Drie jaar later, in de maand Maart, ging het stormachtig toe in een
zitting van het Wetgevend lichaam. Men voerde er de eerste discussies
over het adres. Mijnheer La Rouquette en een oude afgevaardigde,
mijnheer de Lamberthon, de echtgenoot van een allerliefste vrouw, zaten
bedaard tegenover elkander in de koffiekamer een grogje te drinken.
--Zouden we niet naar de zaal teruggaan? vroeg mijnheer de Lamberthon,
ik geloof dat het daar spant.
Nu en dan hoorde men een verwijderd geluid, een storm van stemmen, als
door een windvlaag overgebracht; daarop werd alles weer doodstil. Maar
mijnheer La Rouquette bleef zorgeloos voortrooken en antwoordde:
--Och neen, ik rook liever mijn sigaar op.... We zullen wel
gewaarschuwd worden, wanneer men ons noodig heeft. Ik heb gezegd dat
ze ons moesten waarschuwen.
Zij zaten alleen in de koffiekamer, een koket zaaltje achter in het
tuintje op den hoek van de kade en de rue de Bourgogne. Licht groen
geschilderd en met een bamboe traliewerk bedekt, met groote ramen
die uitzicht gaven op de dichte boomgroepen van den tuin, geleek
het zaaltje met zijn paneelen van spiegelglas, zijn tafeltjes, zijn
roodmarmeren toonbank en zijn zitbanken van gecapitonneerde groene
rips, op een serre die in een gala-koffiekamer herschapen was. Door een
geopend venster stroomde de zoele lentelucht naar binnen, verfrischt
door de windjes die over de Seine streken.
--De oorlog met Italië heeft hem het toppunt van zijn roem doen
bereiken, hernam mijnheer La Rouquette, zijn afgebroken gesprek
voortzettende. En nu toont hij de geheele kracht van zijn genie door
aan het land zijn vrijheid terug te geven....
Hij sprak van den keizer. Hij was al een poosje bezig om met de
grootste ingenomenheid over de besluiten van November te spreken,
namelijk de meer directe deelneming der groote staatslichamen aan
de politiek van den souverein, de benoeming van ministers zonder
portefeuille, belast met de vertegenwoordiging van de regeering in
Kamers. Het was de terugkeer tot het constitutionneele stelsel, in
al wat daarin heilzaam en billijk was. Een nieuw tijdvak begon, het
liberale keizerrijk. En opgetogen schudde hij de asch van zijn sigaar.
Mijnheer de Lamberthon schudde het hoofd.
--Hij is er wel wat vlug mee geweest, mompelde hij. Men had nog kunnen
wachten, er was geen haast hij.
--Ja, zeker wel, er moest iets gedaan worden, zei de jonge
afgevaardigde met overtuiging. Dat was juist het geniale....
Hij liet de stem dalen en trad in een verklaring van den politieken
toestand.
De mandementen der bisschoppen betreffende het wereldlijk gezag,
dat door Turijn bedreigd werd, verontrustten den keizer zeer. En
daarbij kwam, dat er een oppositiegeest in het land ontwaakte. Het
oogenblik was aangebroken om de verzoening der partijen te beproeven,
de politieke ontevredenen tot zich te trekken door hun eenige
concessies te doen. Nu vond hij dat het autoritair keizerrijk te
veel gebreken aankleefden, en herschiep hij het liberale keizerrijk
in een apotheose, waardoor geheel Europa zou verlicht worden.
Intusschen had mijnheer de Lamberthon onrustig omgekeken. Eindelijk
vroeg hij:
--Rougon moet antwoorden, niet waar?
--Ja, ik geloof het wel, antwoordde mijnheer La Rouquette, met een
geheimzinnig gezicht.
--Hij had zich erg gecompromitteerd, mompelde de oude afgevaardigde. De
keizer heeft een zonderlinge keus gedaan, toen hij hem tot minister
zonder portefeuille benoemde en hem de taak opdroeg zijn nieuwe
politiek te verdedigen.
Mijnheer La Rouquette gaf niet dadelijk zijn oordeel te kennen. Hij
streek langzaam over zijn blonden knevel en zei eindelijk:
--De keizer kent Rougon.
Daarop riep hij op een geheel anderen toon:
--Zeg, die grogjes waren niet veel bijzonders. Ik heb een verduivelden
dorst, ik zal een glas limonade nemen.
Hij bestelde een glas limonade. Mijnheer de Lamberthon weifelde,
en nam ten slotte een glas madera. En zij spraken over mevrouw de
Lamberthon; de man verweet zijn jongen collega dat hij zoo zelden
kwam. Deze leunde achterover op de gecapitonneerde bank en wierp van
tijd tot tijd een zijdelingschen blik in de spiegels; hij genoot van
het zachtgroen der muren, van dat kokette zaaltje, à la Pompadour,
dat er uitzag alsof het op een kruispunt in een vorstelijk bosch
thuis behoorde, als een plaats van bijeenkomst voor verliefden.
Daar kwam een bode hijgend aanloopen.
--Mijnheer La Rouquette, men heeft gevraagd of u dadelijk wil komen.
En daar de jonge afgevaardigde er niet veel lust in toonde, fluisterde
de bode hem in dat hij door mijnheer de Marsy, den president der Kamer,
gezonden was. En luider voegde hij er bij:
--Niemand kan gemist worden, komt u maar gauw.
