VIII.

Op een morgen in de maand Maart zat Rougon in zijn kamer op het

ministerie van Binnenlandsche zaken, druk bezig met het opstellen

van een vertrouwelijk rondschrijven dat de prefecten den volgenden

dag moesten ontvangen.

Hij hield op, haalde diep adem, brak zijn pen op het papier.

--Jules, noem me eens een synoniem van autoriteit, zei hij. 't Is toch

dwaas, die taal!... Ik gebruik ieder oogenblik dat woord autoriteit.

--Wel bewind, gezag, regeering, keizerrijk, antwoordde de jonge

man glimlachend.

Mijnheer Jules d'Escorailles, dien hij tot zijn secretaris benoemd had,

zag de ingekomen brieven na, aan een hoekje van de schrijftafel. Hij

opende de enveloppen voorzichtig met een pennemes, doorliep de brieven

met een oogopslag en rangschikte ze. Voor den haard, waarin een groot

vuur brandde, zaten mijnheer Kahn, de kolonel en mijnheer Béjuin. Alle

drie zaten ze daar op hun doode gemak, hun voeten warmende, zonder

iets te zeggen. Ze waren daar thuis. Mijnheer Kahn las een krant;

de beide anderen, behagelijk in hun stoelen achteroverliggend,

draaiden met hun duimen en keken naar de vlammen. Rougon stond op,

schonk zich een glas water in en dronk het in éen teug leeg.

--Ik weet niet wat ik gisteren gegeten heb, mompelde hij. Ik zou de

Seine wel leeg kunnen drinken.

Hij ging niet dadelijk weer zitten. Hij liep het kabinet rond,

slingerend met zijn groot lichaam. Zijn stap deed den vloer onder het

dikke tapijt dreunen. Hij schoof de groenfluweelen gordijnen vaneen

om meer licht te hebben. Daarna bleef hij midden in het ruime vertrek

staan, rekte zich uit, met de handen achter in den nek gevouwen,

en genoot vol verrukking van den administratieven geur, den geur van

voldane eerzucht, dien hij daar opsnoof. Onwillekeurig begon hij te

lachen, hij lachte in zijn eentje, alsof men hem de zijden kittelde,

een lach, waaruit steeds duidelijker zijn zegepraal klonk. De kolonel

en de andere heeren keerden zich verbaasd om en knikten hem zwijgend

toe.

--Hè, 't is toch aangenaam, zei hij enkel.

Terwijl hij weer zijn plaats innam voor het groote palissanderhouten

bureau, trad Merle binnen. De man zag er netjes uit, in zijn zwarte

gekleede jas en zijn witte das. Zijn gladgeschoren gezicht stond

heel waardig.

--Neemt u me niet kwalijk, Excellentie, mompelde hij, maar daar is

de prefect van de Somme....

--Laat hij naar den duivel loopen, ik werk, antwoordde Rougon op ruwen

toon. Het is ongeloofelijk, maar men laat mij geen oogenblik met rust.

Merle liet zich niet van zijn stuk brengen. Hij ging voort:

--Mijnheer de prefect verzekert dat Uw Excellentie hem

verwacht.... Verder zijn er ook de prefecten van la Nièvre, le Cher

en le Jura.

--Goed, laat ze wachten, daar zijn ze voor! hernam Rougon heel luid.

De dienaar ging heen. Mijnheer d'Escorailles had even geglimlacht. De

drie anderen, die zich zaten te warmen, leunden nog wat meer achterover

en hadden eveneens schik in het antwoord van den minister. Deze was

zeer gevleid door hun bijval.

--'t Is waar, ik zit al een maand lang midden in de prefecten.... Het

was noodig dat ik ze allemaal liet komen. Een mooie optocht! Er zijn

wat botteriken bij! Maar gehoorzaam zijn ze. Ik begon er nu toch genoeg

van te krijgen.... Bovendien ben ik van morgen voor hen aan het werk.

En hij begon weer aan zijn rondschrijven. Men hoorde niets meer, in

de warme lucht van het vertrek, dan het gekras van zijn veeren pen en

het geritsel van de enveloppen die door mijnheer d'Escorailles geopend

werden. Mijnheer Kahn had een andere krant opgenomen; de kolonel en

mijnheer Béjuin waren half ingedommeld. Het beangste Frankrijk, daar

buiten, zweeg. De keizer had Rougon tot het bewind teruggeroepen,

om voorbeelden te laten stellen. Hij kende zijn ijzeren vuist; daags

na den aanslag, had hij, in zijn drift van gered man, tot hem gezegd:

"Geen toegeefelijkheid, men moet u vreezen!" En hij had hem gewapend

met die verschrikkelijke wet voor de algemeene veiligheid, volgens

welke het vrij stond iederen politieken misdadiger naar Algiers te

verbannen of uit het keizerrijk te verdrijven. Ofschoon geen enkele

Franschman de hand gehad had in de misdaad van de rue Le Peletier,

zouden de republikeinen het nu moeten ontgelden; de tienduizend

verdachte personen, die men den 2en December vergeten had, konden

nu meteen opgeruimd worden. Er was sprake van een beweging, door de

revolutionnaire partij op het touw gezet; men had, naar het gerucht

liep, wapenen en papieren in beslag genomen. Tegen het midden van

Maart werden er driehonderd tachtig gevangenen te Toulon ingescheept

met bestemming naar Algiers. Iedere week vertrok een dergelijke

bezending. Het land beefde onder den schrik, die uitging van het

groenfluweelen kabinet, waar Rougon in zijn eentje lachte, terwijl hij

zich de armen uitrekte. Nog nooit had de groote man zulke tevreden

oogenblikken gehad. Hij voelde zich gezond, hij werd dikker; met de

macht had hij de gezondheid herkregen. Wanneer hij liep, drukte zijn

voet zwaar op het tapijt, opdat men in de vier hoeken van Frankrijk

zijn zwaren tred zou hooren. Hij wenschte nog slechts dat hij zijn

leeg glas niet op de console zou kunnen zetten, zijn pen neergooien,

een beweging maken, zonder dat het land er een schok door kreeg. Hij

vond het een genot een schrikbeeld te zijn, een volk neer te vellen

met zijn parvenu-vuisten. In een rondschrijven had hij verzekerd:

"De goedgezinden kunnen gerust zijn, de kwaadgezinden alleen zullen

beven". En hij speelde de rol van een God, de eenen verdoemend, de

anderen reddend, met een ijverzuchtige hand. Een ontzettende hoogmoed

maakte zich van hem meester, de blinde ingenomenheid met zijn kracht

en zijn verstand veranderde in een geregelden eeredienst. Hij onthaalde

zichzelf op bovenmenschelijke genietingen.

Onder de mannen, die zich onder het tweede keizerrijk omhoog

gewerkt hadden, stond Rougon sinds lang bekend om zijn autoritaire

gevoelens. Zijn naam was gelijkluidend met onverbiddelijke

onderdrukking, ontzegging van alle vrijheden, onbeperkte

heerschappij. Er was dan ook niemand, die zich illusies maakte

toen hij minister werd. Aan zijn vertrouwde vrienden deed hij

echter bekentenissen; hij had eerder behoeften dan opinies; hij

vond de macht te begeerlijk, te noodzakelijk voor zijn behoefte aan

heerschappij, om haar niet te aanvaarden, onder welken vorm zij zich

ook aanbood. Heerschen, de menigte zijn voet op den nek te zetten,

dat was zijn eerste verlangen, de rest bood alleen bijzonderheden van

ondergeschikten aard, waarin hij zich altijd wel kon schikken. Hij had

maar éen hartstocht, de eerste te zijn. De omstandigheden waaronder

hij echter ditmaal weer aan het bewind kwam, verdubbelden voor hem de

vreugde over zijn succès: hij had van den keizer volkomen vrijheid

van handelen verkregen, hij verwezenlijkte zijn oude begeerte, de

menschen met zweepslagen voort te drijven als een kudde dieren. Niets

deed hem meer genoegen dan zich verfoeid te zien. Soms, als men hem

den naam tyran naar het hoofd wierp, glimlachte hij en sprak deze

diepzinnige woorden:

--Wanneer ik op een goeden dag liberaal word, zullen ze zeggen dat

ik veranderd ben.

Maar Rougon's grootste genot was nog voor zijn bende te

triomfeeren. Hij vergat Frankrijk, de ambtenaren aan zijn voeten, de

menigte sollicitanten die zijn deur belegerden, om in de onafgebroken

bewondering van de tien of vijftien getrouwen van zijn omgeving te

leven. Zijn werkkamer stond te allen tijde voor hen open, hij liet

ze daar heerschen op de fauteuils, aan zijn bureau zelfs; hij achtte

zich gelukkig dat hij ze voortdurend om zich heen had, als trouwe

huisdieren. De minister, dat was hij niet alleen, dat waren zij allen,

de aanhangsels van zijn persoon. Door zijn zegepraal werden de banden

weer nauwer toegehaald; hij begon van ze te houden met een jaloersche

vriendschap, hij voelde zich krachtiger door dat samenzijn, zijn borst

als verruimd door hun eerzuchtige begeerten. Hij vergat zijn heimelijke

minachting, begon ze heel vernuftig, heel sterk, naar zijn eigen beeld,

te vinden. Hij wenschte bovenal dat men hem in hen zou eerbiedigen, hij

verdedigde ze met vuur zooals hij de tien vingers van zijn handen zou

verdedigd hebben. Hun veeten maakte hij tot de zijne. Hij verbeeldde

zich ten laatste dat hij veel aan hen te danken had, terwijl hij

glimlachte om hun ijverige propaganda. En zelf zonder behoeften,

liet hij de bende mooie stukken van den buit; door haar volop te doen

genieten, smaakte hij voor zichzelf de voldoening dat de luister van

zijn fortuin een steeds helderder weerglans op zijn omgeving wierp.

