Rougon had aan Du Poizat en mijnheer Kahn geschreven dat hij van een
officiëele ontvangst aan de poorten van Niort verschoond wenschte
te blijven. Hij kwam op een Zaterdagavond tegen zeven uur; hij
begaf zich regelrecht naar de prefectuur, met het plan daar tot den
volgenden middag uit te rusten; hij was zeer vermoeid. Maar na het
diner kwamen er enkele personen. Het gerucht van zijn komst had zich
zeker door de stad verbreid. Men opende de deur van een klein salon
naast de eetzaal en organiseerde een soiréetje. Rougon, tusschen de
twee vensters staande, zag zich genoodzaakt zijn lust tot geeuwen te
bedwingen en op vriendelijke wijze de welkomstgroeten te beantwoorden.
Een afgevaardigde van het departement, de procureur die de officiëele
candidatuur van mijnheer Kahn geërfd had, verscheen het eerst, in
lange overjas en gekleurde pantalon; hij verontschuldigde zich en
verklaarde dat hij te voet van een zijner pachthoeven terugkwam, maar
dat hij toch dadelijk Zijn Excellentie had willen begroeten. Daarop
vertoonde zich een kort, dik mannetje in een nauwen zwarten rok, met
witte handschoenen, met een plechtstatig en spijtig gelaat. Het was
de eerste adjunct. Hij was door zijn dienstbode gewaarschuwd. Hij
verzekerde dat mijnheer de burgemeester wanhopig zou zijn;
mijnheer de burgemeester, die Zijn Excellentie eerst den volgenden
dag verwachtte, bevond zich op zijn landgoed in Varades, op tien
kilometers afstands. Achter den adjunct defileerden nog zes heeren;
groote voeten, lompe handen, breede, vierkante gezichten; de prefect
stelde ze voor als de verdienstelijkste leden van het Genootschap
ter beoefening der Statistiek. Eindelijk kwam nog de directeur van
het lyceum met zijn vrouw, een mooie blondine, acht en twintig jaar
oud, een Parisienne wier toiletten Niort in rep en roer brachten. Ze
klaagde bitter tegen Rougon over het leven in een plattelandsstadje.
Intusschen werd mijnheer Kahn, die met den minister en den prefect
gedineerd had, met vragen bestormd over de plechtigheid van den
volgenden dag. Men zou zich een uur gaans buiten de stad begeven,
naar den ingang van een tunnel, ontworpen voor den spoorweg van
Niort naar Angers; en daar zou Zijn Excellentie de minister van
Binnenlandsche zaken de eerste mijn zelf doen ontbranden. Dat vond men
heel treffend. Rougon nam een goedig voorkomen aan. Hij wou alleen de
moeitevolle onderneming van een ouden vriend eer bewijzen. Trouwens,
hij beschouwde zichzelf als den aangenomen zoon van het departement
Deux-Sèvres, dat hem vroeger naar de Wetgevende vergadering had
afgevaardigd. In werkelijkheid was het doel van zijn reis, levendig
aangeraden door Du Poizat, zich in al zijn macht aan zijn oude kiezers
te vertoonen, om volkomen zeker van zijn candidatuur te zijn, indien
hij ooit deel mocht willen uitmaken van het Wetgevend lichaam.
Door de vensters van het kleine salon zag men de donkere, rustige
stad. Niemand kwam meer. Men had de komst van den minister te laat
vernomen. Dat was een triomf voor de volijverige lieden die gekomen
waren. Ze dachten niet aan heengaan, hun borst zwol van genot dat
zij de eersten waren die Zijn Excellentie en petit comité bezaten. De
adjunct herhaalde luider, op een klagenden toon, waarin een jubelende
vreugde doorblonk:
--Mijn hemel, wat zal mijnheer de burgemeester een spijt hebben!.... En
mijnheer de president en mijnheer de procureur des keizers, en al
die heeren!....
Tegen negen uur echter zou men in den waan gekomen zijn dat de heele
stad zich in de voorkamer bevond. Er werd een indrukwekkend geluid van
voetstappen gehoord. Daarop kwam een dienaar zeggen dat mijnheer de
commissaris zijn hulde aan Zijn Excellentie wenschte te brengen. En
de binnentredende was Gilquin, Gilquin op zijn keurigst, in rok, met
stroogele handschoenen en chevreauleeren bottines. Du Poizat had hem
een betrekking in zijn departement bezorgd. Gilquin, die zich nu heel
betamelijk voordeed, had alleen nog een ietwat gewaagde, wiegelende
beweging van de schouders behouden en de gewoonte zich niet van zijn
hoed te kunnen scheiden; hij hield dien tegen zijn heup, in een houding
die hij op de een of andere modeplaat scheen bestudeerd te hebben. Hij
maakte een buiging voor Rougon, en mompelde met overdreven nederigheid:
--Ik hoop dat Zijn Excellentie zich mijner nog herinnert. Ik heb de
eer gehad hem meermalen in Parijs te ontmoeten.
Rougon glimlachte. Zij praatten een oogenblik. Daarop ging Gilquin
naar de eetzaal, waar men de thee ronddiende. Hij vond er mijnheer
Kahn, die op een hoekje van de tafel, de lijst van de genoodigden
voor den volgenden dag nazag.