Mijnheer de Lamberthon was al op weg naar de vergaderzaal. Mijnheer La
Rouquette volgde hem reeds, toen hij zich onderweg bedacht. Hij kwam op
den inval de afgevaardigden, die hier en daar rondliepen, naar de zaal
mee te troonen. Hij ging allereerst naar de "salle des Conférences",
een mooie zaal, door een lantaarn in het plafond verlicht, waarin een
reusachtig groote, groen marmeren schoorsteen, versierd met twee wit
marmeren, liggende vrouwenbeelden. Ondanks het zachte weer brandde
er een houtvuur. Om de kolossale tafel zaten drie afgevaardigden met
open oogen te dutten; zij keken naar de schilderijen aan de muren en
de fameuse pendule, die maar eens in het jaar opgewonden werd; een
vierde stond zich te warmen voor den schoorsteen en keek aangedaan
naar een pleisterbeeldje van Henri IV, dat aan het andere einde der
zaal voor een tropee van vaandels stond, die te Marengo, Austerlitz en
Jena veroverd waren. Toen hun collega ze een voor een toeriep "gauw,
naar de zitting!" schrikten de heeren op en verdwenen achtereenvolgens.
Intusschen ging mijnheer La Rouquette, eenmaal op dreef, naar de
bibliotheek, maar keek eerst even in de toiletkamer. Daar stond mynheer
de Combelot, hij had zijn handen in een groote waschkom gestoken en
wreef ze langzaam, glimlachend over haar blankheid. Hij maakte zich
niet druk, hij zou wel dadelijk naar zijn plaats terugkeeren. En hij
nam er nog den tijd af zijn handen langzaam met een warmen handdoek
af te vegen, dien hij vervolgens op de badstoof met koperen deuren
te drogen hing. Hij ging zelfs op zijn gemak voor een hoogen spiegel
staan om zijn mooien zwarten baard met een zakkammetje uit te kammen.
De bibliotheek was leeg. De boeken rustten in de eikenhouten vakken;
de twee groote tafels, met groen laken bedekt, waren geheel ledig;
de stoelen stonden ordelijk in een rij en op de lezenaars, die aan
de armen bevestigd waren, lag een dikke laag stof. En in die rustige
ruimte, waar een duffe papierlucht heersehte, zei mijnheer La Rouquette
hardop, terwijl hij de deur dichtsloeg:
--Daar is nooit iemand in!
Toen ging hij de gangen en zalen door. Eerst door de "salle de
distribution" met Pyreneesch marmer bevloerd, waar zijn stap
weerklonk als onder een kerkgewelf. Hij had van een bode gehoord
dat een afgevaardigde dien hij kende, mijnheer La Villardière, het
gebouw aan een heer en een dame liet bezichtigen, en nu trachtte
hij ook hem op te sporen. Hij ging naar de zaal van generaal Foy,
die indrukwekkende vestibule, waarin de vier standbeelden, Mirabeau,
generaal Foy, Bailly en Casimir Périer de eerbiedige bewondering der
buitenlui opwekken. Daarnaast, in de troonzaal, bemerkte hij eindelijk
mijnheer de La Villardière tusschen een dikke dame en een dikken heer,
een notaris uit Dijon.
--Er is naar u gevraagd, zei mijnheer La Rouquette. Vlug op uw post,
hoor!
--Ja, dadelijk, antwoordde de afgevaardigde.
Maar hij kon niet wegkomen. De dikke heer had uit eerbied voor de
weelde die hem hier tegenblonk, den hoed afgenomen, en hij vroeg
"zijn waarden afgevaardigde" allerlei inlichtingen betreffende
de schilderstukken van Delacroix. Zijn vrouw keek intusschen vol
aandacht naar den troon, een fauteuil die zich van de andere alleen
onderscheidde door een gering verschil in hoogte. Zij bleef op een
afstand staan, vol dwepende vereering. Eindelijk verstoutte zij zich
naderbij te treden; ze lichtte heimelijk de hoes op, betastte het
vergulde hout en het rood fluweel.
Intusschen was mijnheer La Rouquette in den rechtervleugel van het
gebouw door eindelooze gangen en kamers gegaan. Hij kwam terug door
de zaal met de vier zuilen, waar jonge afgevaardigden tegenover de
standbeelden van Brutus, Solon en Lycurgus van redenaarsroem droomen;
hij ging de zaal "des Pas perdus" dwars door, liep vlug langs de
halfcirkelvormige galerij, een laag gewelf dat dag en nacht door
gas verlicht werd, en buiten adem, met het troepje afgevaardigden
dat hij onderweg had opgepikt, achter zich aan, deed hij een breede
mahoniehouten deur open. Mijnheer de Combelot volgde hem, met zijn
blanke handen en zijn goed verzorgden baard. Mijnheer La Villardière,
die zich van zijn gasten had weten te bevrijden, kwam daarna. Allen
stormden de zaal in, waar de afgevaardigden met woedende gebaren een
redenaar stonden te dreigen, terwijl het van alle kanten klonk:
--Tot de orde! Tot de orde!
--Tot de orde! Tot de orde! riepen mijnheer La Rouquette en zijn
vrienden nog luider, ofschoon zij niet wisten wat er gaande was.