Intusschen bleef het stil in de groote kamer. Mijnheer d'Escorailles

bekeek aandachtig het adres van een der brieven die hij opende,

en reikte dien daarop ongeopend aan Rougon toe.

--Een brief van mijn vader, zei hij.

Met overdreven nederigheid bedankte de markies den minister dat hij

Jules tot zijn secretaris benoemd had. Rougon las langzaam het fijne

handschrift, dat twee bladzijden besloeg. Hij vouwde den brief dicht

en stak hem in zijn zak. Daarop vroeg hij:

--Heeft Du Poizat niet geschreven?

--Ja, mijnheer, antwoordde de secretaris, terwijl hij een brief uit

het hoopje nam. Hij begon al thuis te raken in zijn prefectuur. Hij

schreef dat Deux-Sèvres, en voornamelijk de stad Niort, behoefte

hadden aan een vaste hand.

Rougon liep den brief even door. Toen hij hem gelezen had, mompelde

hij:

--Natuurlijk, hij zal de volmacht hebben die hij vraagt.... Schrijf

hem maar niet, dat is niet noodig. Hij krijgt mijn rondschrijven toch

in handen.

Hij nam zijn pen weer ter hand en zocht naar de laatste zinnen. Du

Poizat had in zijn landstreek, in Niort, prefect willen zijn; en de

minister dacht bij ieder ernstig besluit vooral aan Deux-Sèvres,

Frankrijk regeerende volgens de inzichten en behoeften van zijn

ouden metgezel in de armoede. Hij had eindelijk zijn vertrouwelijken

brief aan de prefecten voltooid, toen mijnheer Kahn opeens begon uit

te varen.

--Maar dat is toch schandelijk! riep hij.

En terwijl hij op de krant sloeg die hij in de hand hield, wendde

hij zich tot Rougon:

--Hebt ge dat gelezen?.... In het hoofdartikel wordt een beroep gedaan

op de gemeenste hartstochten. Luister maar eens: "De hand, die straft,

moet onfeilbaar zijn, want indien de justitie zich vergist, wordt de

band die de maatschappij bijeenhoudt, verbroken." Begrijpt ge?.... En

onder het gemengde nieuws! Daar vind ik het verhaal van een gravin

die door den zoon van een graankooper geschaakt is. Zulke nieuwtjes

moest men niet opnemen. Dat ondermijnt den eerbied van het volk voor

de hoogere klassen.

Mijnheer d'Escorailles kwam hem helpen.

--Het feuilleton is nog schandelijker. Daar wordt een aanzienlijke

dame door haar man bedrogen. De romanschrijver laat hem niet eens

berouw krijgen.

Rougon maakte een driftig gebaar.

--Ja, ja, men heeft me al dat nummer gewezen, zei hij. U kunt zien dat

ik die gedeelten met rood potlood aangestreept heb.... Nogal een blad

van onze partij! Ik moet het dagelijks regel voor regel napluizen. Ach,

de beste onder hen deugt nog niet, men moest ze allemaal den nek

omdraaien! Maar ik heb den directeur ontboden. Ik verwacht hem.

De kolonel had het blad in handen genomen. Hij werd verontwaardigd en

reikte het aan mijnheer Béjuin toe, die op zijn beurt walgde. Rougon

zat peinzend, met halfgesloten oogleden, voor zijn schrijftafel.

--A propos, zei hij eensklaps tot zijn secretaris, die arme Huguenin

is gisteren gestorven. Nu komt er een inspecteursplaats vacant. Er

zal iemand benoemd moeten worden.

En daar de drie vrienden opeens vol aandacht het hoofd ophieven,

ging hij voort:

--O, een onbeduidende betrekking. Zes duizend francs. Er valt zoo

goed als niets voor te doen, dat is waar.

Hier werd hij gestoord. De deur van een aangrenzende kamer werd

geopend.

--Kom binnen, kom binnen, mijnheer Bouchard! riep hij. Ik wou u juist

laten roepen.

Mijnheer Bouchard, sinds acht dagen afdeelingschef, bracht een rapport

over de burgemeesters en de prefecten, die in aanmerking wenschten te

komen voor een ridder- of een officierskruis. Rougon kon vijfentwintig

kruisen onder de verdienstelijksten verdeelen. Hij nam het rapport aan,

doorliep de lijst der namen, bladerde in de dossiers. Intusschen was

de afdeelingschef het haardvuur genaderd en had den heeren de hand

gedrukt. Hij ging voor het vuur staan en tilde de panden van zijn

jas omhoog, om zijn dijen te verwarmen.

--Wat een nare regen, hè, mompelde hij. We zullen een late lente

krijgen.

--Een verwenschte regen! zei de kolonel. Ik heb den heelen nacht

steken in mijn linkervoet gevoeld.

--En mevrouw? vroeg mijnheer Kahn na een korte stilte.

--Dank u, die maakt het goed, antwoordde mijnheer Bouchard. Ze zou

van morgen terug komen, geloof ik.

Er ontstond een nieuwe stilte. Rougon doorbladerde nog steeds de

papieren. Bij een naam dien hij aantrof, vroeg hij:

--Isidore Gaudibert.... Heeft die geen verzen gemaakt?

--Juist zoo, zei mijnheer Bouchard. Sinds 1852 is hij burgemeester van

Barbeville. Bij iedere heuchelijke gebeurtenis, bij het huwelijk van

den keizer, de bevalling der keizerin, den doop van den kroonprins,

heeft hij aan Hunne Majesteiten smaakvolle gedichten gezonden.

De minister trok een minachtend gezicht. Maar de kolonel verzekerde

dat hij de gedichten gelezen had; hij ten minste vond ze geestig. Hij

haalde er een aan, waarin de keizer bij een vuurwerk vergeleken

werd. En zonder eenige aanleiding begonnen de heeren om strijd den

keizer te roemen.

Nu was de geheele bende met hart en ziel bonapartistisch gezind. De

twee neven hadden zich met elkander verzoend, ze wierpen elkander de

prinsen van Orleans en den graaf de Chambord niet meer naar het hoofd,

maar zij wedijverden nu wie voortaan het best de loftrompet over den

keizer zou steken.

--Neen, die niet! riep Rougon op eens. Die Jusselin is een trawant

van Marsy. Ik hoef de vrienden van mijn voorganger niet te beloonen.

En met een kras, die het papier openreet, haalde hij den naam door.

--Maar nu moeten we iemand in zijn plaats hebben.... 't Is een

officierskruis.

De heeren verroerden zich niet. Mijnheer d'Escorailles had, ondanks

zijn jeugdigen leeftijd, het ridderkruis pas acht dagen geleden

gekregen; mijnheer Kahn en mijnheer Bouchard waren al officier;

de kolonel was eindelijk tot kommandeur benoemd.

--Komaan, het is een officierskruis, zeg ik, herhaalde Rougon,

terwijl hij opnieuw de dossiers doorsnuffelde.

Maar plotseling viel hem iets in.

--Is u niet ergens burgemeester, mijnheer Béjuin? vroeg hij.

Mijnheer Béjuin vergenoegde zich met een paar hoofdknikjes. Mijnheer

Kahn voerde voor hem het woord.

--Zeker, hij is burgemeester van Saint-Florent, de kleine gemeente

waarin zijn fabriek van kristalwerken staat.

--Dan is de zaak in orde, zei de minister, blij dat hij weer een van

de zijnen vooruit kon helpen. Hij is toevallig maar ridder. Mijnheer

Béjuin, u vraagt nooit iets. Ik moet altijd het eerste aan u denken.

Mijnheer Béjuin bedankte glimlachend. Hij vroeg inderdaad nooit

iets. Maar hij zat altijd stilzwijgend en bescheiden op de kruimpjes

te wachten, en hij raapte alles op.

--Léon Béjuin, niet waar, in de plaats van Pierre-François Jusselin,

hernam Rougon, meteen den naam veranderend.

--Béjuin, Jusselin, dat rijmt, merkte de kolonel op.

