Clorinde's macht begon zich op dit tijdstip met haar zonderlinge
manieren te ontwikkelen. Zij bleef het excentrieke meisje, dat Parijs
op een huurpaard doortrok om een echtgenoot te zoeken, maar het
groote meisje was nu vrouw geworden, met een breede buste en stevige
heupen, die op de kalmste wijze voortging de buitengewoonste dingen
te doen, die haar lang gekoesterden wensch om iets te beteekenen,
verwezenlijkt had. Haar eindelooze tochten naar afgelegen wijken,
haar briefwisseling die de vier hoeken van Frankrijk en Italië met
brieven overstroomde, de voeling die zij voortdurend onderhield
met politieke personen in wier vertrouwen zij zich drong, al die
schijnbaar stelsellooze bedrijvigheid was eindelijk uitgeloopen op
een werkelijken, onbetwistbaren invloed. Zij liet nog wel eens dwaze
plannen, buitensporige verwachtingen hooren, wanneer zij ernstig
aan het spreken was; zij droeg nog overal haar groote, gebarsten
portefeuille als een pop in haar armen mee, met zoo'n overtuiging,
dat de voorbijgangers moesten glimlachen, wanneer zij haar zoo met
lange, morsige rokken zagen voorbijgaan. Toch raadpleegde men haar,
men vreesde haar zelfs. Niemand had met juistheid kunnen zeggen
waaraan zij haar macht ontleende; de bronnen waren zoo menigvuldig,
zoo verwijderd, zoo onzichtbaar, dat het moeielijk viel ze te
ontdekken. Men wist hoogstens enkele anekdotes, stukjes en brokjes van
allerhande geschiedenissen, die men elkander toefluisterde. Het geheel
van deze zonderlinge figuur loste zich op in een verwarde verbeelding,
een gezond verstand dat aangehoord en gehoorzaamd werd, een heerlijk
gevormd lichaam, waarin misschien het eenige geheim van haar macht
school. Trouwens, wat kwam het er op aan waarop Clorinde's macht
berustte? Het was voldoende dat zij heerschte, en men boog voor haar.
Het was voor de jonge vrouw een tijdvak van overheersching. Haar
kleedkamer, waar slecht afgedroogde waschkommen slingerden, was het
centrum der politiek van alle Europeesche hoven. Langs kanalen die
onbekend bleven, ontving zij nog vóor de gezanten allerlei tijdingen,
uitgewerkte rapporten, waarin de minste polsslagen in het leven der
gouvernementen vooruit werden aangekondigd. Zij hield dan ook een hof,
bankiers, diplomaten, intieme kennissen, die kwamen om iets van haar te
weten te komen. De bankiers vooral toonden zich echte hovelingen. Een
hunner had zij in éen dag honderd millioen francs laten winnen,
enkel door de vertrouwelijke mededeeling dat er een verandering
van ministerie in een naburigen staat op til was. Zij versmaadde al
dat handel drijven van de lagere politiek; zij liet alles los wat
zij wist, de babbelpraatjes van de diplomatie, de internationale
beuzelingen uit de hoofdsteden, alleen om te kunnen praten en om te
toonen dat zij op alle steden tegelijk het oog hield, op Turijn,
Weenen, Madrid, Londen, tot zelfs op Berlijn en St. Petersburg;
dan vloeide er een onuitputtelijke stroom van inlichtingen over de
gezondheid der koningen, hun liefdesbetrekkingen, hun gewoonten, over
het politieke personeel van ieder land, over de chronique scandaleuse
van het kleinste Duitsche hertogdom. Zij beoordeelde de staatslieden
met een enkel woord, sprong zonder overgang van het Noorden op het
Zuiden, roerde achteloos met haar vingertoppen de koninkrijken aan,
leefde er in alsof zij thuis was, alsof de uitgestrekte aarde met
haar steden en haar volkeren in een speelgoeddoos geborgen was,
waarin zij naar willekeur de bordpapieren huisjes en houten mannetjes
verschikte. En als zij, van al dat gebabbel vermoeid, zweeg, klapte zij
met haar duim tegen haar middelvinger, een gebaar dat haar eigen was,
en waarmee zij te kennen wilde geven dat dit alles geen zier waard was.
Voor het oogenblik werd haar aandacht, te midden van haar menigvuldige
bezigheden, hoofdzakelijk geboeid door een hoogstgewichtige zaak,
waarover zij haar best deed niet te spreken, zonder zich echter het
genoegen te kunnen ontzeggen er nu en dan op te zinspelen. Zij wilde
Venetië veroveren. Wanneer zij van den grooten Italiaanschen minister
sprak, zei zij heel gemeenzaam "Cavour". Dan heette het "Cavour
wou niet, maar ik wou wel, en hij heeft toegegeven". Zij sloot zich
ochtend en avond met ridder Rusconi in de legatie op. Trouwens, "de
zaak" marcheerde nu heel goed. En kalm, haar smal godinnenvoorhoofd
achterover werpend, in een soort van somnabulisme sprekend, liet
zij zich woorden zonder verband, halve bekentenissen ontvallen: een
geheime samenkomst van den keizer met een buitenlandsch staatsman,
het ontwerp van een alliantie-tractaat waarvan enkele artikelen nog
besproken moesten worden, een oorlog tegen het volgende voorjaar. Op
andere dagen weer was zij woedend; zij schopte tegen de stoelen
in haar kamer en zette de waschkommen zoo hardhandig neer, dat
zij bijna braken; het leek de toorn eener koningin, die door domme
ministers verraden wordt en haar koninkrijk van kwaad tot erger ziet
vervallen. Op zulke dagen strekte zij tragisch haar prachtigen blooten
arm met gesloten vuist, naar den kant van Italië uit, met den uitroep:
O, als ik daarginds was, zouden ze zooveel domheden niet uithalen!
De beslommeringen van de hoogere politiek beletten Clorinde niet
allerlei bezigheden tegelijk te verrichten, waarin zij ten slotte
zelf geen weg meer wist te vinden. Men vond haar menigmaal op haar
bed zitten, met den inhoud van haar groote brieventasch op de dekens
uitgespreid, tot aan de ellebogen in dien stapel papieren begraven,
radeloos van kwaadheid; zij kon niet wijs worden uit dien berg van
losse papieren, of ze zocht naar een weggeraakt dossier, dat zij
eindelijk achter een kast, onder haar oude schoenen of tusschen
haar vuil linnengoed terugvond. Wanneer zij uitging om een zaak
af te handelen, wikkelde zij zich onderweg in twee of drie nieuwe
avonturen. Zij leefde in een voortdurende opwinding, in een warnet van
de ingewikkeldste, onbegrijpelijkste intriges. Wanneer zij 's avonds,
na den heelen dag door Parijs gedwaald te hebben, met knieën stijf
van het trappen klimmen, thuiskwam en tusschen de plooien van haar
rokken de moeielijk te omschrijven geuren uit de omgevingen waarin
zij verkeerd had, meebracht, had niemand ook maar voor de helft kunnen
vermoeden, hoeveel zaken zij in alle hoeken van de stad gedreven had;
en als men er haar naar vroeg, begon zij te lachen, wist zij het
zelf niet.
Om dezen tijd kreeg zij den zonderlingen inval haar intrek in een
"cabinet particulier" van een der grootste restauraties op den
boulevard te nemen. Het hôtel van de rue du Colisée, zei ze, was overal
even ver vandaan; ze had liever een optrekje in het centrum der stad,
en zij richtte het cabinet particulier tot haar kantoor in. Daar
ontving zij twee maanden lang de hoogste personnages. Ambtenaren,
gezanten, ministers meldden zich daar aan. Zij, volkomen thuis,
verzocht hen plaats te nemen op de sofa, die nog de indrukken vertoonde
van de dames, die er bij het laatste carnaval gesoupeerd hadden. Zelf
bleef zij voor de altijd gedekte tafel staan, vol broodkruimels en
papieren. Zij kampeerde er als een generaal. Op een avond, toen
zij zich ongesteld voelde, was zij rustig te bed gaan liggen in
de zolderkamer van den oberkellner, die haar bediende, een flinken
jongen man, door wien zij zich liet zoenen. Tegen middernacht ging
zij eerst naar huis.