Het was een vreeselijk geweld. Men trapte als razenden met de voeten,
een donderend geraas werd verkregen door het klepperen met de plankjes
der lessenaars. Schrille, krijschende stemmen klonken als de tonen
eener dwarsfluit tusschen het basgeluid van andere stemmen, dat als
het accompagnement van een orgel daarbij klonk. Nu en dan scheen
er een gaping in het tumult te komen, en dan hoorde men boven het
wegstervende geraas woorden als:
--'t Is schandelijk! 't Is onverdragelijk!
--Hij moet dat woord terugtrekken!
--Ja, ja, trek dat woord terug!
Maar de kreet, die zonder tusschenpoos terugkeerde, als op de maat
van het voetgetrappel, dat was het geroep: "Tot de orde! tot de
orde! tot de orde!", dat zich eindelijk met een heesch geluid aan de
droge kelen ontwrong.
Op de tribune stond de redenaar met de armen op de borst gekruist. Hij
keek onvervaard naar de woedende Kamer, die brullende kelen, die
dreigende vuisten. Tweemaal achtereen had hij den mond geopend om
zijn rede te hervatten, maar telkens brak de storm met verdubbelde
woede los. De zaal daverde.
Mijnheer de Marsy, voor zijn presidentszetel staande, hield den knop
van de schel in de hand en schelde aanhoudend, als een alarmgeklep te
midden van een orkaan. Zijn hooge gestalte drukte een volmaakte kalmte
uit. Hij liet de schel een oogenblik los, schoof zijn manchetten een
beetje terug, en begon toen weer zijn carillon. Om zijn dunne lippen
speelde zijn gewone sceptische glimlach. Toen men uitgeput raakte,
riep hij:
--Heeren, met uw verlof....
Eindelijk verkreeg hij een betrekkelijke stilte.
--Ik verzoek den geachten spreker, zei hij, om een nadere verklaring
van het woord dat hij zooeven uitsprak.
De redenaar boog zich over den rand van de tribune en herhaalde
zijn volzin.
--Ik heb gezegd dat de 2e December een misdaad was....
Hij kon niet verder spreken. De storm brak weer los. Een afgevaardigde
met een vuurrood gezicht maakte hem uit voor moordenaar; een ander
wierp hem zoo'n gemeen scheldwoord naar het hoofd, dat de stenografen
glimlachten, doch zich wel wachtten het woord op te schrijven. Allerlei
uitroepen kruisten zich, verdoofden elkander. Toch onderscheidde men
duidelijk de hooge stem van mijnheer La Rouquette, die herhaalde:
--Hij beleedigt den keizer, hij beleedigt Frankrijk!
Mijnheer de Marsy maakte een waardig gebaar. Hij nam weer plaats,
terwijl hij zeide:
--Ik roep den geachten spreker tot de orde.
Een langdurige opgewondenheid volgde op deze woorden. Het was niet
meer het half ingedommelde Wetgevend lichaam van vijf jaar geleden,
dat een krediet van vierhonderd duizend francs voor de doopplechtigheid
van den kroonprins had toegestaan. Op een bank ter linkerzijde juichten
vier afgevaardigden de woorden van den redenaar toe. Zij waren nu met
hun vijven om het keizerrijk aan te vallen. Zij brachten het door hun
volhardende pogingen aan het wankelen, zij wilden het niet erkennen,
weigerden het hun stem, met een stijfhoofdig protest, dat zijn
uitwerking in het geheele land zou doen gevoelen. Die afgevaardigden
stonden als een nietig groepje tusschen een verpletterende meerderheid;
en zij beantwoordden de bedreigingen, de uitgestoken vuisten, de
luidruchtige pressie van de Kamer, zonder zich te laten ontmoedigen,
onbewegelijk en volijverig in hun revanche.
De zaal zelve scheen veranderd, trillend, galmend van
opgewondenheid. Men had de tribune weer aan den voet van het bureau
hersteld. Het koude marmer werd warm door den vurigen gloed der
sprekers. Op de trappen, langs de roodfluweelen zitbanken, scheen het
licht dat loodrecht uit het dakraam neerviel, alles in lichte laaie
te zetten, in de groote, stormachtige vergaderingen. Het monumentale
bureau, met zijn indrukwekkende paneelen, werd verlevendigd door de
ironische onbeschaamdheden van mijnheer de Marsy, wiens nauwsluitende
jas en smal, uitgeput lichaam slechts een dunne streep wierp op de
antieke beelden van het bas-relief achter zijn rug. De allegorische
beelden, de "Publieke orde" en de "Vrijheid", ieder tusschen een
paar zuilen, behielden alleen hun ziellooze uitdrukking van steenen
godheden. Maar wat vooral bezieling gaf, dat was het talrijke publiek,
dat over den rand der tribunes heengebogen, in hartstochtelijke
spanning de debatten volgde. De tweede rij tribunes was weer op haar
vroegere plaats hersteld. De verslaggevers der dagbladen hadden een
afzonderlijke tribune. Heel in de hoogte, aan den rand van de rijk
vergulde kroonlijst, staken hoofden naar voren, verdrong zich een
dichte menigte, die de afgevaardigden somtijds ongerust deed opkijken,
alsof zij meenden dat er plotseling een oproer was uitgebarsten.