Die opmerking werd heel geestig gevonden. Men lachte er hartelijk

om. Eindelijk kon mijnheer Bouchard de stukken weer meenemen. Rougon

was opgestaan; hij had geen rust in zijn beenen, zei hij; dat regenweer

maakte hem ongedurig. Intusschen begon de ochtend op te schieten;

in de aangrenzende kamers werd druk geloopen; deuren werden open

en dicht gedaan; een gedempt geluid van stemmen liet zich aan alle

kanten vernemen. Verscheidene ambtenaren kwamen nog stukken ter

teekening aanbieden. Het was een onophoudelijk heen en weer geloop,

de administratieve machine was in volle werking, met een buitengewone

verspilling van papieren, die van het eene bureau naar het andere

gebracht werden. En te midden van al die bedrijvigheid, achter de

deur, in de voorkamer, hoorde men de diepe berustende stilte van het

twintigtal personen, die daar indommelden onder de blikken van Merle,

in afwachting dat Zijne Excellentie hen wilde ontvangen. Rougon, op

eens in blakenden ijver ontvlamd, gaf halfluide bevelen in een hoekje

van zijn kabinet, voer plotseling heftig uit tegen den een of anderen

bureauchef, deelde de werkzaamheden uit, ruimde met éen woord allerlei

moeilijkheden uit den weg, onbeschaamd, met een opgeblazen nek en

een gelaat, barstend van kracht. Merle trad binnen, met zijn bedaarde

waardigheid die zich niet door afwijzingen liet terugschrikken.

--Mijnheer de prefect van de Somme.... begon hij.

--Alweer! riep Rougon woedend uit.

De bediende boog en wachtte tot hij aan het woord kon komen.

--Mijnheer de prefect van de Somme heeft me verzocht aan Uw Excellentie

te vragen of zij hem van morgen ontvangen kon. In het tegenovergestelde

geval vraagt hij of Uw Excellentie zoo goed zou willen zijn hem een

uur voor morgen te bepalen.

--Ik zal hem van morgen ontvangen. Laat hij nog een beetje geduld

hebben, wat duivel!

De deur van het kabinet was open blijven staan, en men kon in de

voorkamer zien, een ruim vertrek, met een groote tafel in het midden

en een rij van roodfluweelen fauteuils langs de muren. Alle fauteuils

waren bezet; er stonden zelfs twee dames voor de tafel. De hoofden

werden bescheiden omgewend, smeekende blikken gleden in het kabinet

van den minister, blikken waarin de begeerte schitterde binnen

te mogen treden. Dicht bij de deur zat de prefect van de Somme,

een bleek mannetje, met zijn twee collega's van le Jura en le Cher

te praten. En terwijl hij een beweging maakte om op te staan, in de

stellige meening dat hij eindelijk binnen gelaten werd, hernam Rougon,

zich weer tot Merle richtend:

--Over tien minuten, versta je. Ik kan op het oogenblik niemand

ontvangen.

Maar hij had nog niet uitgesproken of hij zag mijnheer Beulin-d'Orchère

door de voorkamer komen. Hij ging hem haastig tegemoet, drukte hem

de hand en trok hem mee naar zijn kamer, terwijl hij uitriep:

--Kom binnen, kom binnen! Je hebt toch niet gewacht, hoop ik?.... Wat

heb je voor nieuws?

De deur ging dicht voor de verslagen gezichten der wachtenden. Rougon

en Beulin-d'Orchère voerden een fluisterend onderhoud voor een der

vensters; de magistraat, die kort geleden tot eersten president van het

hof van Parijs benoemd was, dong naar het ambt van zegelbewaarder, maar

de keizer, dien men hieromtrent gepolst had, bleef ondoorgrondelijk.

--Goed, goed, zei de minister met verheffing van stem. De inlichtingen

zijn uitstekend. Ik zal de noodige stappen doen, dat beloof ik je.

Hij had hem juist door zijn bijzondere vertrekken uitgelaten, toen

Merle kwam aankondigen:

--Mijnheer La Rouquette.

--Neen, neen, ik heb bezigheden, hij verveelt me! zei Rougon,

terwijl hij met een driftig gebaar Merle beduidde dat hij de deur

moest sluiten.

Mijnheer La Rouquette hoorde het zeer goed. Toch kwam hij met

uitgestoken hand de kamer binnen en zei hij:

--Hoe maakt Uw Excellentie het? Mijn zuster heeft me naar u

toe gezonden. U zag er gisteren een beetje vermoeid uit, op de

Tuileriën. U weet dat men aanstaanden Maandag een charade zal spelen

in de vertrekken van de koningin? Mijn zuster heeft er ook een rol

in. Combelot heeft de kostuums geteekend. U komt toch immers?

En hij bleef daar een groot kwartier staan flikflooien, Rougon nu eens

"Uw Excellentie", dan weer, "waarde meester" noemende. Hij vertelde

een paar theater-anekdotes, sprak een aanbevelend woordje voor een

danseuse, vroeg een paar regels schrift voor den directeur van de

tabaksfabrieken, om goede sigaren te kunnen krijgen. En gekscherend

zei hij ontzettend veel kwaad van mijnheer de Marsy.

--Hij is toch wel aardig, verklaarde Rougon, toen de jonge

afgevaardigde heengegaan was. Kom, ik ga me even verfrisschen. Mijn

hoofd gloeit.

Hij verdween een oogenblik achter het gordijn. Men hoorde een groot

geplas van water en daartusschen zijn blazen en snuiven. Intusschen

was mijnheer d'Escorailles met zijn brieven gereed gekomen; hij haalde

nu uit zijn zak een vijltje met schildpadden hecht te voorschijn

en begon zorgvuldig zijn nagels te bewerken. Mijnheer Béjuin en de

kolonel keken naar het plafond, zoo gemakkelijk in hun fauteuils

uitgestrekt, alsof zij er niet meer uit konden komen. Mijnheer Kahn

zocht den stapel kranten na, die naast hem lag. Hij keerde ze om,

bekeek de opschriften en wierp ze weer weg. Eindelijk stond hij op.

--Gaat ge heen? vroeg Rougon te voorschijn komende, terwijl hij met

een handdoek zijn gezicht afdroogde.

--Ja, antwoordde mijnheer Kahn, ik heb de kranten gelezen, ik ga heen.

Maar hij vroeg hem even te wachten. En hem terzijde nemende, vertelde

hij hem dat hij de volgende week naar Deux-Sèvres ging, om de opening

van de werken van den spoorweg van Niort naar Angers bij te wonen. Hij

had verscheidene motieven om daarheen te gaan. Mijnheer Kahn toonde

zich zeer verheugd. Eindelijk had hij de concessie gekregen. Nu was de

groote moeielijkheid echter om de aandeelen aan den man te brengen,

en hij begreep dat de tegenwoordigheid van den minister een grooten

luister aan de openingsplechtigheid zou bijzetten.

--Dat is dus afgesproken, ik reken op u om de eerste spade in den

grond te steken, zei hij bij het heengaan.

Rougon zat weer voor zijn schrijftafel. Hij raadpleegde een lijst

met namen. Achter de deur, in de voorkamer, groeide het ongeduld aan.

--Ik heb ternauwernood een kwartier, mompelde hij. Enfin, ik zal er

nog zooveel ontvangen als ik kan.

Hij schelde en zei tot Merle:

--Laat mijnheer den prefect van de Somme binnenkomen.

Maar hij hernam dadelijk daarop, na een blik op de lijst:

--Wacht even! Zijn mijnheer en mevrouw Charbonnel daar? Laat ze

binnenkomen.

Men hoorde Merle roepen: "Mijnheer en mevrouw Charbonnel!" En de

twee burgerluidjes uit Plassans verschenen, gevolgd door de verbaasde

blikken van de geheele voorkamer. Mijnheer Charbonnel was in gekleede

jas, vierkant uitgesneden, met een fluweelen kraag; mevrouw Charbonnel

droeg een lichtbruine zijden japon, en een hoed met gele linten. Zij

zaten daar al twee uren geduldig te wachten.

--U had uw kaartje moeten afgeven, zei Rougon. Merle kent u.

En zonder hun den tijd te laten hun zinnetje te stamelen, waarin

telkens de woorden "Uw Excellentie" voorkwamen, riep hij vroolijk:

--Victorie! De Raad van State heeft uitspraak gedaan. We hebben onzen

verschrikkelijken bisschop verslagen.

--Ik wist dat goede nieuws al gisterenavond, ging de minister voort. Ik

wou het u zelf meedeelen en daarom heb ik u verzocht van ochtend te

komen.... Een aardig buitenkansje, hè, vijfhonderd duizend francs!

Hij had schik in hun verbijsterde gezichten. Mevrouw Charbonnel kon

eindelijk met een benepen stem vragen:

--Is het heusch uit?.... Beginnen ze het proces niet nog eens over?

--Neen, neen, ge kunt gerust zijn. De erfenis is voor u.

En hij trad in bijzonderheden. De Raad van State had den zusters

van de H. Familie de aanvaarding van de schenking ontzegd, omdat er

natuurlijke erfgenamen bestonden, en tevens het testament ongeldig

verklaard, omdat het niet aan alle vereischten van rechtsgeldigheid

voldeed. Monseigneur Rochart was woedend. Rougon, die hem den vorigen

avond bij zijn collega, den minister van Openbaar onderwijs, ontmoet

had, moest nog lachen om zijn nijdige blikken. Zijn zegepraal over

den prelaat deed hem veel genoegen.

--U ziet wel dat hij me niet opgegeten heeft, zei hij. Ik ben te

dik.... O, we hebben nog niet met elkaar afgerekend. Dat heb ik wel

aan zijn oogen gezien. Maar dat is mijn zaak.