Met dat al was Delestang een gelukkig man. Hij scheen de zonderlinge
gewoonten van zijn vrouw niet op te merken. Zij had hem nu geheel
in haar macht, zij beschikte over hem naar willekeur, zonder dat
hij aan een tegenwerping dacht. Zijn geaardheid maakte hem voor dat
juk voorbeschikt. Hij bevond zich te goed bij die overgave van zijn
eigen wil, dan dat hij ooit zou trachten zich te verzetten. Op de
dagen waarop zij hem bij zich toegelaten had, bewees hij allerlei
kleine diensten bij het opstaan; hij zocht overal onder de meubels
naar haar laarsjes van verschillende paren, haalde het linnengoed
in een kast overhoop om een hemd zonder gaten te vinden. Het was
hem voldoende indien hij zich voor de wereld met een glimlach op
het gelaat kon vertoonen. Men kreeg bijna respect voor hem, wanneer
hij met een opgeruimd gezicht vol liefdevolle bescherming over zijn
vrouw sprak. Clorinde, oppermachtige heerscheres geworden, was op het
denkbeeld gekomen om haar moeder uit Turijn terug te laten komen;
zij wenschte dat de gravin de Balbi voortaan zes maanden van het
jaar bij haar zou doorbrengen. 't Was een plotselinge losbarsting van
kinderlijke teederheid. Ze haalde een heele verdieping van het hôtel
overhoop om de oude dame zoo dicht mogelijk bij haar eigen vertrekken
te huisvesten. Zij kwam zelfs op het idee van een verbindingsdeur,
waardoor zij uit haar kleedkamer in het slaapvertrek van haar moeder
kon komen. Vooral tegenover Rougon stalde zij haar genegenheid uit
met een Italiaansche overdrevenheid van liefkoozende termen. Hoe
had ze ooit kunnen goedvinden zoo lang van de gravin gescheiden te
blijven, zij die haar voor haar huwelijk nooit een uur alleen gelaten
had? Zij beschuldigde zich van hardvochtigheid. Maar zij kon het
niet helpen, ze was gezwicht voor raadgevingen, voor een beweerde
noodzakelijkheid, die zij nu nog niet inzag. Rougon bleef volkomen
bedaard. Hij hield geen zedepreeken meer, trachtte ook niet meer haar
tot een der gedistingeerdste dames van Parijs te maken. Vroeger had
zij de ledigheid van zijn bestaan aangevuld, toen zijn bloed door het
nietsdoen in gisting geraakte, de zinnelijke begeerten in zijn rustende
worstelaarsleden opgewekt werden. Nu in den strijd des levens, dacht
hij niet meer aan die dingen; zijn beetje zinnelijkheid ging op in zijn
veertienurige dagtaak. Hij bleef vriendelijk met haar omgaan, met dat
zweempje minachting dat hij tegenover vrouwen placht te toonen. Toch
kwam hij haar van tijd tot tijd bezoeken, met een flikkering van den
ouden, nooit voldanen hartstocht in de oogen. Zij bleef zijn ondeugd,
de eenige vrouw die hem zijn kalmte kon benemen. Sedert Rougon het
ministerie bewoonde, waar zijn vrienden tot hun spijt geen gezellige
samenkomsten met hem konden houden, was Clorinde op het denkbeeld
gekomen om den troep bij zich aan huis te ontvangen. Langzamerhand
werd het een gewoonte. En om beter te doen uitkomen, dat haar soirées
die van de rue Marbeuf vervingen, koos zij eveneens den Zondag en den
Donderdag. Maar in de rue du Colisée bleef men tot één uur in den
nacht bijeen. Zij ontving in haar boudoir, daar Delestang altijd,
uit vrees voor vetvlekken, de sleutels van het groote salon onder
zijn berusting hield. Daar het boudoir zeer klein was, liet zij haar
slaapkamer en haar kleedkamer open, zoodat men meestal in de kamer zat,
midden tusschen de prullen die overal rondslingerden.
's Zondags en Donderdags, was Clorinde er altijd op bedacht vroeg
genoeg thuis te komen om haastig te dineeren en de honneurs waar
te nemen. Maar ofschoon zij er altijd aan trachtte te denken,
had zij toch twee keeren haar gasten geheel vergeten, zoodat zij
uiterst verbaasd was zooveel menschen om haar bed te zien, toen zij
na middernacht thuis kwam. Op een Donderdag, in de laatste dagen
van Mei, kwam zij bij uitzondering tegen vijf uur thuis; zij was te
voet uitgegaan en van af de place de la Concorde was zij onder een
stortbui voortgeloopen, zonder het van zich te kunnen verkrijgen
dertig sous voor een rijtuig uit te geven om haar de Champs-Elysées
over te brengen. Druipnat ging zij onmiddellijk naar haar kleedkamer,
waar haar kamenier Antonia, de lippen geheel met confituren besmeerd,
haar uitkleedde, terwijl zij hartelijk lachte om die natte kleeren,
waaruit het water op den vloer afdroop.
--Er is een heer voor u, zei Antonia eindelijk, toen zij op den grond
was gaan zitten om Clorinde's laarsjes uit te trekken. Hij wacht al
een uur lang.
Clorinde vroeg haar hoe de heer er uitzag. De heer was dik, bleek
en zag er deftig uit, verklaarde de kamenier, die met haar slordig
kapsel en vette japon nog steeds op den grond zat.
--O, jawel, mijnheer de Reuthlinguer, de bankier, riep de jonge
vrouw uit. Dat is zoo, hij zou om vier uur komen. Nu, laat hem
wachten.... Maak een bad voor me klaar, wil je?
En zij strekte zich bedaard in de badkuip uit, achter een gordijn
in een hoek van de kamer. Daar las zij de brieven die in haar
afwezigheid bezorgd waren. Na een groot half uur verscheen Antonia
weer en mompelde:
--Die mijnheer heeft mevrouw zien thuis komen. Hij wou haar graag
spreken.
--Hé ja, ik had den baron al vergeten! zei Clorinde, die in de badkuip
overeind ging staan. Kleed me maar vlug aan.
Maar zij was dien avond moeielijk te voldoen met haar toilet. Ofschoon
zij haar uiterlijk meestal veronachtzaamde, had zij soms buien,
waarin zij haar lichaam als het ware verafgoodde. Dan vond zij,
naakt voor haar spiegel staande, allerlei verfijningen uit, zij
liet zich de ledematen met zalfjes wrijven, met balsems, aromatische
oliën, die zij alleen kende; zij had ze te Konstantinopel gekocht,
bij den parfumeur van het serail, zei ze, door bemiddeling van een
Italiaanschen diplomaat dien zij kende. En terwijl Antonia haar
inwreef, nam zij de houding van een standbeeld aan. Dat zou haar
huid blank, zacht en duurzaam als marmer maken; een zekere olie,
waarvan zij zelf de druppels op een lapje flanel uittelde, had de
wonderbaarlijke eigenschap de kleinste rimpels weg te nemen. Daarop
verdiepte zij zich in een nauwkeurig onderzoek van haar handen en
voeten. Ze had zoo een dag lang kunnen doorbrengen in zelfaanbidding.
Maar na verloop van drie kwartier, toen Antonia haar een hemd en een
onderrok had aangedaan, kwam zij plotseling tot bezinning.
--O ja, de baron!.... Och, laat hem maar binnenkomen! Hij weet wel
hoe een vrouw er uitziet.
Mijnheer de Reuthlinguer had al meer dan twee uren geduldig zitten
wachten. De bleeke, koude, streng zedelijke bankier, die een der
grootste fortuinen van Europa bezat, wachtte aldus, sedert eenigen
tijd, een paar malen per week bij Clorinde. Hij ontving haar
zelfs bij zich aan huis, in die kiesche, strenge omgeving, waar
het dienstbodenpersoneel ontzet stond over het onwelvoegelijke van
Clorinde's kleeding en manieren.
--Bonjour, baron! riep zij. Ik word gekapt, kijk u maar niet naar mij.
Zij zat half naakt, haar hemd was van de schouders gegleden. De baron
lachte toegevend met zijn bleeke lippen; en hij stond naast haar,
met koele, heldere oogen, uiterst beleefd buigend.
--U komt om het nieuws, niet waar?.... Ik weet juist iets.
Zij stond op en zond Antonia heen, die de kam in haar haren liet
zitten. Zij was zeker nog bang dat men haar hooren zou, want zij legde
de hand op den schouder van den bankier, ging op haar teenen staan
en fluisterde hem iets toe. De bankier had, terwijl hij luisterde,
de oogen op haar boezem gevestigd, maar scheen er niet op te letten,
hij knikte levendig met het hoofd.
--Ziedaar, besloot zij hardop. Nu kunt ge uw gang gaan.
Hij vatte haar weer bij haar arm, trok haar naar zich toe om haar nog
enkele uitleggingen te vragen. Tegenover een zijner klerken had hij
zich niet meer op zijn gemak kunnen voelen. Toen hij haar verliet,
vroeg hij haar tegen den volgenden dag ten eten; zijn vrouw vond het
zoo vervelend dat hij haar niet zag. Zij vergezelde hem tot aan de
deur. Maar plotseling kruiste zij haar armen over haar borst en riep
blozend uit:
--Dat is ook wat, ik ga maar zoo met u mee!
Toen voer zij uit tegen Antonia. Dat meisje was zoo langzaam. En zij
gunde haar nauwelijks den tijd om haar te kappen; ze zei dat ze niet
graag zooveel tijd aan haar toilet besteedde. Ondanks het seizoen wou
zij een lange zwartfluweelen japon aantrekken, een losse blouse met
een rood zijden koord om de taille gesloten. Tweemaal had men mevrouw
al komen waarschuwen dat het diner gereed was. Maar terwijl zij haar
kamer doorging, vond zij er drie heeren, van wier aanwezigheid niemand
iets scheen te weten. Het waren de drie politieke uitgewekenen de
heeren Brambilla, Staderino en Viscardi. Zij liet volstrekt geen
verbazing blijken toen zij ze daar zag.
