haar menschen niet wou bedriegen, zei
ze, werd toegewezen voor de somma van honderd zeventien francs aan
een ouden heer, die vuur vatte door de opwinding der jonge vrouw,
wier keurslijf bij iedere hartstochtelijke beweging half openging.
--Hij is gespleten, heeren, maar hij kan nog dienst doen.... We
zeggen honderd acht!.... honderd tien, daar!.... honderd elf! honderd
twaalf! honderd dertien! honderd veertien!.... Komaan, honderd
veertien! Hij is meer waard.... Honderd zeventien! honderd
zeventien! Niemand meer? Toegewezen voor honderd zeventien francs.
En door die cijfers achtervolgd, verliet Rougon de zaal. Op het terras
aan den waterkant vertraagde hij zijn tred. Een onweer kwam op aan den
horizon. Het vuilgroene Seinewater stroomde zwaar tusschen de bleeke
kaden, waarop de stofwolken omhoog dwarrelden. In den tuin lieten de
boomen, waartusschen nu en dan een heete luchtstroom streek, hun takken
machteloos hangen. Rougon zocht de groote kastanjeboomen op; het was
er bijna geheel donker en vochtig warm als onder een keldergewelf. Hij
kwam uit in de groote laan, toen hij de Charbonnels op een bankje zag
zitten, keurig gekleed, alsof zij een gedaanteverwisseling ondergaan
hadden; de man in lichte pantalon en getailleerde overjas, de vrouw
met een hoed met roode bloemen gegarneerd en een licht manteltje op
een lilazijden japon. Naast hen, schrijlings op een hoekje van de
bank, zat een haveloos individu, met een oud jachtvest aan, druk te
gesticuleeren, terwijl hij hoe langer hoe nader bij hen schoof. Het
was Gilquin. Hij sloeg telkens tegen zijn linnen pet, die dreigde af
te waaien.
--Een hoop schurken! riep hij. Heeft Théodore iemand ooit een stuiver
te kort willen doen? Ze hebben een sprookje verzonnen over militaire
plaatsvervangers om me onmogelijk te maken. Toen heb ik er den brui
van gegeven, en ik ben weggegaan. Laten ze naar den bliksem loopen,
niet waar?.... Ze zijn bang voor me, ze kennen mijn politieke opinies
wel. Ik heb nooit bij de kliek van Bonaparte behoord....
Hij boog zich naar hen over en met smachtende blikken vervolgde
hij zachter:
--Ik betreur daar maar één persoontje. O, een allerliefst vrouwtje,
een dame uit de deftigste kringen. Ja, ja, en zoo aangenaam in den
omgang.... Ze was blond. Ik heb nog een haarlok van haar gekregen.
Daarop hernam hij met donderende stem, heel dicht bij mevrouw
Charbonnel en haar op den buik kloppende:
--Wel, mama, wanneer mag ik met u mee naar Plassans, om de ingemaakte
vruchten, de appelen, kersen en confituren op te eten?.... 't Zit er
nu beter aan, hè?
Maar de Charbonnels schenen Gilquin's vertrouwelijkheid zeer
onaangenaam te vinden. De vrouw antwoordde stijfjes, terwijl zij haar
lilazijden japon naar zich toe trok:
--We blijven een poosje in Parijs.... We zijn van plan elk jaar een
maand of zes hier te vertoeven.
--O, Parijs! zei haar man met een diepe bewondering, Parijs is eenig!
En daar de windvlagen heviger werden en een troepje kindermeiden den
tuin inliep, hernam hij, zich tot zijn vrouw wendend:
--Vrouwlief, wanneer we niet nat willen worden, moesten we nu naar
huis gaan. Gelukkig zijn we maar een stapje van ons hôtel af.
Zij waren afgestapt in het hôtel du Palais-Royal, rue de
Rivoli. Gilquin keek ze met een verachtelijk schouderophalen na.
--Ook al vrienden, die je in den steek laten, mompelde hij, ze zijn
allemaal eender.
Plotseling bemerkte hij Rougon. Hij wiegelde heen en weer, terwijl
hij zijn nadering afwachtte, en sloeg zijn pet vaster op zijn hoofd.
--Ik ben niet bij je geweest, zei hij. Je hebt het zeker niet kwalijk
genomen, hè?.... Die windwijzer van een Du Poizat heeft zeker rapport
over me gemaakt. Niets dan leugens, mijn waarde, daar zou ik je het
bewijs van kunnen leveren.... Enfin, ik ben niet boos op je. En tot
bewijs geef ik je hier mijn adres: rue du Bon-Puits 25, te la Chapelle,
vijf minuten buiten de barrière. En mocht je me noodig hebben, dan
sta ik altijd voor je klaar.