De Charbonnels putten zich uit in dankbetuigingen en buigingen. Zij

zeiden dat zij dien avond nog op reis gingen. Nu verontrustte hen nog

één ding: het huis van hun neef Chevassu, in Faverolles, werd bewaard

door een oude, vrome dienstbode, die zeer gehecht was aan de zusters

van de H. Familie; misschien zou men bij het vernemen van den uitslag

van het proces hun huis leegplunderen. Die geestelijke zusters waren

tot alles in staat.

--Ja, vertrek van avond, hernam de minister. Als er daarginds iets

aan mocht haperen, schrijf het me dan.

Hij deed hen uitgeleide. Toen de deur openging, merkte hij de

verbaasde gezichten in de voorkamer op; de prefect van de Somme

wisselde een glimlach met zijn collega's; de twee dames die voor de

tafel stonden, trokken haar gezicht in een minachtende plooi. Toen

sprak hij opzettelijk luider:

--U schrijft me, nietwaar? U weet wel hoezeer ik u genegen ben.... En

wanneer u in Plassans komt, zegt dan aan mijn moeder dat ik het

wel maak.

Hij ging door de voorkamer en vergezelde ze tot aan de andere deur,

om hen in het oog van die menschen te verheffen; hij schaamde zich

niet over hen, het streelde veeleer zijn hoogmoed dat hij uit hun

stadje gekomen was en nu de macht bezat om ze zoo hoog te verheffen

als hij verkoos. En de sollicitanten en de ambtenaren bogen diep voor

de lichtbruine japon en de vierkante jas van de Charbonnels.

Toen hij in zijn kabinet terugkeerde, vond hij den kolonel staande.

--Tot van avond, zei deze. Het begint hier te warm te worden.

En hij fluisterde hem een paar woorden toe. Het betrof zijn zoon

Auguste, die hij van het college afnam, omdat hij toch nooit door

zijn candidaats-examen zou komen. Rougon had hem een plaatsje aan het

ministerie beloofd, ofschoon het diploma van candidaat daar voor alle

ambtenaren vereischt werd.

--Nu goed dan, breng hem maar mee, antwoordde hij. Ik zal ditmaal over

de formaliteiten heenstappen. Ik zal er wel iets op vinden.... En ik

zal hem dadelijk wat laten verdienen, omdat ge er op gesteld zijt.

Mijnheer Béjuin bleef alleen voor den haard. Hij rolde zijn fauteuil

naar het midden der kamer, zonder dat hij scheen op te merken dat

deze leeg werd. Hij bleef altijd het laatst; hij wachtte tot dat

alle anderen heengegaan waren, in de hoop dat hem het een of andere

vergeten voordeeltje zou worden aangeboden.

Merle ontving nogmaals bevel den prefect van de Somme binnen te

laten. Maar in plaats van zich naar de deur te begeven, kwam hij voor

de schrijftafel staan en zei hij met een vriendelijken glimlach:

--Wanneer Zijn Excellentie het me toe wil staan, wou ik me graag van

een kleine opdracht kwijten.

Rougon plaatste de beide ellebogen op zijn vloeiboek om hem aan

te hooren.

--Het betreft die arme mevrouw Correur.... Ik ben van morgen bij haar

geweest. Ze ligt te bed, ze heeft een bloedvin op een heel lastige

plaats, zoo groot als mijn halve vuist. 't Is wel niet gevaarlijk,

maar heel pijnlijk, want ze heeft zoo'n fijn vel....

--En? vroeg de minister.

--Ik heb de meid geholpen om haar te verleggen. Maar ik heb mijn

dienst.... Nu is ze erg ongerust, ze had bij Zijn Excellentie willen

komen om antwoord te vernemen. Bij het heengaan riep ze me terug,

en zei dat ze het heel vriendelijk van me zou vinden als ik haar van

avond nog het antwoord kon overbrengen.... Zou Zijn Excellentie zoo

vriendelijk willen zijn....?

De minister keerde zich bedaard om.

--Mijnheer d'Escorailles, geef me dat dossier uit die kast eens aan.

Het was het dossier van mevrouw Correur, een verbazend groot grijs

omslag vol papieren. Daar waren brieven, ontwerpen, verzoekschriften

in allerlei handschriften en spellingen; aanvragen om tabaksdépôts,

aanvragen om postzegeldépôts, om bijstand, om subsidies en

pensioenen. Alle losse bladen vertoonden kantteekeningen van mevrouw

Correur, vijf of zes regels met een dikke, mannelijke handteekening.

Rougon doorbladerde het dossier en las onder aan de brieven de korte

aanteekeningen, die hij daar eigenhandig met rood potlood geschreven

had.

--Het pensioen van mevrouw Jalaguier wordt op achttienhonderd francs

gebracht. Mevrouw Leturc heeft haar tabaksdépôt.... De leveringen

van mevrouw Chardon zijn toegestaan.... Nog niets voor mevrouw

Testanière.... O ja, zeg haar ook dat ik geslaagd ben voor juffrouw

Herminie Billecoq. Ik heb over haar gesproken, een paar dames zullen de

huwelijksgift bijeenbrengen om haar te laten trouwen met den officier

die haar verleid heeft.

--Ik dank Zijn Excellentie duizendmaal, zei Merle met een buiging.

Hij ging de deur uit, toen een allerliefst blond kopje, met een rose

hoedje op, voor hem stond.

--Mag ik binnenkomen? vroeg een lief stemmetje.

En zonder het antwoord af te wachten, trad mevrouw Bouchard binnen.

Rougon, die haar "liefkind" noemde, liet haar plaats nemen, nadat

hij haar handjes een oogenblik tusschen de zijne had gehouden.

--Is het iets ernstigs? vroeg hij.

--Ja, ja, heel ernstig, antwoordde zij met een glimlach.

Toen beval hij Merle niemand binnen te laten. Mijnheer d'Escorailles,

die gereed was met de verzorging van zijn nagels, was mevrouw

Bouchard komen begroeten. Zij gaf hem een wenk dat hij zich even

bukken zou en fluisterde hem snel iets in het oor. De jonge man knikte

toestemmend. En terwijl hij zijn hoed opnam, zei hij tot Rougon:

--Ik ga ontbijten, ik geloof niet dat er iets van belang is.... Alleen

die inspecteursplaats. Er moet toch iemand benoemd worden.

De minister schudde besluiteloos het hoofd.

--Ja, er moet iemand benoemd worden.... Men heeft me allerlei lui

voorgedragen, maar ik benoem niet graag menschen, die ik niet ken.

En hij keek om zich heen, de kamer rond, alsof hij daar iemand zou

vinden. Plotseling viel zijn oog op mijnheer Béjuin, die welbehagelijk

voor het haardvuur lag uitgestrekt.

--Mijnheer Béjuin, riep hij.

Deze opende zachtjes de oogen, zonder zich te verroeren.

--Wilt u inspecteur worden? Zesduizend francs, en niets te doen;

u kunt die betrekking heel goed waarnemen tegelijk met uw functie

van afgevaardigde.

Mijnheer Béjuin wiegelde met het hoofd. Ja, ja, hij nam het aan. En

toen de zaak in orde was, bleef hij nog een oogenblik de lucht

opsnuiven, maar hij begreep zeker dat er dien morgen niets meer te

halen viel, want hij ging met een slependen tred achter mijnheer

d'Escorailles de kamer uit.

--Nu zijn we alleen.... Wat is er nu, lief kind? vroeg Rougon aan de

mooie mevrouw Bouchard.

Hij had een fauteuil bijgeschoven, en had tegenover haar plaats

genomen, midden in de kamer. Toen merkte hij op dat zij een zachtrose

japon droeg van cachemire de l'Inde, een zachte stof die haar als een

peignoir zat. Ze was gekleed en toch niet gekleed. Over haar armen en

haar borst scheen de soepele stof te leven, terwijl breede plooien de

ronding van haar beenen aangaven. Het was een welberekende naaktheid,

een verleiding waarvan het fijn overleg bleek uit de ietwat hoog

geplaatste taille, die haar heupen beter deed uitkomen. En geen stukje

onderrok vertoonde zich, ze scheen geen onderkleederen te dragen en

toch was ze keurig gekleed.

--Komaan, wat is er? herhaalde Rougon.

Zij glimlachte, maar sprak nog niet. Zij boog zich achterover en

liet haar vochtige, witte tanden zien. Haar gezichtje vertoonde een

vleiende overgave, een vurige, onderworpen smeekbede.

--Ik had u iets te vragen, mompelde zij eindelijk.

Daarop ging ze levendig voort:

--Zeg me eerst dat u het toe zult staan?

Maar hij beloofde niets, hij wou eerst weten wat. Hij vertrouwde

de dames niet. En toen zij zich dicht naar hem overboog, ondervroeg

hij haar.

--Is het dan zoo erg, dat u het niet noemen durft? Ik moet u de biecht

afnemen, niet waar?.... Laten we ordelijk te werk gaan. Is het voor

uw man?

Ze knikte van neen, zonder op te houden met glimlachen.