--Wacht u mij al lang? vroeg zij.
--Ja, ja, antwoordden zij, langzaam met het hoofd wiegelend.
Zij waren al vóor den bankier gekomen. Naast elkander op dezelfde sofa
gezeten, kauwden zij groote uitgedoofde sigaren, alle drie in dezelfde
houding. Nu echter stonden zij op en omringden Clorinde. Zachtjes werd
er nu een haastig gesprek in het Italiaansch gevoerd. Zij scheen hun
instructies te geven. Een hunner maakte aanteekeningen in cijferschrift
in een zakboekje, terwijl de anderen, blijkbaar zeer opgewonden door
hetgeen zij hoorden, lichte kreten onder hun gehandschoende vingers
smoorden. Toen gingen zij achtereenvolgens met een ondoorgrondelijk
gezicht de kamer uit.
Dien Donderdag zou er 's avonds een conferentie tusschen verscheidene
ministers plaats hebben over een belangrijke zaak. Delestang beloofde
Rougon mee te brengen, maar zij trok een ontstemd gezicht, als om hem
te kennen te geven dat zij er volstrekt niet op gesteld was hem te
zien. Er was nog geen bepaalde breuk, maar zij hield zich hoe langer
hoe koeler tegenover Rougon.
Tegen negen uur kwamen mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin het eerst,
kort daarop gevolgd door mevrouw Correur. Zij vonden Clorinde in haar
kamer, op een chaise longue uitgestrekt. Zij klaagde over een van die
onbekende, buitengewone kwalen, die haar soms plotseling overvielen,
ditmaal had zij bepaald een vlieg ingeslikt; ze voelde het insekt
in haar maag rondvliegen. In haar ruime zwartfluweelen blouse tegen
drie kussens geleund, met haar bleek gelaat en haar ontbloote armen
was zij als een van die liggende figuren, die in peinzende houding
tegen de monumenten aanleunen. Aan haar voeten tokkelde Luigi Pozzo
zachtjes op een gitaar; hij had de schilderkunst in den steek gelaten
voor de muziek.
--U wilt zeker wel gaan zitten, mompelde ze. U zult me, hoop ik,
verontschuldigen. Ik heb op de een of andere manier een dier naar
binnen gekregen.
Pozzo ging voort op zijn gitaar te tokkelen, terwijl hij met een
verrukt gezicht, als verzonken in een aanschouwing, zachtjes daarbij
zong. Mevrouw Correur schoof een stoel naast de jonge vrouw. Mijnheer
Kahn en mijnheer Béjuin vonden na eenig zoeken een paar onbezette
stoelen. Het was niet gemakkelijk een plaats te vinden, want de vijf
of zes stoelen in de kamer waren bijna onzichtbaar onder de stapels
rokken. Toen kolonel Jobelin en zijn zoon Auguste zich vijf minuten
later aanmeldden, moesten zij blijven staan.
--Kleine, zei Clorinde tot Auguste, dien zij nog altijd, ondanks
zijn zeventien jaren, tutoyeerde, ga jij eens twee stoelen uit de
kleedkamer halen.
Het waren rieten stoelen, waarvan de leuningen geheel dof waren door de
natte doeken die er altijd op gelegd werden. Een enkele lamp, waarover
een rose papieren kap, verlichtte de kamer; een andere stond in de
kleedkamer en een derde in het boudoir; door de halfgeopende deuren
zag men schemerachtige hoekjes, duistere plekjes waar nachtlichtjes
schenen te branden. De kamer zelve, waarvan het behangsel vroeger zacht
mauvekleurig was, maar nu vuil grijs geworden was, zag er uit alsof zij
vol damp was; men onderscheidde ternauwernood de afgescheurde hoekjes
aan de fauteuils, de stof die op de meubelen lag, een groote inktvlek
midden op het tapijt, inktspatten tegen het houtwerk; de gordijnen
van het bed achterin waren dicht geschoven, opdat men de wanorde der
dekens niet zien zou. En in dat halfduister steeg er een geur omhoog,
alsof alle reukfleschjes van de kleedkamer ongekurkt waren blijven
staan. Clorinde wou volstrekt niet, zelfs niet in het warmste weer,
dat de ramen geopend werden.
--'t Ruikt hier verbazend lekker, zei mevrouw Correur om haar iets
vriendelijks te zeggen.
--Dat ben ik zelf, antwoordde de jonge vrouw naïef.
En zij sprak over de essences, die zij van den parfumeur der
sultanes ontving. Zij hield haar blooten arm onder den neus van
mevrouw Correur. Haar zwart fluweelen blouse was wat afgegleden;
haar voeten, in roode pantoffeltjes gestoken, waren zichtbaar. Pozzo,
half bedwelmd door de sterke geuren die uit haar opstegen, tokkelde
zachtjes met den duim op zijn instrument.
Na weinige minuten kwam het gesprek intusschen op Rougon, zooals dat
iederen Donderdag en Zondag het geval was. Het troepje kwam uitsluitend
bijeen om dat eeuwigdurend onderwerp uit te putten, een geheime,
steeds aangroeiende wrok, een behoefte om hun gemoed lucht te geven
in eindelooze beschuldigingen. Clorinde gaf zich zelfs de moeite niet
meer om ze aan te hitsen; zij brachten steeds nieuwe grieven te berde,
ontevreden, jaloersch en verbitterd als zij waren door al wat Rougon
voor hen gedaan had. Een koorts van ondankbaarheid woelde in hen.
--Hebt u den dikke vandaag gezien? vroeg de kolonel.
Nu was Rougon niet meer "de groote man".
-- Neen, antwoordde Clorinde. We zullen hem van avond misschien
zien. Mijn man wil hem met alle geweld meebrengen.
--Ik ben vanmiddag in een koffiehuis geweest waar men een heel scherp
oordeel over hem uitsprak, hernam de kolonel na een korte stilte. Men
verzekerde dat hij niet vast meer stond, dat hij het geen twee maanden
meer zou uithouden.
Mijnheer Kahn maakte een gebaar van minachting en zei:
--En ik geef hem geen drie weken meer. Rougon is geen man om te
regeeren zie je, hij is te veel belust op macht, hij raakt er door
bedwelmd en dan slaat hij er links en rechts op los: hij regeert
met stokslagen, met een weerzinwekkende ruwheid. Kortom, sedert vijf
maanden heeft hij schandelijke dingen bedreven....
--Ja, ja, viel de kolonel hem in de rede, allerlei machtsmisbruiken,
onrechtvaardigheden, dwaasheden.... Hij maakt wezenlijk misbruik.
Mevrouw Correur zei niets, maar maakte een gebaar alsof zij zeggen
wou dat zijn hoofd niet al te sterk was.
--Dat is het, hernam mijnheer Kahn, haar gebaar opmerkend. Hij is
wat zwak van hoofd, hè?
En daar men hem aankeek, meende mijnheer Béjuin ook een woordje te
moeten meespreken.
--O, Rougon is niet sterk, heelemaal niet sterk!
Clorinde, met het hoofd achterover op de kussens geleund, keek naar den
lichtenden kring van de lamp tegen het plafond, en liet ze begaan. Toen
zij zwegen, zei zij op haar beurt, om ze aan te hitsen:
--Hij heeft zonder twijfel misbruik gemaakt, maar hij beweert al
wat men hem verwijt, gedaan te hebben met het eenige doel om zijn
vrienden te verplichten.... Ik sprak er laatst nog met hem over. De
diensten die hij u bewezen heeft....
--Ons, ons! riepen zij alle vier woedend.
Zij spraken allen dooreen, maar mijnheer Kahn schreeuwde het hardst.
--De diensten die hij mij bewezen heeft! Wat een dwaasheid!.... Ik
heb bijna twee jaar op mijn concessie moeten wachten. Dat heeft
me geruïneerd. De zaak, die prachtig was, is zeer bezwarend
geworden.... Als hij zooveel van mij houdt, waarom komt hij me dan
niet te hulp! Ik heb hem verzocht aan den keizer een wet te vragen,
waarbij ik mijn maatschappij met die van den Wester-spoorweg zou kunnen
samensmelten; hij heeft me geantwoord dat ik moest wachten.... De
diensten van Rougon, die zou ik eens willen zien! Hij heeft nooit
iets gedaan, en hij kan niets meer doen!
--En ik, en ik, hernam de kolonel, met een gebaar het woord van
mevrouw Correur afsnijdend, en ik, denkt u soms dat ik hem iets te
danken heb? Hij spreekt toch niet over het commandeurskruis, dat mij al
sedert vijf jaar beloofd is?.... Hij heeft Auguste op het ministerie
geplaatst, dat is waar; maar daar heb ik spijt genoeg van gehad. Als
ik Auguste in den handel gedaan had, zou hij nu al het dubbele
verdienen.... Die ezel van een Rougon heeft me gisteren verklaard dat
Auguste in de eerste anderhalf jaar geen opslag kan krijgen. Als hij
op die manier zijn krediet ruïneert om zijn vrienden te helpen!