De spreker wachtte intusschen het oogenblik af, dat hij aan het woord
kon komen. Te midden van het wegstervend gerommel, begon hij:
--Mijne heeren, ik hervat....
Maar hij hield even op, om zijn stem boven het geraas uit te doen
klinken:
--Indien de Kamer weigert naar mij te luisteren, protesteer ik en
verlaat ik de tribune.
--Spreek, spreek! klonk het van verscheidene banken.
En een heesche stem riep:
--Spreek, men zal u weten te antwoorden.
Plotseling heerschte er stilte. In de banken en op de tribunes rekte
men den hals uit om Rougon te zien, die daar gesproken had. Hij zat
in de eerste bank, met de ellebogen op het marmeren blad geleund. Nu
en dan zag men zijn dikken gebogen rug bewegen; dan haalde hij
even de schouders op. Zijn gezicht hield hij achter zijn breede
handen verborgen. Hij luisterde. Men was er nieuwsgierig naar hoe
hij debuteeren zou; want sedert zijn benoeming tot minister zonder
portefeuille had hij het woord nog niet gevoerd. Hij was zich zeker
bewust dat aller blikken op hem gevestigd waren. Hij keerde het hoofd
om en keek de zaal rond. Tegenover hem, op de ministerstribune, leunde
Clorinde in een paars kostuum, tegen de roodfluweelen balustrade;
zij keek hem met haar kalme vrijmoedigheid vlak in het gelaat. Zoo
keken zij elkander twee seconden aan, zonder te glimlachen, als
vreemden. Daarop hernam Rougon zijn vroegere houding; hij luisterde
weer met de handen voor het gelaat.
--Mijne heeren, ik herhaal nog eens, zei de redenaar. Het besluit van
24 November verleent zuiver denkbeeldige vrijheden. We zijn nog ver
van de beginselen van 89, die met zooveel vertoon aan het hoofd van
de keizerlijke constitutie geschreven staan. Indien het gouvernement
gewapend blijft met uitzonderingswetten, indien het voortgaat zijn
candidaten aan het land op te dringen, wanneer het de drukpers niet
vrij laat, kortom, wanneer Frankrijk aan zijn genade of ongenade
blijft overgeleverd, zijn al de schijnbare concessies die het doet,
leugenachtig en bedriegelijk....
De president viel hem in de rede.
--Ik mag den geachten spreker niet toestaan dergelijke termen te
gebruiken.
--Zeer goed, zeer goed! riep men rechts.
De redenaar verzachtte zijn uitdrukking eenigszins. Hij spande zich nu
in om heel gematigd te zijn, hij sprak mooie afgeronde zinnen, in een
gekuischten stijl. Maar mijnheer de Marsy bestreed hardnekkig alles
wat hij zeide. Toen namen zijn gedachten op eens zoo'n hooge vlucht,
gebruikte hij zulke vage bewoordingen, dat de president hem moest
laten begaan. Toen kwam hij plotseling op zijn uitgangspunt terug.
--Ik herhaal nogmaals, mijn vrienden en ik zullen niet stemmen voor
de eerste paragraaf van het adres in antwoord op de troonrede....
--Dan zal men het zonder u moeten doen, zei een stem.
Groote hilariteit onder de afgevaardigden.
--Wij zullen niet stemmen voor de eerste paragraaf van het adres,
hernam de redenaar rustig, wanneer ons amendement niet wordt
aangenomen. Wij kunnen ons niet aansluiten bij die overdreven
dankbetuigingen, wanneer de denkbeelden van het Hoofd van den Staat
ons vol restricties toeschijnen. De vrijheid is ondeelbaar; wij kunnen
haar niet in stukken snijden en als een aalmoes bij porties uitdeelen.
Hier verhieven zich van alle kanten uitroepen.
--Uw vrijheid is losbandigheid!
--Spreek niet van aalmoezen, gij bedelt om de volksgunst!
--En gij, gij snijdt de hoofden af!
--Ons amendement, ging hij voort alsof hij niets gehoord had, eischt
afschaffing van de wet op de algemeene veiligheid, vrijheid van
drukpers, eerlijkheid van de verkiezingen....
Het gelach begon weer. Een afgevaardigde had luid genoeg om door
zijn buren gehoord te worden, gezegd: "Daar krijg je niets van,
mannetje!" Een ander voegde grappige woorden bij iederen zin dien de
redenaar sprak. Maar het meerendeel amuseerde zich door tegen den
onderkant van hun lessenaars de maat te slaan met hun vouwbeenen,
hetgeen een soort van tromgeroffel teweeg bracht, dat de spreker
onmogelijk met zijn stem kon beheerschen. Toch streed hij onverzwakt
voort. Hij had zich hoog opgericht en met een vervaarlijke stem riep
hij boven het tumult uit:
--Ja, wij zijn revolutionnair, indien gij daaronder verstaat mannen
van den vooruitgang, vastbesloten om de vrijheid te verkrijgen! Weiger
het volk de vrijheid, en de dag zal komen waarop het volk de vrijheid
met geweld herneemt.