--Drommels!.... Voor mijnheer d'Escorailles dus? U was zooeven bezig

met het een of ander te beramen.

Ze knikte alweer van neen. Ze vertrok haar gezicht even, alsof ze wou

zeggen dat mijnheer d'Escorailles er niet bij mocht zijn. En terwijl

Rougon eenigszins verrast, verder zocht, schoof zij haar fauteuil

nog dichterbij, zoodat ze vlak tegen hem aanzat.

--Luister.... U zult toch niet op me knorren? U houdt toch een beetje

van me?.... 't Is voor een jong mensch. U kent hem niet; ik zal u zoo

straks zijn naam zeggen, als u hem de betrekking gegeven hebt. O,

niets van beteekenis. U behoeft maar een woord te spreken, en we

zullen u heel erkentelijk zijn.

--Een van uw bloedverwanten misschien? vroeg hij opnieuw.

Ze zuchtte en keek hem kwijnend aan; zij liet haar handen afglijden

opdat hij ze in de zijne zou nemen. En zachtjes zei ze:

--Neen, een vriend.--Ach hemel, ik ben zoo ongelukkig!

Zij gaf zich door die bekentenis aan hem over. 't Was een meesterlijk

overlegde aanval op zijn zinnelijkheid, om zijn laatste bezwaren

weg te nemen. Een oogenblik zelfs dacht hij, dat zij dat sprookje

bedacht als een verfijnde kunstgreep, om zich begeerlijker te maken,

bij de gedachte dat zij zoo pas uit de armen van een ander was gekomen.

--Maar dat is heel slecht! riep hij uit.

Toen lei zij met een vlugge, vertrouwelijke beweging, haar ontbloote

hand op den mond. Ze had zich in haar volle lengte tegen hem

aangevleid. Haar oogen sloten zich, als viel zij in onmacht. Met een

harer knieën hief zij haar soepele japon omhoog, die haar ternauwernood

bedekte met het fijne weefsel van een lang nachthemd. De gespannen

stof van haar keurslijf deelde in het zwoegen van haar borst. Enkele

seconden lang voelde hij haar als naakt in zijn armen. En hij greep

haar ruw om haar middel, en zette haar midden in het kabinet neer,

razende en tierende.

--Alle donders! wees dan toch verstandig!

Zij bleef met bleeke lippen en neergeslagen oogen voor hem staan.

--Ja, 't is heel slecht, 't is gemeen! Mijnheer Bouchard is een beste

man. Hij aanbidt u, hij stelt een blind vertrouwen in u.... Neen,

zeker niet, ik zal u niet behulpzaam zijn om hem te bedriegen. Ik

weiger, hoor u, ik weiger het stellig! En ik zeg u ronduit hoe ik

er over denk, ik weeg mijn woorden niet, mijn lieve kind. Men kan

toegevend zijn. Zoo, bijvoorbeeld, laat ik nog daar....

Hij zweeg op eens, hij had zich bijna laten ontvallen dat hij mijnheer

d'Escorailles nog daar liet. Langzamerhand kwam hij tot kalmte;

en nu nam hij een zeer waardige houding aan. Hij liet haar zitten,

toen hij zag dat zij begon te beven; en hij bleef staan, en begon

haar duchtig de les te lezen. Het was een preek in optima forma,

met heel mooie woorden. Zij overtrad alle goddelijke en menschelijke

wetten, ze liep boven een afgrond, ze onteerde den huiselijken haard,

ze bereidde zich een ouderdom vol wroeging; en toen hij een glimlachje

om haar mondhoeken meende te bespeuren, hing hij zelfs een tafereel

op van dien ouderdom, wanneer de schoonheid verwoest, het hart voor

altijd ledig zou zijn, wanneer de blos der schaamte onder het grijze

haar zou verschijnen. Daarop beschouwde hij haar misstappen uit een

maatschappelijk oogpunt; en daarin vooral toonde hij zich gestreng,

want al had zij een verontschuldiging in haar gevoelige natuur,

het kwade voorbeeld dat zij gaf was onvergeeflijk; en zoo kwam

hij er toe om uit te varen tegen de moderne schaamteloosheid, de

afschuwelijke uitspattingen van den laatsten tijd. Eindelijk kwam

hij op hemzelf terug. Hij was de houder der wetten. Hij mocht zijn

gezag niet misbruiken om de ondeugd aan te moedigen. Zonder de deugd

scheen een regeering hem een onmogelijkheid. En hij besloot met zijn

tegenstanders te tarten, in zijn bestuur een enkele daad van nepotisme,

een gunstbewijs door intrige verkregen, aan te wijzen.

De mooie mevrouw Bouchard hoorde hem met gebogen hoofd aan, haar

blanke hals vertoonde zich onder het lint van haar rose hoedje. Toen

hij zijn hart lucht gegeven had, stond zij op en begaf zich zwijgend

naar de deur. Maar toen zij den kruk al in de hand had, hief ze het

hoofd op en mompelde glimlachend:

--Hij heet George Duchesne. Hij is hoofdkommies in de afdeeling van

mijn man, en wil sous-chef worden.

--Neen, neen! riep Rougon.

Toen ging ze heen, hem in een langen, verachtelijken blik van een

versmade vrouw hullende. Ze draalde nog even, liet haar japon langzaam

achter zich slepen, alsof zij een spijtig verlangen naar haar bezit

achter wou laten. De minister keerde met een vermoeid uiterlijk in

zijn kabinet terug. Merle, dien hij een wenk gegeven had, volgde

hem. De deur was op een kier gebleven.

--Mijnheer de directeur van de Voeu national, dien Zijn Excellentie

heeft ontboden, is zooeven gekomen, zei de bode halfluid.

--Heel goed, antwoordde Rougon. Maar ik zal eerst de ambtenaren

ontvangen, die al zoo lang wachten.

Op dit oogenblik verscheen een bediende aan de deur die naar Rougon's

particuliere vertrekken leidde. Hij kwam aankondigen dat het ontbijt

gereed was en dat mevrouw Delestang in het salon op Zijn Excellentie

zat te wachten. De minister trad snel op hem toe.

--Zeg dat men op kan dienen! Ik kan er niets aan doen, ik zal later

wel ontvangen. Ik verga van honger.

Hij wierp een blik in de wachtkamer, zij was nog altijd vol. Geen

enkele ambtenaar of sollicitant was heengegaan. De drie prefecten

stonden in een hoekje te praten, de twee dames leunden vermoeid met

haar vingertoppen op de tafel; dezelfde hoofden op dezelfde plaatsen

bleven strak en onbewegelijk langs de muren tegen de roodfluweelen

rugleuningen. Toen verliet hij zijn kabinet, en gaf Merle bevel

den prefect van de Somme en den directeur van de Voeu national te

laten blijven.

Mevrouw Rougon, die zich ongesteld voelde, was den vorigen dag naar

het Zuiden vertrokken, waar zij een maand zou blijven; ze had een oom

in den omtrek van Pau. Delestang, met een gewichtige zending belast

over een landbouwkundige kwestie, bevond zich sedert zes weken in

Italië. En zoo had de minister, met wie Clorinde eens op haar gemak

wou praten, haar uitgenoodigd om op het ministerie te komen ontbijten,

als vrijgezellen.

Ze wachtte geduldig op hem, terwijl ze een verhandeling over

administratief recht doorbladerde, die op een tafel lag te slingeren.

--Ge zult wel trek gekregen hebben, zei hij vroolijk. Ik had het

vreeselijk volhandig, vanmorgen.

En haar den arm aanbiedende, geleidde hij haar naar de eetzaal, een

kolossaal vertrek, waarin de twee couverts, die op een tafeltje voor

het venster neergezet waren, ternauwernood opgemerkt werden. Twee

groote lakeien bedienden. Rougon en Clorinde, beiden zeer matig,

aten haastig: enkele radijsjes, een moot koude zalm, coteletten à

la purée en een beetje kaas. Zij raakten den wijn niet aan. Rougon

dronk 's morgens niets dan water. Zij wisselden ternauwernood enkele

woorden. Toen de lakeien, de tafel opgeruimd en koffie en likeuren

gebracht hadden, trok de jonge vrouw even haar wenkbrauwen op, welk

gebaar hij zeer goed begreep.

--'t Is goed, zei hij, laat ons alleen. Ik zal wel schellen.

De lakeien gingen heen. Toen stond zij op en sloeg de kruimeltjes van

haar rok. Zij droeg een zwartzijden, te wijde japon, overladen met

strooken; zij zat haar als een zak, zoodat men niet kon onderscheiden

waar zich haar heupen of haar borst bevonden.

--Wat een hal! mompelde zij, tot achter in de kamer gaande. 't Is

een echte bruiloftszaal, die eetzaal!

En terugkeerende voegde zij er bij.

--Ik zou wel een cigarette willen rooken!

--Drommels, zei Rougon, ik heb hier geen tabak. Ik rook nooit.