Mevrouw Correur kon eindelijk ook eens haar gemoed lucht geven. Zij
had zich naar Clorinde overgebogen.
--Zeg eens, mevrouw, hij heeft mij toch niet opgenoemd? Ik heb niet
zóoveel van hem ontvangen. Ik moet de kleur van zijn weldaden nog
zien. Dat kan hij niet eens zeggen, en als ik spreken wou.... Ik
heb voor verscheidene dames onder mijn kennissen moeite gedaan,
dat wil ik niet ontkennen; ik bewijs iemand graag een dienst. Nu,
één opmerking heb ik gemaakt: al wat hij toestaat, loopt verkeerd
uit, zijn gunsten schijnen ongeluk aan te brengen. Daar hebt u bij
voorbeeld Herminie Billecoq, een oud-leerlinge van Saint-Denis, die
door een officier verleid is, en voor wie hij dan een bruidschat
gevonden had; daar is ze mij van morgen een ramp komen vertellen;
het huwelijk is afgesprongen, de officier is er van door gegaan,
nadat hij het geld had ingepalmd.... Hoort u wel, altijd voor anderen,
nooit voor mijzelve. Onlangs, toen ik met mijn erfenis uit Coulonges
ben gekomen, ben ik bij hem geweest om hem de kunstgrepen van mevrouw
Martineau te vertellen. Bij de deeling wenschte ik het huis te hebben
waarin ik geboren ben, en die vrouw heeft het zoo weten te plooien
dat zij het houdt.... Weet u wat zijn eenig antwoord was? Hij heeft
mij tot driemaal toe herhaald dat hij zich met die leelijke zaak niet
meer wou inlaten.
Intusschen schoof mijnheer Béjuin ook al onrustig op zijn stoel. Hij
stotterde:
--Met mij is het evenzoo.... Ik heb hem nooit wat gevraagd, nooit! Al
wat hij heeft kunnen doen, was zonder mijn willen of weten. Hij maakt
er gebruik van dat men niets zegt om u in te palmen, ja dat is het
rechte woord, in te palmen....
Zijn stem stierf weg in een onduidelijk gemompel. En alle vier bleven
zij elkander hoofdschuddend aankijken. Toen begon mijnheer Kahn weer
op een plechtstatigen toon:
--Wilt u nu de eigenlijke waarheid hooren?.... Rougon is een
ondankbare. Heugt het u nog dat we met ons allen dag aan dag op de
vlakte waren om hem in het ministerie te krijgen. Wat hebben wij ons
voor hem ingespannen, hè, eten en drinken lieten we er voor staan! In
dien tijd heeft hij een schuld jegens ons op zich geladen, die hij
zijn leven lang niet kan aflossen. En nu valt de dankbaarheid hem te
zwaar, hij laat ons in den steek. Dat was te voorzien.
--Ja, ja, hij heeft ons alles te danken! riepen de anderen. Hij
beloont er ons mooi voor!
Een oogenblik verpletterden zij hem onder de opsomming van hun
weldaden; wanneer de een zweeg, voerde de ander een nog bezwarender
feit aan. Maar plotseling keek de kolonel ongerust de kamer rond;
Auguste was er niet meer. Op dit oogenblik kwam er een vreemd geluid
uit de kleedkamer, een soort van zacht, aanhoudend geplas. De kolonel
ging er haastig op af. Hij vond Auguste, verdiept in de beschouwing
van de badkuip, die Antonia vergeten had te ledigen. Schijfjes
citroen, die Clorinde gebruikt had voor haar nagels, dreven er in
rond. Auguste doopte zijn vingers in het water en berook ze, met een
jongensachtigen wellust.
--Die kleine is onuitstaanbaar, zei Clorinde halfluid. Hij snuffelt
overal rond.
--Mijn hemel! ging mevrouw Correur zacht voort, nadat de kolonel de
kamer verlaten had, wat Rougon vooral ontbreekt is tact.... Zoo,
onder ons gezegd, nu de kolonel er niet bij is, heeft Rougon er
heel verkeerd aan gedaan dien jongen op het ministerie te plaatsen,
en daarbij over alle formaliteiten heen te stappen. Zulke diensten
moet men zijn vrienden niet bewijzen. Men verliest er de achting door.
Maar Clorinde viel haar in de rede en fluisterde:
--Ga toch eens zien wat ze daar uitvoeren, mevrouwlief.
Mijnheer Kahn glimlachte. Toen mevrouw Correur weg was, liet hij op
zijn beurt de stem dalen.
--Zij is alleraardigst!.... De kolonel is door Rougon met weldaden
overladen. Maar zij heeft zich waarlijk ook niet te beklagen. Rougon
heeft zich voorwaar deerlijk de vingers gebrand, in die treurige
zaak Martineau. Hij heeft daarbij een bewijs gegeven van weinig
moraliteit. Men doodt toch zijn medemensch niet om een oude kennis
aangenaam te zijn, niet waar?
Hij was opgestaan en liep met kleine stapjes het vertrek rond. Daarop
ging hij naar de voorkamer om zijn sigarenkoker uit zijn jaszak te
halen. De kolonel en mevrouw Correur kwamen weer binnen.
--Hé, Kahn is gevlogen, zei de kolonel.
En zonder inleiding riep hij:
--Wij kunnen Rougon doorhalen, maar ik vind dat Kahn zijn mond moet
houden. Ik mag die hartelooze menschen niet.... Daar straks heb ik
niets willen zeggen. Maar in het koffiehuis waar ik van middag geweest
ben, werd ronduit gezegd dat Rougon in ongenade zou vallen, omdat hij
zijn naam geleend had aan die groote oplichterij van den spoorweg
Niort-Angers. Zoo'n gebrek aan doorzicht is onvergeeflijk. Wat een
domheid van dien dikke, om mijnen te laten springen en ellenlange
redevoeringen te houden, waarin hij zich zelfs veroorlooft de
verantwoordelijkheid van den keizer er bij te halen!.... Ziedaar,
vrienden! Kahn is eigenlijk degeen, die ons in den drek heeft
geholpen. Denkt ge er ook niet zoo over, Béjuin?
Mijnheer Béjuin stemde volmondig toe. Hij had zijn instemming al
betuigd met de woorden van mevrouw Correur en mijnheer Kahn. Clorinde,
die nog altijd met het hoofd achterover geleund lag, vermaakte zich met
in den kwast te bijten die aan haar zijden koord hing en waarmee zij
over haar gezicht streek als om zich te kittelen; en de wijdgeopende
oogen, waarmee zij stil naar boven lag te staren, weerspiegelden een
innerlijk genot.
--Sst! fluisterde zij.
Mijnheer Kahn trad binnen, de punt van zijn sigaar afbijtend. Hij
stak haar aan en blies een paar dikke rookwolken uit; men rookte in de
kamer van de jonge vrouw. Daarop vervolgde hij zijn afgebroken gesprek:
--Eindelijk, als Rougon beweert zijn macht in de waagschaal gesteld
te hebben om ons van dienst te zijn, verklaar ik dat wij integendeel
leelijk gecompromitteerd zijn door zijn bescherming. Hij heeft een
ruwe manier om de lui vooruit te helpen, waarbij ze hun neus tegen de
muren stooten.... Trouwens, met zijn vuisten waarmee hij wel een os
kan neervellen, ligt hij toch weer voor den grond. Dank je wel, ik heb
geen lust om hem voor de tweede maal op de been te helpen. Wanneer
iemand zijn krediet niet weet te bewaren, komt dat omdat hij geen
helder inzicht in de zaken heeft. Hij compromitteert ons, hoort ge,
hij compromitteert ons!.... Ik heb al verantwoordelijkheid genoeg,
ik laat hem in den steek.
Toch weifelde hij en klonk zijn stem flauw, terwijl de kolonel en
mevrouw Correur het hoofd bogen, hoogstwaarschijnlijk om niet in
de noodzakelijkheid te zijn even duidelijk voor hun gevoelen uit te
komen. Alles wel beschouwd, was Rougon nog altijd minister; en dan,
als zij zich van hem los maakten, moesten zij toch eerst van een
andere machtigen steun verzekerd zijn.
--De dikke is de eenige niet, zei Clorinde achteloos.
Zij keken haar aan, hopende op een meer formeele verklaring. Maar
zij maakte enkel een gebaar, als om hen tot geduld aan te manen. Die
stilzwijgende belofte van een geheel nieuwen steun, waardoor het
weldaden over hen zou regenen, was eigenlijk de voorname oorzaak
van hun trouwe bezoeken bij de jonge vrouw. Zij hadden de lucht van
een aanstaanden triomf, in die kamer met haar sterke geuren. Nu zij
meenden dat de bevrediging van hun eerste wenschen Rougon had uitgeput,
wachtten zij de komst van een jeugdiger macht, die hun nieuwe wenschen
zou bevredigen.