En hij ging de tribune af, onder een oorverdoovend geschreeuw. De
afgevaardigden lachten niet meer als een troep losgelaten schoolknapen;
zij waren opgestaan, wendden zich naar de linkerzijde en stieten
nogmaals hun kreet uit: "Tot de orde, tot de orde!" De spreker had zich
naar zijn bank begeven en bleef daar in den kring van zijn vrienden
staan. Er ontstond een dringen en duwen. De meerderheid scheen zich
op die vijf mannen te willen werpen, wier bleeke gezichten hen
uitdaagden. Maar mijnheer de Marsy werd boos en schelde driftig,
met het oog op de tribunes waar de dames angstig achteruit weken.
--Mijne heeren, zei hij, 't is een schandaal....
En toen het stil was geworden, ging hij op luiden, bijtenden toon
voort:
--Ik wil niet genoodzaakt worden voor de tweede maal tot de orde
te roepen. Ik wil alleen zeggen dat het werkelijk schandelijk is,
op deze tribune bedreigingen te uiten, die haar tot oneer strekken.
Een drievoudig salvo van toejuichingen begroette de woorden van den
president. Er werd bravo geroepen en de vouwbeenen sloegen weer hun
roffels, ditmaal ten teeken van instemming. De spreker van de linkerzij
wou antwoorden, maar zijn vrienden weerhielden hem. Het tumult bedaarde
allengs, loste zich op in het gegons der afzonderlijke gesprekken.
--Het woord is aan Zijn Excellentie, mijnheer Rougon, hernam mijnheer
de Marsy op kalmer toon.
Een rilling doorliep de zaal, een zucht van voldane nieuwsgierigheid,
die plaats maakte voor eerbiedige aandacht. Rougon was met opgetrokken
schouders en zwaren tred de tribune opgestegen. Hij legde een bundel
notities voor zich neer, schoof het glas suikerwater op zijde
en bewoog zijn handen alsof hij bezit wilde nemen van het nauwe
mahoniehouten kastje. Eindelijk hief hij het hoofd op. Hij was niet
verouderd. Zijn vierkant voorhoofd, zijn groote welgevormde neus,
zijn langwerpige wangen zonder rimpels zagen er nog blozend en frisch
uit. Zijn grijzende haren alleen werden dunner aan de slapen en lieten
zijn groote ooren meer zichtbaar. Door zijn halfgesloten oogleden
wierp hij een blik door de zaal; een oogenblik zocht hij naar iets,
hij ontmoette Clorinde's aandachtig voorovergebogen gelaat, toen
begon hij, met zijn zware, lijmerige stem:
--Ook wij zijn revolutionnairen, indien men daaronder verstaat mannen
van den vooruitgang, vastbesloten om aan het land een voor een alle
verstandige vrijheden terug te geven....
--Zeer goed! Zeer goed!
--En mijne heeren, welke regeering heeft beter dan het keizerrijk
de liberale hervormingen verwezenlijkt, waarvan gij zoo even het
verleidelijk programma hebt hooren schetsen? Ik zal de rede van den
vorigen spreker niet weerleggen. Ik kan volstaan met het bewijs dat de
vooruitziende blik en het edelmoedige hart des keizers de eischen van
de hardnekkigste tegenstanders zijner regeering heeft voorkomen. Ja,
mijne heeren, uit eigen beweging heeft de keizer de macht, waarmee
hij in de dagen van het gevaar door de natie bekleed was, aan haar
teruggegeven. Heerlijk schouwspel, eenig in de geschiedenis! Ja,
wij kunnen ons de spijt voorstellen van hen, die een verstoring der
orde beoogen. Zij kunnen nu nog slechts de bedoelingen aanvallen,
over de hoeveelheid der geschonken vrijheden twisten.... Gij hebt het
groote besluit van den 24en November begrepen. Gij hebt in de eerste
paragraaf van uw adres den keizer uw diepe erkentelijkheid willen
betuigen voor zijn grootmoedigheid en zijn vertrouwen in de wijsheid
van het Wetgevend lichaam. De aanneming van het amendement zou een
onverdiende beleediging, ja een slechte daad zijn. Onderzoekt uw
geweten, heeren, vraagt uzelven af of gij u vrij gevoelt. De vrijheid
is nu volkomen, daar sta ik borg voor....
Langdurige toejuichingen weerklonken. Hij was langzamerhand den rand
van het spreekgestoelte genaderd; het lichaam vooroverbuigend en
den rechterarm uitstrekkend, verhief hij de stem, die buitengewoon
krachtig door de zaal klonk. Mijnheer de Marsy, gemakkelijk in zijn
fauteuil uitgestrekt, luisterde met een half glimlachend gelaat,
als een liefhebber die verbaasd staat over de meesterlijke uitvoering
van den een of anderen stouten toer. In de zaal bogen de kamerleden,
te midden van een daverend bravogeroep zich naar elkander over en
fluisterden met een verbaasd gezicht. Clorinde liet haar armen op de
roodfluweelen leuning rusten; zij luisterde ernstig toe.