Maar zij gaf een knipoogje en haalde uit haar zak een met goud

geborduurd roodzijden tabakszakje voor den dag, niet veel grooter

dan een beurs. Daarop rolde zij een cigarette tusschen haar dunne

vingers. En daar zij niet wilden schellen, hielden zij door de heele

kamer jacht op lucifers. Eindelijk vonden zij er drie op het hoekje van

een buffet; zij nam ze zorgvuldig mee. En met een cigarette tusschen

de lippen, languit op haar stoel uitgestrekt, begon zij met kleine

teugjes haar koffie te drinken, Rougon glimlachend aanziende.

--Nu, ik ben geheel tot uw dienst, zei deze, eveneens glimlachend. Ge

hadt te praten, laten we dus praten.

Zij maakte een gebaar alsof het er niet op aankwam.

--Ja. Ik heb een brief van mijn man gekregen. Hij verveelt zich

in Turijn. Hij is heel blij dat hem die zending door uw toedoen

opgedragen is, maar hij wil daar niet vergeten worden.... Maar daar

zullen we straks over spreken. Er is geen haast bij.

Zij begon weer te rooken en hem aan te kijken met haar prikkelenden

glimlach. Rougon was er langzamerhand aan gewoon geraakt haar te zien,

zonder zich de vragen te stellen die vroeger zijn nieuwsgierigheid zoo

gaande maakten. Zij had zich eindelijk in zijn gewoonten gedrongen,

hij beschouwde haar nu als een goede bekende, wier zonderlingheden

hem geen schok van verbazing meer gaven. Maar eigenlijk wist hij nog

altijd niets nauwkeurigs omtrent haar, hij kende haar nog evenmin

als in de eerste dagen. Zij bleef vol afwisseling, kinderlijk en

diepzinnig, meestal dom, somtijds bijzonder slim, heel zachtzinnig en

zeer ondeugend. Wanneer zij hem nog een enkele maal verraste door een

gebaar, een woord waarvoor hij geen verklaring vond, haalde hij de

schouders op en zei dat alle vrouwen zoo waren. En hij dacht daarmee

een groote minachting voor de vrouwen te toonen, wat Clorinde nog

scherper deed glimlachen, met een wreeden glimlach, die haar tanden

tusschen de roode lippen te voorschijn deed komen.

--Waarom kijkt ge me toch zoo aan? vroeg hij eindelijk, gehinderd door

die groote oogen, op hem gevestigd. Heb ik iets dat u niet aanstaat?

Een verborgen gedachte schitterde in Clorinde's oogen, terwijl twee

rimpels een hardvochtige uitdrukking aan haar mond gaven. Maar zij

lachte weer dadelijk allerliefst, blies dunne rookwolkjes uit en zei:

--Neen, neen, ik vind dat ge er heel goed uitziet.... Ik dacht aan

iets, mijn waarde. Weet ge dat ge aardig geboft hebt?

--Hoe dat?

--Zeker.... Nu hebt ge het toppunt van uw wenschen bereikt. Iedereen

heeft u een duwtje gegeven, de omstandigheden zelfs hebben meegewerkt.

Hij wou antwoorden, toen er geklopt werd. Clorinde verborg

werktuigelijk haar cigarette achter haar japon. Het was een ambtenaar

die Zijn Excellentie een telegram overbracht, waarbij groote haast

was. Rougon las het telegram met een knorrig gezicht en duidde den

ambtenaar aan hoe het antwoord moest luiden. Daarop sloot hij driftig

de deur, en zei, terwijl hij weer ging zitten:

--Ja, ik heb heel veel toewijding van mijn vrienden ondervonden. Ik

hoop er aan te denken. En ge hebt gelijk, ik moet zelfs de

omstandigheden dankbaar zijn. Een mensch vermag dikwijls niets wanneer

de omstandigheden hem niet behulpzaam zijn.

Terwijl hij deze woorden sprak, keek hij haar aan, met neergeslagen

oogleden, opdat zij niet zou zien hoe aandachtig hij haar

beschouwde. Waarom sprak zij van geluk? Wat wist zij met juistheid van

de gunstige omstandigheden waarop zij zinspeelde? Had Du Poizat soms

gebabbeld? Maar als hij haar zoo glimlachend en peinzend zag zitten,

met een gelaat verteederd door de herinnering aan het een of andere

zinnelijke genot, begreep hij dat haar hoofd met andere dingen vervuld

was; zij wist bepaald niets. Hij zelf vergat liever, hield er niet

van zich in oude herinneringen te verdiepen. Hij geloofde eindelijk

dat hij zijn hooge positie inderdaad aan de toewijding zijner vrienden

te danken had.

--Ik wou niets zijn, men heeft mij tegen wil en dank voortgedreven,

ging hij voort. Enfin, de zaken hebben een gunstigen keer genomen. Als

ik er in slaag eenig goed te doen, ben ik tevreden. Hij dronk zijn

koffie uit. Clorinde rolde een tweede cigarette.

--Herinnert ge u nog, zei ze zachtjes, twee jaar geleden, toen

ge uit den raad van State traadt, dat ik u naar de reden van dien

plotselingen stap vroeg? Wat een geheimzinnigheid, toen! Maar nu kunt

ge spreken.... Komaan, spreek nu eens eerlijk op, hadt ge toen een

bepaald plan?

--Men heeft altijd een plan, antwoordde hij met een fijn lachje. Ik

begreep dat ik vallen zou, en trad liever uit eigen beweging af.

--En hebt ge uw plan ten uitvoer gebracht, zijn de zaken juist zoo

gegaan als ge het voorzien hadt?

--Wel neen, antwoordde hij met een vertrouwelijk knipoogje, ge weet

wel dat het nooit zoo uitkomt.... Als men zijn doel maar bereikt!

En hij viel zichzelf in de rede, met de vraag:

--Curaçao of chartreuse?

Zij nam een glaasje chartreuse aan. Terwijl hij bezig was in te

schenken, werd er weer geklopt. Zij verborg haar cigarette weer, met

een gebaar van ongeduld. Hij stond op, met de karaf in de hand. Ditmaal

was het voor een verzegelden brief. Hij las hem snel door, stak hem

in den zak van zijn overjas en zei:

--'t Is goed! En nu wil ik niet meer gestoord worden, begrepen?

Clorinde doopte haar lippen in de chartreuse, met zeer kleine

teugjes drinkende, terwijl zij hem met schitterende oogen tersluiks

aankeek. Haar gelaat droeg weder die teedere uitdrukking van

zooeven. Heel zachtjes, met de ellebogen op de tafel geleund, zei ze:

--Neen, mijn waarde, ge zult nooit beseffen wat men voor u gedaan

heeft.

Hij schoof dichterbij, lei ook de ellebogen op de tafel, en riep op

levendigen toon:

--Dat is waar ook, dat zou u me vertellen! Nu niets meer achterhouden,

hoor! Vertel nou alles wat je gedaan hebt!

Zij stak haar kin vooruit en schudde langzaam van neen, terwijl zij

haar cigarette vast tusschen haar lippen drukte.

--Is het zoo verschrikkelijk? Misschien zijt ge bang dat ik mijn schuld

niet af kan betalen? Wacht laat ik eens probeeren of ik het raden kan,

Ge hebt aan den paus geschreven, misschien een gewijde hostie in mijn

waterpot te weeken gelegd, zonder dat ik het gemerkt heb?

Maar zij werd boos om die aardigheid. Ze dreigde heen te gaan, als

hij zoo voortging.

--Spot niet met den godsdienst, zei ze. Dat zou u ongeluk aanbrengen.

Toen weer wat kalmer, met haar hand den rook verdrijvende die Rougon

scheen te hinderen, hernam zij met een bijzonderen nadruk:

--Ik heb heel wat menschen gesproken, ik heb vrienden aangeworven.

Ze voelde een booze behoefte om hem alles te vertellen. Ze verlangde

hem te doen weten op welke manier zij aan zijn geluk gewerkt had. Die

bekentenis was een eerste voldoening, in haar zoo geduldig verborgen

wrok. Wanneer hij aangedrongen had, zou zij hem alles nauwkeurig

verteld hebben,

--Ja, ja, herhaalde zij, mannen wier opinies lijnrecht tegenover de

uwe stonden, heb ik voor u moeten winnen, mijn waarde.

Rougon was doodsbleek geworden. Hij had haar begrepen.

--Zoo, zei hij eenvoudig.

Hij zocht dit onderwerp te vermijden. Maar zij richtte haar donkeren

blik kalm en onbeschaamd op den zijnen, met een ingehouden lach. Toen

ondervroeg hij haar.

--Mijnheer de Marsy, nietwaar?

Ze knikte bevestigend, terwijl zij een rookwolk achter haar schouders

blies.

--Ridder Rusconi?

Zij antwoordde nogmaals ja.

--Mijnheer Lebeau, mijnheer de Salneuve, mijnheer Guyot-Laplanche?

Zij antwoordde weer ja. Maar bij den naam van mijnheer de Plouguern

protesteerde zij. Die niet. En zij dronk langzaam haar glaasje

chartreuse leeg, met een zegevierend gezicht.

Rougon was opgestaan. Hij ging naar het einde van de kamer, kwam

daarna achter haar staan en fluisterde haar toe:

--Waarom dan niet met mij?

Zij keerde zich plotseling om, uit vrees dat hij een kus op haar

haren zou drukken.