Hij ging met slependen tred heen. Aan het einde der laan keerde hij
zich nog eens om, stak zijn vuist dreigend naar de Tuileriën uit
en riep:
--Leve de republiek!
Rougon verliet den tuin en ging de Champs-Elysées op. Het verlangen
was plotseling in hem ontwaakt, zijn hôtel in de rue Marbeuf terug
te zien. Den volgenden dag, zoo nam hij zich voor, zou hij van het
ministerie daarheen verhuizen. En met een gevoel van vermoeidheid in
het hoofd, peinsde hij over de dingen, die hij eenmaal doen zou om
zijn kracht te toonen. Nu en dan hief hij het hoofd op en keek naar
de lucht. Het onweer scheen niet los te willen barsten. Rosachtige
wolken vertoonden zich aan den gezichtseinder. In de avenue des
Champs-Elysées, die als uitgestorven was, rommelde de donder, met een
geraas alsof een regiment artillerie er doorheen draafde; de toppen
der boomen trilden er van. De eerste regendruppels begonnen te vallen,
toen hij den hoek van de rue Marbeuf omsloeg.
Een coupé stond voor de deur van zijn woning. Rougon trof er zijn
vrouw aan, die de kamers opnam, de maat van de ramen nam en bevelen
aan een behanger gaf. Hij keek verbaasd op, maar zij legde hem uit
dat zij haar broer gesproken had, die al bekend scheen te zijn met
Rougon's val; hij had haar meteen gezegd, dat hij nu wel binnenkort
minister van Justitie zou worden, kortom, hij had alweer getracht
oneenigheid tusschen de twee echtelieden te stichten. Mevrouw Rougon
had dadelijk laten inspannen om haar nieuwe woning weer op orde te
brengen. Ze had als altijd een stemmig, devoot gelaat, en met haar
onverstoorbare kalmte liep zij onhoorbaar zacht door de kamers, nam
zij weer bezit van dat huis dat zij rustig en stil als een klooster
gemaakt had. Haar eenige zorg was als een trouw rentmeester het
fortuin te beheeren, dat haar was toevertrouwd.
Intusschen barstte het onweer met ongehoorde hevigheid los. De donder
rommelde, het water viel bij stroomen neer. Rougon, die terug wou
wandelen, moest drie kwartier wachten. De Champs-Elysées waren één
modderpoel; een gele, vloeibare modder vormde van den Triomfboog tot
de place de la Concorde als het ware de bedding van een plotseling
leeggeloopen stroom. De avenue bleef verlaten; een enkele voetganger
waagde zich op het plaveisel en trad voorzichtig op de uitstekende
punten der steenen; van de druipnatte boomen drupte het water in de
kalme, opgefrischte lucht. Aan den hemel had de donderbui een staart
van koperkleurige lappen achtergelaten, een vuile lage wolkenmassa,
waaruit een schemerachtig licht neerdaalde.
Rougon hervatte zijn mijmeringen over de toekomst. Enkele druppels,
die nog neervielen, maakten zijn handen vochtig. Hij voelde weer die
afmatting door al zijn leden, alsof hij zich gestooten had tegen
een hinderpaal die den weg versperde. Eensklaps hoorde hij achter
zich een luid getrappel, een regelmatigen draf, die den grond deed
dreunen. Hij keerde zich om.
Het was een stoet die op den modderigen straatweg, onder het
droefgeestige licht van den koperkleurigen hemel, uit het Bosch
terugkwam. Huzaren openden en sloten den stoet. In het midden rolde
een met vier paarden bespannen gesloten landauer; aan beide portieren
reden stalmeesters, die op hun met goud geborduurd groot tenue, van
hun kaplaarzen tot aan hun platten hoed, bedaard de modderspatten
van de wielen opvingen, zoodat hun uniform ten slotte met een laag
vloeibare slijk bedekt was. En in de gesloten landauer vertoonden zich
de tien uitgespreide vingers en de platgedrukte neus van een kind,
den kroonprins, voor het portierraampje.
--Kijk, die kikvorsch! zei een straatwerker lachend, terwijl hij zijn
kruiwagen voortduwde.
Rougon bleef staan, in gedachten verdiept, en oogde den stoet na,
die door de plassen reed, zoodat zelfs de onderste bladeren der boomen
met slijk bespat werden.