Intusschen had Clorinde zich op haar kussens opgericht. Op den arm
van de causeuse geleund, boog zij zich plotseling naar Pozzo over,
en met een schel lachje, alsof zij buiten zichzelve van vreugde was,
blies zij hem in den hals. Als zij heel tevreden was, had zij van
die kinderlijk vroolijke buien. De knappe Italiaan wiens hand op de
gitaar scheen te zijn ingeslapen, boog het hoofd achterover en toonde
zijn witte tanden, en hij rilde alsof hij gekitteld werd door de
liefkoozing van dien adem, en de jonge vrouw lachte luider en blies
harder, om hem genade te laten vragen. Nadat ze een oogenblik met
hem in het Italiaansch getwist had, zei ze tot mevrouw Correur:
--Hij moet zingen, niet waar?.... Als hij zingt, zal ik hem met rust
laten.... Hij heeft een heel mooi lied gemaakt.
Toen vroegen zij allen om het lied. Pozzo begon weer op zijn gitaar
te tokkelen en zong met de oogen op Clorinde gericht. Het was een
hartstochtelijk gemurmel, met een accompagnement van zachte akkoorden;
de Italiaansche woorden kon men niet verstaan, zij werden meer
gezucht dan gesproken; bij het laatste couplet, waarin waarschijnlijk
liefdesmart werd uitgedrukt, zat Pozzo, die een somberen toon aansloeg,
met een glimlach om den mond en een gezicht vol verrukking in zijn
wanhoop. Toen hij zweeg werd hij warm toegejuicht. Waarom liet hij
die mooie liederen niet uitgeven? Zijn betrekking bij de diplomatie
was toch geen beletsel.
--Ik heb een kapitein gekend die een opéra-comique heeft laten
opvoeren, zei kolonel Jobelin. Men heeft hem er niet minder om
aangezien in het regiment.
--Ja, maar in de diplomatie...., murmelde mevrouw Correur
hoofdschuddend.
--Och, ik geloof dat u het mis hebt, verklaarde mijnheer
Kahn. Diplomaten zijn menschen als alle andere. Verscheidenen houden
zich met de schoone kunsten bezig.
Clorinde had Pozzo met haar voet een duwtje in de zijde en tegelijk een
fluisterend bevel gegeven. Hij stond op en gooide de gitaar op een hoop
kleeren. En toen hij vijf minuten later terugkwam, werd hij gevolgd
door Antonia, die een blad droeg waarop een karaf met glazen stonden;
hij zelf had een suikervaas in de hand. Men dronk nooit iets anders dan
suikerwater bij de jonge vrouw en de intieme vrienden wisten wel, dat
zij de gastvrouw genoegen deden, wanneer zij enkel water gebruikten.
--Wel, wat is er? zei zij, zich omwendend naar de kleedkamer, waar
een deur kraakte.
Maar zich bedenkende riep zij uit:
--O, 't is mama.... Zij lag te bed.
't Was inderdaad de gravin Balbi, in een zwarte wollen huisjapon; over
haar hoofd had zij een kanten doekje geknoopt, waarvan de punten om
haar hals geslagen waren. Flaminio, de groote lakei met zijn langen
baard en zijn bandietengezicht, ondersteunde haar, droeg haar bijna
in zijn armen. Zij scheen niet verouderd; haar bleek gelaat behield
haar eeuwigen glimlach van gewezen koningin der schoonheid.
--Wacht, ma! hernam Clorinde. Ik zal u mijn chaise longue geven. Ik
ga wat op mijn bed liggen.... Ik voel me niet goed. Ik heb een dier
naar binnen gekregen. Daar begint het me weer te bijten.
Er had een heele verhuizing plaats. Pozzo en mevrouw Correur brachten
de jonge vrouw naar haar bed; daar moesten de dekens nog uitgespreid
en de kussens opgeschud worden. Middelerwijl strekte mevrouw Balbi
zich op de chaise longue uit. Achter haar stond Flaminio, met zijn
somberen, onheilspellenden blik.
--'t Hindert u zeker niet dat ik te bed lig? herhaalde de jonge
vrouw. Ik voel me veel beter als ik lig.... Maar ik zend u niet
weg. Ge moet blijven.
Ze had zich uitgestrekt, met den elleboog in het kussen
gedrukt. Niemand dacht aan heengaan. Mevrouw Correur sprak zachtjes met
Pozzo over de volmaakte vormen van Clorinde, die zij samen ondersteund
hadden. Mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin en de kolonel begroetten de
gravin. Deze nijgde met een vriendelijk lachje. En zonder zich om te
keeren, riep ze van tijd tot tijd heel zachtjes:
--Flaminio!
De lange lakei begreep haar dadelijk, legde het kussen wat hooger,
bracht een tabouret, of haalde uit zijn zak een odeurfleschje te
voorschijn.
Op dit oogenblik had Auguste een ongeluk. Hij had overal rondgesnuffeld
in de drie kamers en alle kleedingstukken die daar verspreid lagen,
op zijn gemak bekeken. Toen begon hij uit verveling suikerwater te
drinken, het eene glas na het andere. Clorinde hield hem al een poos in
het oog en keek naar de suikervaas waarvan de inhoud snel verminderde,
toen hij op eens te hard ging roeren en het glas brak.
--Dat komt door de vele suiker! riep zij.
--Domoor! zei de kolonel. Kan je niet enkel water drinken?.... 's
Morgens en 's avonds een groot glas. Beter is er niet. 't Voorkomt
alle ziekten.
Gelukkig trad mijnheer Bouchard binnen. Hij kwam wat laat, over tienen,
omdat hij buitenshuis had moeten dineeren. En hij scheen verbaasd
zijn vrouw daar niet te vinden.
--Mijnheer d'Escorailles had op zich genomen haar te brengen, zei hij,
en ik had beloofd haar af te komen halen.
Een halfuur later verscheen inderdaad mevrouw Bouchard, in gezelschap
van mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette. Nadat hij een jaar
met haar gebrouilleerd was geweest, had de jonge markies zich weer met
de mooie blondine verzoend; nu begon hun verhouding een gewoonte te
worden, zij bleven nu en dan voor enkele dagen bij elkander en konden
niet nalaten elkaar bij een ontmoeting achter een deur te knijpen en te
omhelzen. Dat ging zoo van zelf, als een heel natuurlijke zaak. Toen
zij in een open rijtuig bij de Delestangs kwamen, hadden zij mijnheer
La Rouquette ontmoet. En met hun drieën waren ze naar het Bosch
gereden, onder een vroolijk gelach en gewaagde aardigheden; mijnheer
d'Escorailles had zelfs een oogenblik de hand van den afgevaardigde
achter de taille van mevrouw Bouchard meenen te ontmoeten. Toen
zij binnenkwamen, brachten zij een geest van vroolijkheid mee, de
koelte van de donkere paden van het Bosch, het geheimzinnige van het
ingeslapen gebladerte, waaronder hun guitig gelach wegstierf.
--Ja, we komen van het meer terug, zei mijnheer La Rouquette. Zij
hebben me verleid, op mijn woord!.... Ik ging bedaard naar huis om
te werken.
Hij werd op eens weer ernstig. Tijdens de laatste zitting had hij
een redevoering in de Kamer gehouden over een kwestie van amortisatie
nadat hij een maand lang daarvan een bijzondere studie had gemaakt; en
sedert dien tijd nam hij de bedaarde manieren van een getrouwd man aan,
alsof hij zijn vrijgezellenleven in de vergaderzaal begraven had. Kahn
nam hem mee naar een hoekje van de kamer, terwijl hij mompelde:
--A propos, gij staat nog al op goeden voet met Marsy.
Hun stemmen werden onhoorbaar, zij fluisterden zachtjes. Intusschen
was de mooie mevrouw Bouchard voor het bed gaan zitten en Clorinde's
hand in de hare houdend, beklaagde zij haar innig. Mijnheer Bouchard
riep op eens:
--Heb ik het u nog niet verteld?.... Hij is wel aardig, die dikke!
En voordat hij aan de eigenlijke zaak begon, liet hij zich evenals
de anderen op bitteren toon over Rougon uit. Men kon hem niets meer
vragen, hij was zelfs niet beleefd meer, en mijnheer Bouchard was
bovenal op beleefdheid gesteld. Toen men hem vroeg wat Rougon hem
gedaan had, antwoordde hij eindelijk:
--Ik ben een vijand van onrechtvaardigheid. 't Is voor een ambtenaar
van mijn afdeeling, George Duchesne; u kent hem, u hebt hem wel eens
bij mij aangetroffen. 't Is een zeer verdienstelijk jongmensch! We
ontvangen hem in ons huis als een kind. Mijn vrouw houdt veel van
hem, omdat hij uit haar streek afkomstig is. Nu hadden we laatst een
plannetje gemaakt om Duchesne tot sous-chef te laten benoemen. Het
idee was van mij, maar jij vond het toch goed, niet waar Adèle?
Mevrouw Bouchard boog zich, ietwat verlegen, nog meer naar Clorinde
over, om de blikken van mijnheer d'Escorailles te ontwijken, die zij
op zich gevestigd voelde.