--Met u, dat was niet noodig! Waartoe, met u?.... Dat is ook niet

snugger. Met u hoefde ik uw zaak niet te bepleiten.

En toen hij haar woedend aankeek, barstte zij in een schaterlach uit.

--Ach, hoe onnoozel is hij nog! Men kan geen schertsend woord zeggen,

hij gelooft alles wat men hem vertelt!.... Kom, kom, mijn waarde,

gelooft ge mij werkelijk in staat om zoo'n handel te drijven? En

nog wel als een liefdedienst! Trouwens, als ik al die laagheden

begaan had, zou ik ze u zeker niet vertellen!.... Neen, heusch,

ge zijt vermakelijk!

Rougon keek een oogenblik uit het veld geslagen. Maar de ironische

manier waarop zij zichzelf tegensprak, maakte haar nog uitdagender,

en haar geheele persoon, de lach in haar keel, de flikkering in haar

oogen, herhaalden haar bekentenis, zeiden toch ja. Hij strekte de armen

reeds uit om haar te omvatten, toen er ten derden male geklopt werd.

--Nu bedank ik er voor, mompelde zij, ik houd mijn cigarette in

den mond.

Een bode trad hijgend binnen en kondigde stamelend aan dat Zijn

Excellentie de minister van Justitie Zijn Excellentie wenschte te

spreken, en hij keek schuins naar de dame die daar zat te rooken.

--Zeg dat ik uit ben! riep Rougon. Ik ben voor niemand te spreken,

hoort ge!

Toen de bode buigend en achteruit tredend de kamer verlaten had,

maakte Rougon zich vreeselijk boos; hij beukte met zijn vuist op de

meubels. Men liet hem geen oogenblik om op adem te komen; gisteren

avond had men hem zelfs in zijn kleedkamer achtervolgd, terwijl hij

bezig was zich te scheren. Clorinde ging vastberaden naar de deur.

--Wacht, zei ze. Nu zal men ons niet meer lastig vallen.

Ze nam den sleutel, stak dien binnen in het slot en sloot de deur af.

--Ziedaar. Nu kan men kloppen.

En ze rolde een derde cigarette, terwijl ze voor het venster stond. Hij

dacht aan een toegeefelijke bui. Hij kwam dicht bij haar staan en

fluisterde haar toe:

--Clorinde!

Zij bewoog zich niet en hij hernam nog zachter:

--Clorinde, waarom wil je niet?

Dat vertrouwelijke "je" liet haar kalm. Zij knikte van neen, maar

zwakjes, alsof ze hem wou aanmoedigen, tot het uiterste drijven. Hij

durfde haar niet aanraken, in een plotselinge beschroomdheid. Maar

eindelijk zoende hij haar toch in den nek, onder haar opgestoken

haar. Toen keerde zij zich om en riep op verachtelijken toon:

--Krijg je het weer te pakken, mijn waarde? Ik dacht dat je het al

te boven was. Wat een vreemde man ben je toch! Je kust de vrouwen na

anderhalf jaar bedenktijd!

Hij wierp zich op haar en haar hand grijpend, overdekte hij die

met kussen.

Zij liet hem begaan en bleef hem bespotten, zonder zich boos te maken.

--Als je me maar niet in mijn vingers bijt, dat is al wat ik van je

verlang.... Dat had ik toch niet van je gedacht! Je was zoo verstandig

geworden toen ik je in de rue Marbeuf kwam bezoeken. En nu begint die

dwaasheid weer, omdat ik je gemeene dingen vertel, die Goddank nooit

bij me opgekomen zijn! 't Is wat moois, hoor!.... Ik ben zoo lang

niet verliefd. Dat is al oude kost. Je hebt mij niet willen hebben,

ik wil jou niet meer.

--Luister eens, al wat je wil kan je van me gedaan krijgen, fluisterde

hij.

Maar zij zei weer neen, strafte hem in zijn vleeschelijke

begeerten voor zijn vroegere versmading, genoot daardoor een eerste

wraakneming. Ze had verlangd dat hij oppermachtig zou zijn om hem te

kunnen weigeren, zijn mannelijken trots te wonden.

--Nooit, nooit! herhaalde zij telkens.... Weet je het dan niet

meer? Nooit!

Toen verlaagde Rougon zich zoozeer, dat hij haar te voet viel. Hij

greep haar rokken en zoende haar knieën door de zijden stof heen. Het

was de zachte japon van mevrouw Bouchard niet, de stof was hinderlijk

dik, en toch bedwelmde ze hem door haar geur. Zij haalde haar schouders

op en gunde hem haar rokken. Maar hij werd stoutmoediger, zijn handen

grepen naar haar voeten aan den rand van haar strook.

--Pas op! zei ze kalmpjes.

En toen hij zijn handen verder uitstak, drukte zij hem het brandende

einde van haar cigarette op het voorhoofd. Hij deinsde met een schreeuw

terug, wou zich weer op haar werpen. Maar zij was hem te vlug af,

met een sprong stond zij tegen den muur naast den haard en hield zij

het schelkoord in de hand.

--Ik schel, zei ze, en ik zeg dat gij me hier opgesloten hebt!

Hij trilde op zijn voeten, en met de vuisten tegen het bonzende

hoofd gedrukt, bleef hij een paar seconden onbewegelijk staan. Met

een geweldige krachtsinspanning dwong hij zich weer tot kalmte,

ofschoon zijn ooren nog suisden en zijn oogen een rooden gloed zagen.

--Ik ben een domkop, mompelde hij. 't Is zoo dwaas mogelijk.

Clorinde lachte zegevierend en las hem de les. Hij deed er verkeerd

aan de vrouwen te minachten; later zou hij moeten erkennen dat er

ook flinke vrouwen waren. Toen sloeg ze weer een goedigen toon aan.

--We zijn toch niet boos op elkander, hè?.... Zie je, je moet me

nooit zoo iets vragen. Ik wil het niet, ik heb er geen lust in.

Rougon liep beschaamd heen en weer. Zij liet het schelkoord los en

ging weer voor de tafel zitten, waar zij zich een glas suikerwater

gereed maakte.

--Ik heb dan een brief van mijn man gekregen, hernam ze bedaard. Ik

had vanmorgen zooveel te doen, dat ik mijn belofte om bij je te komen

ontbijten niet gehouden zou hebben, als ik niet verlangend geweest was

hem je te laten zien. Hier is hij. Hij herinnert je aan je beloften.

Hij nam den brief en las hem onder het heen en weer loopen. Toen

wierp hij hem met een verdrietig gebaar voor haar neer.

--Welnu? vroeg zij.

Maar hij sprak niet dadelijk. Hij zette een hoogen rug en geeuwde even.

--Hij is dwaas, zei hij eindelijk.

Zij was zeer geraakt. Sedert eenigen tijd duldde zij niet meer dat

men aan de bekwaamheden van haar man scheen te twijfelen. Zij boog een

oogenblik het hoofd, de trilling van verontwaardiging in haar handen

bedwingende. Langzamerhand maakte zij zich vrij van haar onderdanigheid

als leerling, scheen zij kracht genoeg aan Rougon ontleend te hebben

om zich als een geduchte tegenstandster tegenover hem te stellen.

--Als wij dien brief lieten zien, zou hij een verloren man zijn, zei

de minister, die een neiging voelde om den tegenstand van de vrouw

op den man te wreken. Het zal zoo gemakkelijk niet gaan den goeden

man een betrekking te bezorgen.

--Ge overdrijft, mijn waarde, hernam zij na een kort

stilzwijgen. Vroeger heette het dat hij een prachtige toekomst

had. Hij bezit hoedanigheden, die hem tot een ernstig, degelijk

mensch maken. Kom, kom, het zijn niet altijd de flinkste koppen die

het meest vooruitkomen!

Rougon zette zijn wandeling voort. Hij haalde de schouders op.

--Het is uw belang dat hij aan het ministerie komt. Ge zult een

vriend meer aan hem hebben. Wanneer de minister van landbouw en

handel werkelijk zijn ontslag neemt, zooals men zegt, dan is het een

prachtige gelegenheid. Mijn man is daartoe bevoegd en zijn zending

naar Italië vestigt de aandacht van den keizer op hem. Ge weet dat de

keizer bijzonder op hem gesteld is; ze kunnen heel goed met elkander

overweg; ze hebben dezelfde ideeën. Het behoeft u maar éen woord te

kosten en de zaak krijgt haar beslag.

Hij liep nog een paar malen zwijgend de kamer rond. Toen bleef hij

voor haar stilstaan en zei:

--Mij goed dan.... Er zijn er wel dommer.... Maar ik doe het

uitsluitend voor u. Ik wil u ontwapenen. Want ik geloof niet dat ge

zoo gemakkelijk zijt. Ge vergeeft niet licht, is het wel?

Hij schertste. Zij begon ook te lachen, en zei:

--Juist zoo. Ik vergeef en ik vergeet niet licht.

Toen zij hem verliet, hield hij haar nog even staande. Tot tweemaal

toe drukten zij elkander krachtig de hand, zonder er een woord bij

te voegen.