Rougon ging voort:
--Heden is de dag, door ons allen met ongeduld verwacht, eindelijk
aangebroken. Er is geen gevaar meer bij om van het voorspoedige
Frankrijk een vrij Frankrijk te maken. De anarchistische hartstochten
zijn dood. De geestkracht van den souverein en de heilige wil des volks
hebben voor altijd de afschuwelijke tijden van openbaar zedebederf in
het niet doen verzinken. De vrijheid is mogelijk geworden zoodra die
partij overwonnen was, die de grondslagen van de regeering halsstarrig
miskende.... Daarom heeft de keizer de overtollige prerogatieven van
zijn macht als een nutteloozen last geweigerd, oordeelende dat zijn
gezag zoo onbetwistbaar vast stond, dat hij het kon laten betwisten. En
hij is niet teruggedeinsd voor de gedachte om zich ook voor de toekomst
te verbinden; hij zal zijn bevrijdingswerk tot het einde volbrengen,
hij zal de vrijheden een voor een verleenen, op de tijdstippen die hij
in zijn hooge wijsheid bepalen zal. Voortaan is het dat programma van
gestadigen vooruitgang dat wij in opdracht hebben in deze vergadering
te verdedigen....
Een der vijf afgevaardigden van de linkerzijde stond verontwaardigd
op en zei:
--Gij zijt de minister van de uiterste verdrukking geweest!
En een ander voegde er hartstochtelijk bij:
--De proviandmeesters van Cayenne en Lambessa hebben het recht niet
in naam der vrijheid te spreken!
Een gemompel verhief zich. Vele afgevaardigden begrepen dit niet,
bogen zich vragend naar hun buren over. Mijnheer de Marsy deed alsof
hij niets gehoord had; hij dreigde alleen de rustverstoorders tot de
orde te zullen roepen.
--Men heeft mij daar verweten.... hernam Rougon.
Maar kreten van de rechterzijde beletten hem voort te gaan.
--Niet antwoorden!
--Zulke beleedigingen kunnen u niet treffen!
Toen bracht hij de Kamer met een gebaar tot kalmte; en met de vuisten
op den rand der tribune steunend, keerde hij zich naar de linkerzijde,
als een wild zwijn dat in de engte gedreven is.
--Ik zal niet antwoorden, verklaarde hij bedaard.
Dat was slechts de inleiding. Ofschoon hij beloofd had de rede van
den afgevaardigde der linkerzijde onbeantwoord te laten, trad hij in
een uitvoerige weerlegging. Eerst somde hij de argumenten van zijn
tegenstanders op; hij deed dat met een koketterie, een onpartijdigheid
die een uitbundigen bijval verwierf, alsof hij al die argumenten zeer
gering achtte en ze in eens kon weg blazen. Toen scheen het alsof
hij vergat ze te bestrijden, hij beantwoordde alleen het zwakste, dat
hij met een vloed van heftige woorden aanviel. Men juichte hem toe,
hij triomfeerde. Zijn groot lichaam besloeg de geheele ruimte van
het spreekgestoelte. Zijn schouderbewegingen begeleidden het rollen
van zijn volzinnen. Zijn welsprekendheid was overigens zeer banaal,
gemeenplaatsen en rechtskwesties werden door hem uitgegalmd. Zijn
eenige superioriteit als redenaar was zijn onvermoeibare adem, die
hem in staat stelde uren achtereen zijn volzinnen te wiegen, zonder
zich te bekommeren om hetgeen zij inhielden.
Nadat hij een uur zonder ophouden gesproken had, dronk hij een teug
water, haalde diep adem en rangschikte zijn aanteekeningen.
--Rust wat uit! riepen verscheidene afgevaardigden.
Maar hij voelde zich niet vermoeid. Hij wou voortgaan.
--Wat vraagt men u, heeren?
--Luistert! Luistert!
Een diepe aandacht hield aller blikken wederom op hem gevestigd. Nu
en dan, wanneer hij de stem verhief, kwam er een beroering door de
Kamer, alsof er een groote windvlaag over streek.
--Men vraagt u mijne heeren, de afschaffing van de wet op de
algemeene veiligheid. Ik zal dat eeuwig gevloekte uur, waarop die wet
noodzakelijk werd, niet in herinnering brengen; het gold toen het land
gerust te stellen, Frankrijk voor een nieuwe ramp te behoeden. Nu
rust het wapen in de scheede. De regeering, die het altijd met de
grootste voorzichtigheid, ik mag zeggen met de grootste gematigdheid
gebruikt heeft....
--Dat is waar!
--De regeering bedient er zich slechts van in zeer buitengewone
omstandigheden. Zij hindert niemand, behalve misschien nog een zekere
partij, die de schuldige dwaasheid heeft weer tot de slechtste
tijden in onze geschiedenis te willen terugkeeren. Gaat door onze
steden, trekt het land door, gij zult er overal vrede en voorspoed
vinden; ondervraagt de ordelievende burgers, geen hunner zal den druk
gevoelen van die uitzonderingswetten, waarvan men ons zulk een heftig
verwijt maakt. Ik herhaal het, in de vaderlijke handen der regeering
beveiligen zij de maatschappij tegen laaghartige ondernemingen, die
trouwens voortaan geen kans op welslagen zullen hebben. Brave lieden
behoeven zich om het bestaan dier wetten niet te bekommeren. Wij
kunnen ze rustig laten waar ze zijn, totdat het den vorst behagen
zal ze uit eigen beweging te vernietigen. Wat vraagt men u nog meer,
mijne heeren? Eerlijke verkiezingen, vrijheid van drukpers, alle
denkbare vrijheden. Ach, laat het mij gegund zijn hier een oogenblik
stil te staan bij de groote dingen die het keizerrijk reeds tot stand
heeft gebracht. Rondom mij, waarheen ik ook de oogen richt, zie ik
de openbare vrijheden toenemen en heerlijke vruchten opleveren. Met
innerlijke ontroering sla ik het vernederde Frankrijk gade; het
heft zich op en biedt de wereld het voorbeeld aan van een volk,
dat zich door zijn goed gedrag de vrijheid verwerft. De dagen van
beproevingen zijn voorbij. Er is geen kwestie meer van dictatuur,
van een autoritaire regeering. We werken allen aan de vrijheid mede....