--Nu, ging de afdeelingschef voort, u raadt nooit hoe de dikke mijn
verzoek ontvangen heeft?.... Hij keek me een oogenblik stilzwijgend
aan, op zijn kwetsende manier, u weet wel. Toen heeft hij mij ronduit
de benoeming geweigerd. En toen ik er nog eens op terugkwam, zei hij
glimlachend: "Mijnheer Bouchard, dring niet verder aan, het spijt me
voor u, maar er zijn ernstige redenen".... Het was me onmogelijk iets
meer uit hem te halen. Hij zag wel dat ik woedend was, want hij vroeg
of ik zijn groeten aan mijn vrouw wou overbrengen.... Niet waar, Adèle?
Mevrouw Bouchard had juist dien avond een woordenwisseling met
mijnheer d'Escorailles over dien Georges Duchesne gehad. Zij vond
het dus geraden op misnoegden toon te zeggen:
--Och, laat mijnheer Duchesne nog wat wachten.... Zoo interessant is
hij niet!
Maar mijnheer bleef op zijn stuk staan.
--Neen, neen, hij verdient sous-chef te zijn, hij zal sous-chef
worden!.... Ik wil rechtvaardigheid!
Men moest hem tot kalmte brengen. Clorinde deed al dien tijd haar
best om naar het gesprek van mijnheer La Rouquette te luisteren. De
eerste legde in bedekte termen zijn toestand bloot. Met zijn groote
onderneming, den spoorweg Niort-Angers, was het heelemaal mis
geloopen. De aandeelen hadden aanvankelijk tachtig francs boven pari
gestaan voordat er een spade in den grond was gestoken. Achter zijn
fameuze Engelsche maatschappij verscholen, had mijnheer Kahn zich
aan de onbeschaamdste speculaties gewaagd. En nu was een failliet
onvermijdelijk, wanneer een machtige hand zich niet uitstrekte om
hem te redden.
--Vroeger, mompelde hij, had Marsy mij aangeboden de zaak aan de
compagnie de l'Ouest te verkoopen. Ik ben volkomen bereid om de
onderhandelingen weer op te vatten. Er is maar een wet voor noodig....
Clorinde wenkte ze stil. En met hun beiden over haar bed gebogen,
praatten ze geruimen tijd. Marsy was niet haatdragend. Ze zou met hem
spreken. Ze zou hem het millioen bieden, dat hij verleden jaar voor
zijn steun vroeg. Door zijn positie als president van het Wetgevend
lichaam zou het hem zeer gemakkelijk vallen de vereischte wet te
verkrijgen.
--Marsy is de man om zulke soort zaken te doen slagen, zei ze
glimlachend. Wanneer men buiten hem om zoo iets op touw zet, is men
al gauw genoodzaakt hem er bij te roepen en hem te smeeken den boel
weer op dreef te helpen.
In de kamer sprak nu iedereen tegelijk, op luiden toon. Mevrouw
Correur maakte mevrouw Bouchard deelgenoot van haar liefste wenschen:
zij wou haar laatste levensdagen in Coulonges slijten, in het huis van
haar familie; en zij sprak vol teederheid over haar geboorteplaats,
ze zou mevrouw Martineau wel noodzaken haar dat huis af te staan,
zoo vol herinneringen uit haar kindsheid. De gasten kwamen intusschen
onvermijdelijk op Rougon terug. Mijnheer d'Escorailles vertelde
hoe boos zijn ouders geweest waren; zij hadden hem geschreven dat
hij weer aan den Raad van State moest zien te komen, dat hij met
den minister moest breken, daar deze zoo'n misbruik van zijn macht
maakte. De kolonel vertelde hoe de dikke stellig geweigerd had
aan den keizer een betrekking voor hem in de keizerlijke paleizen
te vragen. Mijnheer Béjuin zelfs klaagde dat Zijne Majesteit zijn
kristalfabriek te Saint-Florent niet bezocht had, bij gelegenheid van
zijn laatste reis naar Bourges, ofschoon Rougon hem stellig beloofd
had dat hij die gunst voor hem zou aanvragen. En midden tusschen dien
stortvloed van woorden, lag gravin Balbi glimlachend op haar chaise
longue, bekeek haar nog altijd mollige handen en riep zachtjes:
--Flaminio!
De lange bediende haalde uit zijn vestzakje een schildpadden doosje,
vol pepermuntjes. De gravin knabbelde ze op met de manieren van een
oude, snoeplustige kat. Tegen twaalf uur kwam Delestang thuis. Toen
men hem de portière van het boudoir zag oplichten, ontstond er een
diepe stilte, allen rekten den hals uit. Maar de portière was weer
neergevallen, niemand kwam achter hem. Toen klonk het van alle kanten:
--Is u alleen?
--Hebt u hem niet meegebracht?
--Is u den dikke onderweg kwijt geraakt?
Dat gaf een verlichting. Delestang verklaarde dat Rougon zich vermoeid
gevoeld en op den hoek van de rue Marbeuf afscheid genomen had.
--Heel verstandig, zei Clorinde, die nu languit op bed ging liggen. Hij
is zoo saai!
Dat was het teeken voor een nieuwe ontketening van klachten en
beschuldigingen. Delestang protesteerde en riep telkens: Met uw
verlof! Met uw verlof! Hij deed zich gewoonlijk voor als Rougon's
verdediger. Toen men hem het woord liet, zei hij op afgemeten toon:
--Ongetwijfeld had hij beter kunnen handelen jegens enkelen van zijn
vrienden. Maar dat neemt niet weg dat hij toch een verbazend knappe
kop is.... Wat mij betreft, ik zal hem eeuwig dankbaar zijn....
--Waarvoor dankbaar? riep mijnheer Kahn toornig uit.
--Wel, voor alles wat hij voor mij gedaan heeft....
Men viel hem heftig in de rede. Rougon had nooit iets voor hem
gedaan. Waar haalde hij dat vandaan, dat Rougon iets gedaan had?
--U is een wonderlijk mensch! zei de kolonel. Men drijft de
bescheidenheid toch niet zoover!.... Mijn beste vriend, ge hadt niemand
noodig. Wat drommel, wat ge zijt hebt ge aan uw eigen verdiensten
te danken.
Toen werden Delestang's verdiensten opgehemeld. Zijn modelhoeve
was een weergalooze schepping, waardoor hij reeds lang zijn
geschiktheid geopenbaard had als bewindvoerder en als werkelijk
begaafd Staatsman. Hij had een snellen blik, een helder verstand,
een krachtige hand die vrij van ruwheid was. Had de keizer hem niet
al den eersten dag den besten met onderscheiding behandeld? Hij stemde
in bijna alle punten met Zijne Majesteit overeen.
--Kom, kom, verklaarde mijnheer Kahn eindelijk, gij houdt Rougon
eigenlijk nog staande. Indien gij zijn vriend niet waart, indien
gij hem niet in den raad steunde, zou hij al veertien dagen geleden
gevallen zijn.
Toch protesteerde Delestang nog. Zeker, hij was niet de
eerste de beste, maar men moest aan ieders goede eigenschappen
recht laten wedervaren. Zoo had Rougon dien eigen avond bij den
grootzegelbewaarder, in een zeer ingewikkelde kwestie een buitengewoon
helder inzicht getoond.
--O, de handigheid van een sluw advokaat, mompelde mijnheer La
Rouquette op minachtenden toon.
Clorinde had de lippen nog niet geopend. Men richtte den blik op haar,
als verwachtte men van haar het beslissende woord. Zij streek met
haar hoofd over de kussens, alsof haar nek jeukte. Eindelijk zei ze,
doelende op haar man:
--Ja, beknor hem vrij.... Men zal hem nog met geweld op zijn ware
plaats moeten zetten.
--De positie van den minister van Landbouw en Handel is er slechts
een van den tweeden rang, merkte mijnheer Kahn op, om de zaken te
bespoedigen.
Hier raakte hij de wondeplek aan. Clorinde vond het zeer onaangenaam
dat haar man niet verder zou kunnen komen dan wat zij "een klein
ministerie" noemde. Ze ging plotseling overeind zitten en sprak
eindelijk het langverwachte woord:
--Wel, hij komt aan Binnenlandsche zaken wanneer we dat willen.
Delestang wou spreken, maar allen kwamen zich met uitroepen van
blijdschap om hem verdringen. Toen scheen hij zich gewonnen te
geven. Een rose gloed kleurde zijn wangen, zijn knap gelaat straalde
van genot. Mevrouw Correur en mevrouw Bouchard fluisterden elkaar
toe dat zij hem mooi vonden; de tweede vooral bewonderde zijn kalen
schedel. Mijnheer Kahn, de kolonel en de anderen wisselden knipoogjes,
gaven elkander teekens om de groote waarde te kennen te geven die zij
aan zijn macht toekenden. Die meester zou ten minste volgzaam zijn,
hij zou hen niet compromitteeren. Zij konden hem ongestraft als een
god vereeren, zonder dat zij zijn toorn behoefden te vreezen.
--Gij vermoeit hem, merkte de mooie mevrouw Bouchard teeder op.
Men vermoeide hem! Dat gaf een algemeen beklag. Inderdaad, hij was een
beetje bleek, zijn oogen vielen toe. Denk eens aan, wanneer men sedert
den morgen vijf uur werkt! Niets mat zoo af als hoofdarbeid. En met
zachten drang eischte men dat hij naar bed zou gaan. Hij gehoorzaamde
gewillig; hij ging heen, nadat hij zijn vrouw een kus op het voorhoofd
had gedrukt.