Zoodra Rougon alleen was, keerde hij naar zijn kabinet terug. De

groote kamer was ledig. Hij ging voor zijn schrijftafel zitten, met

de ellebogen op den rand van het vloeiboek, diep ademhalend. Zijn

oogleden vielen dicht, als versuft zat hij daar bijna tien minuten in

dezelfde houding. Maar op eens sprong hij op en rekte zich de armen

uit. Hij schelde en Merle verscheen.

--Mijnheer de prefect van de Somme wacht nog altijd, niet

waar?.... Laat hem binnenkomen.

De prefect van de Somme trad binnen, bleek en glimlachend, zijn kleine

gestalte zoo hoog mogelijk oprichtend. Hij maakte heel correct zijn

compliment voor den minister. Rougon verzocht hem plaats te nemen.

--Ik zal u zeggen, mijnheer de prefect, waarom ik u ontboden heb. Er

zijn instructies die men slechts mondeling kan geven.... U zult

wel weten dat de revolutionnaire partij het hoofd opsteekt. We zijn

slechts een haarbreed van een ontzettenden ramp af geweest. Kortom, het

land wil gerustgesteld worden, de krachtige bescherming der regeering

boven zich voelen. Van zijn kant is Zijn Majesteit de keizer besloten

voorbeelden te stellen, want tot dusverre heeft men een schandelijk

misbruik van zijn goedheid gemaakt....

Hij sprak langzaam, achterover geleund in zijn armstoel en spelend

met een groot stempel met agaten hecht. De prefect knikte goedkeurend

bij ieder zinsdeel.

--Uw departement, ging de minister voort, is een van de minst

goedgezinde. De republikeinsche kanker....

--Ik doe alle pogingen.... wilde de prefect zeggen.

--Laat me uitspreken.... moet dus met opzienbarende gestrengheid

onderdrukt worden. Ik heb u hier laten komen om mij hieromtrent met

u te verstaan.... We hebben hier een lijst samengesteld....

En hij zocht onder zijn papieren. Hij nam een dossier ter hand,

en doorbladerde het.

--Het aantal arrestaties, die noodig geoordeeld zijn, heeft men over

geheel Frankrijk moeten verdeelen. Het totaal voor ieder departement

is evenredig aan den indruk dien men teweeg wil brengen. Begrijp

onze bedoelingen goed. Hier bijvoorbeeld, in Haute-Marne, waar

de republikeinen een zeer geringe minderheid vormen, slechts drie

arrestaties. La Meuse daarentegen, vijftien.... Wat uw departement

aangaat, de Somme nietwaar? we zeggen de Somme....

Hij sloeg de bladen om en knipte met zijn dikke oogleden. Eindelijk

hief hij het hoofd op en keek den ambtenaar strak aan.

--Mijnheer de prefect, u zorgt dat er twaalf arrestaties plaats vinden.

Het bleeke mannetje boog en herhaalde:

--Twaalf arrestaties.... Ik heb Zijn Excellentie volkomen begrepen.

Maar hij bleef onthutst. Nadat hij nog enkele minuten met den minister

gesproken had en deze hem een teeken gaf dat hij kon heengaan,

vermande hij zich en vroeg:

--Zou Zijn Excellentie mij de personen kunnen aanwijzen?....

--O, arresteer wien ge wilt!.... Ik kan me met al die bijzonderheden

niet inlaten, ik zou het al te druk krijgen. En ga van avond nog op

reis, dan kunt u morgen met de arrestaties beginnen.... Maar één ding

raad ik u, begin van boven af. U hebt daar wel advokaten, kooplieden,

apothekers, die zich met de politiek bemoeien. Stop al die lui in de

doos. Dat maakt meer effect.

De prefect streek bezorgd over zijn voorhoofd, hij raadpleegde zijn

geheugen om advokaten, kooplieden en apothekers te vinden. Hij knikte

intusschen nog steeds goedkeurend. Maar Rougon was zeker niet voldaan

met zijn weifelende houding.

--Ik wil u niet verhelen, hernam hij, dat Zijn Majesteit op het

oogenblik zeer ontevreden is over het administratieve personeel. Het

kon wel zijn, dat er spoedig groote mutatiën zullen plaats vinden. We

hebben mannen vol ijver en toewijding noodig, in deze ernstige

tijdsomstandigheden.

Dat werkte als een zweepslag.

--Zijn Excellentie kan op mij rekenen, riep de prefect. Ik heb

mijn mannen al; een apotheker in Péronne, een lakenkoopman en een

papierfabrikant in Doullens; en wat de advokaten aangaat, die zijn

er genoeg.... O, ik verzeker Zijn Excellentie dat ik de twaalf bijeen

krijg.... Ik ben een oud dienaar van het keizerrijk.

Hij zei nog iets van het land redden en ging met een diepe buiging

heen.

De minister wierp hem een twijfelenden blik achterna, hij had niet veel

vertrouwen in kleine menschen. Zonder te gaan zitten, streepte hij

de Somme op de lijst door. Meer dan twee-derden van de departementen

waren al doorgestreept.

Toen hij Merle nogmaals schelde, zag hij tot zijn ergernis dat de

voorkamer nog altijd vol was. Hij meende zelfs de dames voor de tafel

te herkennen.

--Ik had je gezegd dat je iedereen weg zou sturen, riep hij. Ik ga uit,

ik kan niet ontvangen.

--Mijnheer de directeur van de Voeu national is er, mompelde de bode.

Rougon had hem vergeten. Hij vouwde de handen op zijn rug en gaf

bevel hem binnen te laten. Het was een man van omtrent veertig jaren,

keurig gekleed, met een dik gezicht.

--Zoo, is u daar, mijnheer, zei de minister op ruwen toon. Zoo kan

het onmogelijk voortgaan, dat waarschuw ik u vooruit!

En hij wandelde op en neer, terwijl hij de pers met scheldwoorden

overlaadde. Zij bracht de heele maatschappij uit haar verband,

ze oefende een demoraliseerenden invloed uit, zij spoorde tot

allerlei ongeregeldheden aan. Journalisten telde hij nog minder

dan straatroover; van een dolksteek kan men opkomen, terwijl

pennesteken vergiftig zijn; en hij vond nog andere, liefelijke

vergelijkingen. Langzamerhand wond hij zichzelf op, hij maakte woedende

gebaren, zijn stem klonk als het rommelen van den donder. De directeur

boog het hoofd onder den storm. Met een verschrikt, deemoedig gezicht

vroeg hij:

--Als Zijn Excellentie mij zou willen uitleggen, ik begrijp niet

goed waarom.

--Wat, waarom? schreeuwde Rougon nijdig.

Hij greep een krant, vouwde die open op zijn schrijftafel en toonde

hem de kolommen, die hij met rood potlood had aangestreept.

--Er staan geen tien regels in waarop niets aan te merken valt! In uw

hoofdartikel schijnt u de onfeilbaarheid der regeering ten opzichte

van haar repressieve maatregelen te betwijfelen. In dit entrefilet

op de tweede bladzijde lijkt het wel of u op mijn persoon zinspeelt,

wanneer u spreekt van parvenu's die onbeschaamd zegevieren. In uw

gemengd nieuws vind ik allerlei vieze histories en domme uitvallen

tegen de hoogere standen.

De directeur vouwde vertwijfeld de handen en trachtte iets in het

midden te brengen.

--Ik verzeker Zijn Excellentie op mijn eerewoord.... Ik ben

wanhopig dat Zijn Excellentie ook maar een oogenblik heeft kunnen

onderstellen.... Ik, die voor zijn Excellentie zoo'n bewondering

koester....

Maar Rougon luisterde niet naar hem.

--En het ergste, mijnheer, is dat iedereen weet door welke banden

gij aan de regeering verbonden zijt. Hoe kunnen de andere bladen

ons eerbiedigen?.... Al mijn vrienden wezen mij vanmorgen op die

schandelijke artikelen.

Toen schreeuwde de directeur met Rougon mee. Die artikelen waren

hem niet onder de oogen gekomen. Maar hij zou al de redacteurs

wegjagen. Als Zijn Excellentie het goed vond, zou hij Zijn Excellentie

iederen morgen een proefnummer toezenden. Rougon, opgelucht, weigerde;

hij had geen tijd. En hij dreef den directeur naar de deur, toen hij

zich bedacht.

--Ik vergat nog wat. Uw feuilleton is afschuwelijk. Die deftige dame

die haar man bedriegt, is een verfoeielijk argument tegen een goede

opvoeding. Men moet niet laten zeggen dat een welopgevoede dame een

misstap kan begaan.

--Het feuilleton maakt veel opgang, mompelde de directeur, die weer

ongerust werd. Ik heb het gelezen, ik vond het heel boeiend.

--Zoo, hebt u het gelezen. Nu, krijgt die ongelukkige vrouw ten

slotte gewetenswroeging?

De directeur bracht onthutst de hand aan het voorhoofd, en zocht zich

te herinneren.

--Gewetenswroeging! Neen, dat geloof ik niet.

Rougon had de deur geopend. Hij deed ze achter hem dicht, terwijl

hij hem nariep:

--Ze moet bepaald wroeging krijgen!.... Eisch van den schrijver dat

hij haar wroeging geeft!

Zijn Excellentie Eugène Rougon · 第 10 / 17 题