--Bravo! bravo!
--Men vraagt eerlijke verkiezingen. Is dan algemeen stemrecht,
in zijn ruimsten omvang toegepast, niet een levensvoorwaarde
voor het keizerrijk? Zeker, de regeering beveelt haar candidaten
aan. Maar steunt de revolutionnaire partij de hare ook niet met een
onbeschaamde stoutmoedigheid? Men valt ons aan, wij verdedigen ons,
niets is billijker. Men zou ons de handen willen binden, ons den mond
willen snoeren, maar dat zullen wij nooit toelaten. Uit liefde voor het
land zullen wij altijd op onzen post staan om het te raden, het zijn
ware belangen te wijzen. Het blijft trouwens altijd meester van zijn
lot. Het stemt, en wij buigen het hoofd. De leden der oppositie die
deel uitmaken van deze vergadering, waarin zij volkomen vrijheid van
spreken hebben, zijn een bewijs van onzen eerbied voor den uitslag van
de algemeene stemming. De revolutionnairen moeten het hun landgenooten
zelf wijten, indien het keizerrijk met een verpletterende meerderheid
toegejuicht wordt. In het parlement is nu alles, wat de vrije kritiek
belemmerde, opgeheven. De souverein heeft den grooten staatslichamen
een meer direct aandeel in zijn politiek en een schitterend getuigenis
van zijn vertrouwen willen geven. Gij kunt voortaan discussiëeren
over de daden der regeering, gij hebt het recht van amendement,
gij kunt uw gemotiveerde wenschen kenbaar maken. Ieder jaar zal het
adres als het ware een gedachtenwisseling zijn tusschen den keizer en
de volksvertegenwoordigers, waarbij deze laatsten vrij hun meening
kunnen zeggen. Uit de openbare beraadslagingen worden de groote
staten geboren. De tribune is weer hersteld, die tribune waar zooveel
redenaars hun naam voor altijd beroemd gemaakt hebben. Een parlement,
waar wrijving van gedachten is, is een parlement dat werkt. En zal ik u
geheel zeggen hoe ik er over denk? Ik ben werkelijk verheugd een groep
van de oppositie in ons midden te zien. Er zullen onder ons steeds
tegenstanders zijn, die zullen trachten onze gebreken te ontdekken, en
die aldus onze eerlijke bedoelingen in het helderste daglicht zullen
stellen. Wij eischen voor hen de onbeperktste vrijheden. Wij vreezen
noch den hartstocht, noch het schandaal, noch het misbruik van de
vrijheid van spreken, hoe gevaarlijk dit alles ook moge wezen. En wat
de drukpers aangaat, mijne heeren, zij heeft nog nooit zoo'n groote
vrijheid genoten onder een regeering, die besloten heeft zich te doen
eerbiedigen. Alle groote kwesties, alle ernstige belangen hebben hun
organen. De regeering bestrijdt alleen de verbreiding van gevaarlijke
leerstellingen, de verspreiding van vergift. Maar, begrijpt mij wel,
wij hebben de grootste achting voor de eerlijke pers, die de stem der
publieke opinie is. Zij helpt ons bij onze taak; dat de regeering er
beslag op heeft gelegd, geschiedde alleen om haar niet in de handen
van onze vijanden te laten vallen.
Goedkeurende lachjes werden gehoord. Rougon naderde intusschen het slot
van zijn rede. Hij hield den rand der tribune krampachtig omklemd,
boog zijn lichaam naar voren en zwaaide zijn rechterarm door de
ruimte. Plotseling scheen hij doldriftig te worden. Zijn uitgestoken
vuist bedreigde een onzichtbaren vijand. Dat was het roode spook. In
een paar dramatische volzinnen schilderde hij het roode spook, dat
met zijn bebloed vaandel wuifde, zijn brandfakkel zwaaide, stroomen
bloeds achter zich liet. De alarmklok uit de dagen van oproer klonk
in zijn stem; men hoorde de kogels fluiten, men zag de brandkasten
der Bank openbreken, het geld der burgers rooven en verdeelen. De
afgevaardigden op de banken verbleekten. Daarop kwam Rougon weer
tot kalmte en met loftuitingen, die klonken als het zwaaien van
wierookvaten, zei hij ten slotte van den keizer:
--Goddank, wij zijn onder de hoede van dien vorst, dien de
Voorzienigheid heeft uitverkoren om ons te redden. Wij kunnen ons
gerust op zijn wijze inzichten verlaten. Hij heeft ons bij de hand
gevat en hij brengt ons midden door de gevaren naar een veilige haven.