--Flaminio! mompelde de gravin.
Zij wenschte ook naar bed te gaan. Aan den arm van den knecht ging
zij de kamer door, ieder in het bijzonder met de hand toewuivende. In
de kleedkamer hoorde men Flaminio vloeken omdat de lamp uitgegaan was.
Het was één uur. Men wilde aanstalten maken om heen te gaan, maar
Clorinde verzekerde dat zij geen slaap had, dat men gerust nog
wat blijven kon. Toch ging niemand meer zitten. De lamp in het
boudoir was ook uitgegaan, een onaangename olielucht verspreidde
zich. Men had groote moeite allerlei kleine voorwerpen, een waaier,
den wandelstok van den kolonel, den hoed van mevrouw Bouchard terug
te vinden. Clorinde, die rustig bleef liggen, wou volstrekt niet
dat mevrouw Correur Antonia zou bellen; de kamenier ging om elf uur
naar bed. Eindelijk nam men afscheid, toen de kolonel bemerkte dat
hij Auguste vergat; het jongmensch sliep op de sofa in het boudoir,
zijn hoofd rustte op een ineengerolde japon; men beknorde hem dat hij
de lamp niet had opgedraaid. Op de halfduistere trap, waar slechts een
klein gaslichtje brandde, gaf mevrouw Bouchard een gilletje, zij zei
dat haar voet uitgleed. En terwijl al die luidjes voorzichtig langs
de leuning de trap afgingen, klonk er een luid gelach uit Clorinde's
kamer, waar Pozzo nog wat talmde; ze blies hem zeker in den hals.
Iederen Donderdag en iederen Zondag gingen de avonden op dezelfde
manier voorbij. Daarbuiten liep het gerucht dat mevrouw Delestang er
een politiek salon op nahield. Er heerschte daar een zeer liberale
geest, men brak er het autoritair gezag van Rougon af. De geheele
troep droomde nu van een humaan keizerrijk, dat allengs meer en
meer vrijheden aan het volk zou schenken. De kolonel stelde in zijn
snipperuren statuten op voor werkliedenvereenigingen; mijnheer Béjuin
opperde het denkbeeld een stad te stichten rondom zijn kristalfabriek
te Saint-Florent; mijnheer Kahn onderhield Delestang uren lang over de
democratische rol der Bonapartes in de moderne maatschappij. En bij
iedere nieuwe daad van Rougon waren er uitingen van verontwaardiging
en van vaderlandslievende vrees, dat Frankrijk onder het bestuur van
zoo'n man te gronde zou gaan. Op zekeren dag hield Delestang staande
dat de keizer de eenige republikein van dat tijdperk was. Het troepje
nam de houding van een godsdienstige heilaanbrengende secte aan. Het
spande nu openlijk samen om den dikke ten val te brengen, tot welzijn
van het vaderland.
Intusschen haastte Clorinde zich niet. Wanneer de anderen schreeuwden
en van ongeduld stampvoetten, zweeg zij en maande hen door een blik
tot voorzichtigheid aan. Zij ging minder uit, verkleedde zich soms
uit tijdverdrijf met haar kamenier als man. Plotseling legde zij
een groote genegenheid voor haar man aan den dag, zij kuste hem in
ieders bijzijn, sprak hem lispelend aan en toonde zich zeer bezorgd
voor zijn gezondheid, die uitstekend was. Misschien wou zij zoo het
onbeperkte gezag dat zij over hem uitoefende, verbergen. Zij was zijn
leidsvrouw bij al zijn daden, zij zei hem iederen morgen zijn les voor,
als een schooljongen dien men wantrouwt. Delestang was overigens de
gehoorzaamheid zelf. Hij groette, glimlachte, werd boos, noemde iets
wit, noemde het zwart, al naar het draadje waaraan zij trok. Zoodra
het uurwerk afgeloopen was, kwam hij uit eigen beweging bij haar om
zich weer op te laten winden. En hij bleef nummer éen.
Clorinde wachtte. Meneer Beulin-d'Orchère, die vermeed in den avond
te komen, zag haar dikwijls overdag. Hij klaagde bitter over zijn
zwager, beschuldigde hem dat hij alles deed om vreemden vooruit te
helpen, en zooals dat gewoonlijk gaat, zijn bloedverwanten voorbij
ging! Rougon alleen hield den keizer terug om hem tot zegelbewaarder
te verheffen, uit vrees dat hij zijn invloed in den raad met hem
zou moeten deelen. De jonge vrouw vuurde zijn heimelijke vijandschap
aan. Daarop zinspeelde zij op de aanstaande zegepraal van haar man
en gaf hem de vage hoop dat hij deel uit zou maken van de nieuwe
ministeriëele combinatie. Eigenlijk bediende zij zich van hem om op de
hoogte te komen van hetgeen er bij Rougon voorviel. Uit vrouwelijke
boosaardigheid zou zij dezen graag ongelukkig in zijn huwelijk
gezien hebben; en zij dreef den magistraat aan om zijn zuster in
zijn ongenoegen tegen Rougon te doen deelen. Hij moest het probeeren,
luid zijn spijt verkondigen over een huwelijk waarvan hij geen enkel
voordeel trok, maar hij slaagde niet tegenover de onverstoorbare
kalmte van zijn zuster. Zijn zwager, zei hij, was sinds eenigen tijd
erg zenuwachtig. Hij insinueerde dat hij hem rijp achtte voor zijn val;
en hij keek de jonge vrouw strak aan, vertelde haar teekenende feiten,
met het beminnelijk voorkomen van een prater, die zonder eenige kwade
bedoeling de lasterpraatjes van de menschen rondvertelt. Waarom
handelde zij dan niet, als zij de meesteres was? Maar zij strekte
zich in een nog gemakkelijker houding uit, gaf zich het uiterlijk
van iemand die op een regenachtigen dag thuis blijft en gelaten het
oogenblik afwacht dat de zon zal doorbreken.
Op de Tuileriën werd Clorinde's macht steeds grooter. Men sprak
fluisterend over de levendige neiging die Zijne Majesteit voor haar
had opgevat. Op bals en officiëele recepties, overal waar de keizer
haar ontmoette, draaide hij met zijn schuinsche blikken om haar heen;
hij keek haar in den hals, bracht zijn gezicht dicht bij het hare,
terwijl een langzame glimlach om zijn lippen verscheen. En zij
had niets toegestaan, zei men, zelfs haar vingertoppen niet laten
aanroeren. Zij speelde haar oude spelletje van een meisje dat een man
zoekt; ze was heel vrij en uitdagend, ze zei alles en toonde veel,
maar ze bleef voortdurend op haar hoede en onttrok zich juist op het
gewenschte oogenblik. Zij scheen den hartstocht van den keizer te
laten rijp worden, het oogenblik af te wachten waarop hij haar niets
meer zou kunnen weigeren, om het welslagen te verzekeren van een plan,
dat zij lang te voren beraamd had.
Omtrent dezen tijd toonde zij zich op eens heel lief tegenover mijnheer
de Plouguern. Sedert eenige maanden waren zij gebrouilleerd. De
senator, die bijna iederen morgen bij haar opstaan tegenwoordig was,
zag zich op een goeden morgen buiten de deur gesloten, toen zij aan
haar toilet bezig was. Zij kreeg plotseling een bui van maagdelijke
schaamte; ze wou niet langer geplaagd en gehinderd worden, zei ze,
door den grijsaard, die haar met een gele flikkering in zijn grijze
oogen aankeek. Maar hij liet zich dat niet welgevallen; hij weigerde op
uren te komen, waarop haar kamer vol bezoekers was. Was hij haar vader
niet? Had hij haar niet als klein meisje op zijn knie laten dansen? En
spottend vertelde hij van de kastijdingen die hij haar vroeger op
zeker lichaamsdeel had toegediend. Zij werd voor goed boos, toen
hij op zekeren dag, ondanks de kreten en de vuistslagen van Antonia,
binnengedrongen was terwijl zij in het bad was. Wanneer mijnheer Kahn
of kolonel Jobelin haar vroegen hoe mijnheer de Plouguern het maakte,
antwoordde zij scherp:
--Hij wordt met den dag jonger, hij lijkt ternauwernood twintig.... Ik
zie hem niet meer.
Toen zag men eensklaps weer niemand anders dan mijnheer de Plouguern
bij haar aan huis. Ieder uur van den dag was hij daar, in de intiemste
hoekjes van haar kleedkamer. Hij wist waar zij haar linnengoed borg,
hij gaf haar een hemd of een paar kousen aan; men had hem zelfs eens
verrast toen hij bezig was haar corset aan te rijgen. Clorinde toonde
het despotisme van een jonggehuwde.
--Oompje, ga mijn nagelvijltje even halen, in de lade, weet
je.... Oompje, geef me de spons eens aan....