Donderende toejuichingen barstten los. De vergadering werd bijna tien
minuten geschorst. Een aantal afgevaardigden snelden op den minister
toe, die hijgend en bezweet naar zijn bank terugkeerde. Mijnheer La
Rouquette, mijnheer Combelot, honderd anderen wenschten hem geluk,
staken hun arm uit om een handdruk van hem op te vangen. Het was
een geestdrift die zich aan de gansche zaal meedeelde. Zelfs op de
galerijen werd druk gesproken en gegesticuleerd. Mijnheer de Marsy en
Clorinde hadden elkander toegeknikt; zij moesten bekennen dat de groote
man een overwinning behaald had. Rougon had door zijn redevoering
den grond gelegd tot dat groote aanzien waartoe hij zou geraken.
Intusschen stond er weer een andere spreker op de tribune. Hij had
een waskleurig, gladgeschoren gezicht, met lange gele haren, die in
enkele krullen op zijn schouders afhingen. In een stijve houding,
zonder een enkel gebaar te maken, begon hij de groote vellen papier
voor te lezen, die hij voor zich had uitgespreid. De boden riepen:
--Stilte, heeren! Stilte, alsjeblieft!
De spreker wenschte de regeering eenige inlichtingen te vragen. Hij
toonde zich zeer geërgerd over de afwachtende houding van Frankrijk
tegenover den heiligen Stoel, die door Italië bedreigd werd. De
wereldlijke macht was de heilige arke des verbonds, en het adres
moest een stellig uitgedrukten wensch, een gebiedend verlangen zelfs,
bevatten naar haar onverminderde handhaving. De redenaar verdiepte
zich in historische herinneringen, hij toonde aan dat het christelijk
recht, verscheidene eeuwen voor de verdragen van 1815, de politieke
orde in Europa gevestigd had.
Daarop verklaarde de spreker dat hij met ontzetting waarnam hoe de oude
Europeesche maatschappij zich langzamerhand oploste in de beroeringen
der volkeren. Bij zekere al te directe zinspelingen op den koning
van Italië ontstond er een rumoer in de zaal. Maar de dichte groep
der clericalen, bijna honderd leden sterk, luisterde aandachtig toe,
gaf bij iederen volzin teekenen van instemming en knikte devoot met
het hoofd zoo dikwijls hun collega den naam van den paus uitsprak.
De spreker eindigde met een gezegde, dat een luid bravogeroep uitlokte.
--Het wekt mijn misnoegen, zei hij, dat het trotsche Venetië, de
koningin der Adriatische zee, de nederige vazal van Turijn is geworden.
Rougon, wiens nek nog met zweet bedekt was, die schor en uitgeput
van het spreken was, wou toch dadelijk antwoorden. Het was een mooi
schouwspel. Hij stelde zijn vermoeidheid ten toon, sleepte zich
naar de tribune, waar hij aanvankelijk slechts stamelende geluiden
uitbracht. Hij uitte bittere klachten dat hij onder de tegenstanders
der regeering mannen van aanzien vond, die tot dusver trouw gebleven
waren aan de instellingen van het keizerrijk. Er heerschte zeker
een misverstand; zij wilden toch niet de rijen der revolutionnairen
versterken, een gezag aan het wankelen brengen, dat voortdurend de
zegepraal van den godsdienst beoogde. En zich naar de rechterzijde
wendend, sprak hij die aan met pathetische gebaren en een geveinsde
nederigheid, als sprak hij tot machtige vijanden, de eenige die in
staat waren hem te doen beven.
Maar langzamerhand had zijn stem al haar nadruk hernomen. De geheele
zaal weerklonk van zijn bulderend geluid, hij sloeg zich met zijn
vuisten op de borst.
--Men heeft ons van ongodsdienstigheid beschuldigd. Men heeft
gelogen! Wij zijn vol eerbied voor de Kerk en wij zijn zoo gelukkig
te gelooven.... Ja, mijne heeren, het geloof is onze gids en onze
steun bij die dikwijls zoo moeielijke regeeringstaak. Wat zou er
van ons worden, indien wij ons niet aan de hand der Voorzienigheid
overgaven? Wij beweren slechts de nederige uitvoerder van haar plannen,
het gehoorzame werktuig van Gods wil te zijn. En die overtuiging
geeft ons het recht onze stem luid te doen hooren en een weinig goed
te doen.... Mijne heeren, ik verblijd mij over de gelegenheid die mij
hier geschonken is om hier met al den gloed van mijn katholiek hart
voor den priestervorst neer te knielen, voor dien verheven grijsaard,
waarvan Frankrijk steeds de waakzame, verknochte dochter zal blijven.
De toejuichingen barstten reeds voor het einde zijner rede los. De
triomf werd een apotheose. De zaal daverde.
Bij het heengaan wachtte Clorinde Rougon op. In drie jaren hadden
zij geen woord met elkander gewisseld. Toen hij verscheen, als
verjongd, met veerkrachtiger tred, nadat hij in éen uur tijds zijn
geheele politieke leven verloochend had, om onder den schijn van het
parlementarisme zijn onstuimige begeerte naar macht te bevredigen,
gaf zij aan een plotselinge opwelling gehoor, en met uitgestrekte
hand en vochtigwarmen blik sprak zij:
--Ge zijt toch een kranige kerel!