Dat "oompje" was een liefkoozing. Hij sprak nu heel vaak over den
graaf Balbi, gaf nauwkeurige bijzonderheden over de geboorte van
Clorinde. Hij loog dat hij de moeder van de jonge vrouw in de
derde maand van haar zwangerschap had leeren kennen. En als de
gravin met haar eeuwigen glimlach op haar vervallen gelaat, in de
kamer was wanneer Clorinde juist opstond, wisselde hij blikken van
verstandhouding met de oude dame, vestigde met een knipoogje haar
aandacht op een ontblooten schouder, of een half te voorschijn
komende knie.
--Hè, Lenora, mompelde hij, sprekend uw evenbeeld!
De dochter herinnerde hem aan de moeder. Zijn beenig gelaat
gloeide. Dikwijls stak hij zijn magere handen uit, vatte Clorinde,
drukte haar tegen zich aan, om haar de een of andere onbetamelijkheid
te zeggen. Dat bevredigde hem. Hij was Voltairiaan, hij ontkende
alles en met zijn knarsenden grijnslach placht hij te zeggen:
--Wel, gansje, dat mag wel.... Als je het prettig vindt, mag het.
Niemand kwam ooit te weten, hoever de zaken tusschen hen
gingen. Clorinde had toen mijnheer de Plouguern noodig; hij moest een
rol spelen in het drama dat zij voorbereidde. Het gebeurde trouwens
meer dat zij op die manier een vriendschap kocht, waarvan zij zich
later niet meer bediende, wanneer zij van plan veranderde. 't Was
in haar oog niet veel meer dan een handdruk aan den eersten den
besten. Zij zelve gevoelde een diepe minachting voor de gunsten die
zij schonk; zij plaatste haar fierheid elders.
Intusschen bleef het gunstige oogenblik nog uit. Zij sprak in bedekte
termen met mijnheer de Plouguern over een zekere gebeurtenis, die zich
wat te lang liet wachten. De senator berekende met het ingespannen,
nadenkend gezicht van een schaakspeler den waarschijnlijken uitslag
van allerlei combinaties, maar hij schudde ten slotte moedeloos het
hoofd, hij vond niets. Wat haar betreft, bij de zeldzame bezoeken
die Rougon haar nog bracht, verklaarde zij zich moe en lusteloos,
sprak zij er van een paar maanden in Italië te gaan doorbrengen. En
dan sloot zij haar oogleden half en richtte haar glinsterende oogen
onderzoekend op zijn gelaat. Een glimlach van verfijnde wreedheid
plooide haar lippen. Zij had nu wel reeds kunnen beproeven om hem met
haar slanke vingers te verwurgen, maar zij wou het ineens goed doen;
en zij beschouwde het als een genot, geduldig af te wachten totdat
haar nagels lang genoeg gegroeid waren. Rougon, wiens geest altijd
met het een of ander bezig was, gaf haar verstrooide handdrukjes en
bemerkte niet eens, hoe koortsachtig haar hand gloeide. Hij dacht
dat zij al verstandig geworden was, wenschte haar geluk dat zij zoo
volgzaam was jegens haar man.
--Nu zijt ge bijna zooals ik u wenschen zou, zei hij. Ge hebt wel
gelijk, vrouwen moeten rustig thuis blijven.
En zij riep, met een schellen lach, als hij weg was:
--Mijn hemel, wat is hij dom!.... En hij vindt de vrouwen nog dom!
Eindelijk, op een Zondagavond tegen tien uur, toen de geheele troep
in Clorinde's kamer bijeen was, trad mijnheer de Plouguern met een
triomfantelijk gezicht binnen.
--Wel, vroeg hij, een groote verontwaardiging veinzende, hebt ge al
van Rougon's nieuwe heldendaad gehoord?.... Nu is de maat toch vol.
Allen drongen zich om hem heen. Niemand wist er iets van.
--'t Is een schande! riep hij, de armen opheffende, 't Is
onbegrijpelijk dat een minister zich zoo verlagen kan.
En hij vertelde het avontuur in éen adem door. De Charbonnels hadden,
zoodra zij in Faverolles kwamen om de erfenis van hun neef Chevassu
in ontvangst te nemen, een groote drukte gemaakt over de beweerde
verdwijning van een aanzienlijke hoeveelheid zilverwerk. Zij
beschuldigden de meid, een zeer godsdienstige vrouw, die het huis
had moeten bewaren; op het vernemen van de beslissing van den Raad
van State, zou die ongelukkige zich verstaan hebben met de zusters
van de H. Familie, en alle voorwerpen van waarde die gemakkelijk te
verbergen waren, naar het klooster gebracht hebben. Drie dagen daarna
was er geen sprake meer van de meid; toen heette het dat de zusters
zelven hun huis leeggeplunderd hadden. Dat verwekte een ontzettend
schandaal. Maar de commissaris van politie weigerde een huiszoeking
in het klooster te doen, waarna Rougon, op een schrijven van de
Charbonnels, aan den prefect getelegrafeerd had, dat er onmiddellijk
huiszoeking gedaan moest worden.
--Ja, een huiszoeking, dat stond duidelijk in het telegram, zei
mijnheer de Plouguern ten slotte. Toen hebben de commissaris en
twee gendarmes het klooster overhoop gehaald. Ze zijn er vijf uur
gebleven. Verbeeld u, ze hebben zelfs de stroomatrassen van de
zusters doorzocht.
--De stroomatrassen van de zusters, o, dat is laag! riep mevrouw
Bouchard verontwaardigd.
--Men moet heelemaal zonder godsdienst zijn, verklaarde de kolonel.
--Wat zal ik u zeggen, zuchtte mevrouw Correur op haar beurt. Rougon
ging nooit naar de kerk. Ik heb zoo dikwijls tevergeefs getracht hem
met God te verzoenen.
Mijnheer Bouchard en mijnheer Béjuin schudden het hoofd en keken
daarbij, alsof zij daar van een ramp gehoord hadden, die hen deed
twijfelen aan het menschelijk verstand. Mijnheer Kahn streek over
zijn ringbaard en vroeg:
--En natuurlijk is er niets bij de zusters gevonden?
--Volstrekt niets, antwoordde mijnheer Plouguern.
En met groote radheid voegde hij er bij:
--Een zilveren braadpan, geloof ik, twee bekers, een oliestel,
kleinigheden, geschenken van den overledene, een vroom grijsaard,
aan de zusters, om ze te beloonen voor haar goede verzorging gedurende
zijn lange ziekte.
--Ja, dat is duidelijk, mompelden de anderen.
De senator ging niet verder hierop door. Maar op langzamen toon en
met een bijzonderen nadruk op iederen zin, hernam hij:
--Dat is de kwestie ook niet. Het betreft hier den eerbied aan een
klooster verschuldigd, aan een dier heilige huizen, waarin de deugden
die uit onze goddelooze maatschappij verdreven zijn, haar toevlucht
genomen hebben. Hoe kan men verlangen dat de groote massa godsdienstig
zij, wanneer hooggeplaatste personen den godsdienst aanvallen? Rougon
heeft zich schuldig gemaakt aan niets minder dan heiligschennis,
en hij zal daarvan rekenschap moeten geven.... De brave burgers van
Faverolles zijn dan ook diep verontwaardigd. Monseigneur Rochart,
de eminente prelaat, die den geestelijken zusters altijd bijzonder
genegen is geweest, is onmiddellijk naar Parijs vertrokken, waar hij
recht komt vragen. En in den Senaat was men vandaag zeer ontstemd, er
was sprake van een onmiddellijk onderzoek, na de weinige bijzonderheden
die ik heb kunnen meedeelen. En de keizerin....
Allen rekten den hals uit.
--Ja, de keizerin heeft deze treurige geschiedenis van mevrouw de
Lorentz vernomen, die het wist van onzen vriend La Rouquette, aan wien
ik het verteld had. Hare Majesteit moet uitgeroepen hebben: "Mijnheer
Rougon is niet meer waard uit naam van Frankrijk het woord te voeren."
--Heel juist! zeiden allen.
Dien Zondag was er tot éen uur in den nacht van niets anders
sprake. Clorinde had den mond niet geopend. Bij de eerste woorden van
mijnheer de Plouguern had zij zich op haar chaise longue uitgestrekt,
ietwat bleek, met samengeknepen lippen. Daarop maakte zij snel, zonder
dat iemand het zag, driemaal het teeken des kruises, alsof zij den
hemel dankte dat haar lang begeerde wensch eindelijk in vervulling was
gegaan. Haar handen vouwden zich telkens weer, bij het verhaal van de
huiszoeking. Langzamerhand hadden haar wangen zich rood gekleurd. Strak
voor zich uitziende, verzonk zij in een ernstige overpeinzing.
Terwijl de anderen druk praatten, naderde mijnheer de Plouguern haar,
en liet zijn hand in haar keurslijf glijden, om haar vertrouwelijk
in de borst te knijpen. En met zijn sceptischen grijnslach, op den
vrijen toon van een groot heer, die in allerlei omgevingen geleefd
heeft, fluisterde hij de jonge vrouw in het oor:
--Hij heeft onzen lieven Heer aangeraakt, hij is een verloren man!