In het kleine salon sprak men over de goede regeering: Du Poizat, naast
Rougon staande, prees het keizerrijk hemelhoog en beiden wisselden een
saluut, alsof zij elkander gelukwenschten met een persoonlijk werk,
tegenover de burgers van Niort, die hen in eerbiedige bewondering
aangaapten.
--Wat een handige lui! mompelde Gilquin, die het tooneel door de open
deur had gadegeslagen.
En terwijl hij een scheutje rum in zijn thee goot, stiet hij mijnheer
Kahn met den elleboog aan. Du Poizat, mager en opgewonden, met zijn
onregelmatige witte tanden in zijn koortsachtig kindergezicht, dat
van zegepraal gloeide, deed Gilquin smakelijk lachen; hij vond hem
"uitstekend".
--Zeg, hebt u hem niet in het departement zien komen? ging hij
zachtjes voort. Ik was bij hem. Hij stapte met een woedend gezicht
door de straten! Nu, hij schijnt heel wat tegen de lui hier gehad te
hebben. Sinds hij in zijn prefectuur is, schijnt het hem een genot
te zijn zich over zijn kindsheid te wreken. En de burgers die hem
vroeger als een armen drommel gekend hebben, zullen het wel laten om
hem te lachen, als hij voorbijgaat, dat beloof ik je!.... O, 't is
een degelijke prefect, met hart en ziel bij zijn zaken. Hij gelijkt
heelemaal niet op dien Langlade dien wij vervangen hebben, iemand die
er allerlei minnarijtjes op nahield, blank als een meisje. We hebben
portretten van zeer gedecolleteerde dames tot in de dossiers van het
kabinet gevonden.
Galquin zweeg een oogenblik. Hij meende te bemerken dat de vrouw
van den directeur, die in een hoekje van het salon zat, geen oog van
hem afwendde. Om nu de bevalligheden van zijn bovenlijf meer te doen
uitkomen, boog hij zich voorover om tot mijnheer Kahn te zeggen:
--Hebt u niet gehoord van de ontmoeting van Du Poizat met zijn
vader? O, het koddigste avontuur ter wereld! U weet dat de oude vroeger
deurwaarder was en dat hij een aardig kapitaaltje bijeengegaard had
door bij de week te leenen; hij woont nu als een kluizenaar, in een oud
vervallen huis, met geladen geweren in de voorgang.... Nu koesterde
Du Poizat, dien hij wel twintigmaal de galg voorspeld had, al lang
den wensch om hem te overbluffen. Dat was eigenlijk de grootste reden
waarom hij hier prefect wou worden.... Op een goeden morgen dan trekt
onze Du Poizat zijn mooiste uniform aan, en onder voorwendsel dat hij
een inspectie gaat houden, klopt hij bij den oude aan de deur. Meer
dan een kwartier lang kon hij staan schilderen. Eindelijk doet de
oude open. Een bleek oud mannetje kijkt met een versuft gezicht
naar de borduursels op zijn uniform. En wat denkt u dat hij zei,
toen hij hoorde dat zijn zoon prefect was? "Zeg, Léopold, stuur me de
belastingmannen niet meer op mijn dak!" Heelemaal geen verbazing of
aandoening.... Toen Du Poizat terugkwam, kneep hij zijn lippen opeen
en zag hij zoo wit als een doek. Die onverstoorbare kalmte van zijn
vader maakte hem wanhopig. Dien zal hij verder wel met rust laten.
Mijnheer Kahn schudde bedachtzaam het hoofd. Hij had de lijst van de
uitnoodigingen weer in zijn zak gestoken, hij nam nu ook een kop thee
en wierp een blik in het aangrenzende salon.
--Rougon staat te slapen, zei hij. Die domooren moesten hem maar naar
bed laten gaan. Hij moet zijn krachten voor morgen bewaren.
--Ik had hem in lang niet gezien, hernam Gilquin. Hij is dik geworden.
Daarop herhaalde hij een toontje lager:
--'t Zijn toch handige lui!.... Ze hebben de een of andere slimmen
zet gedaan, toen de aanslag plaats vond. Ik had ze gewaarschuwd. Den
volgenden dag waren de poppen toch aan het dansen. Rougon beweert
dat hij naar de prefectuur gegaan is, waar niemand hem heeft willen
gelooven. Enfin, dat is zijn zaak, daar behoeft een ander zich niet
mee te bemoeien.... Die vlegel van een Du Poizat had me een kostelijk
déjeuner aangeboden in een café op de boulevards. Wat een dag was
dat! We moeten den avond in den schouwburg doorgebracht hebben;
ik herinner me er niets meer van, ik heb twee dagen achtereen geslapen.
Mijnheer Kahn scheen niet bijzonder gesteld op de vertrouwelijke
mededeelingen van Gilquin. Hij verliet de eetzaal. Gilquin, alleen
achtergebleven, verbeeldde zich nu stellig dat de vrouw van den
directeur een oogje op hem had. Hij ging het salon weer binnen,
toonde zich heel gedienstig, liet haar thee, gebakjes, tulband
brengen. Hij zag er werkelijk niet kwaad uit; hij leek een net
mensch wiens opvoeding ietwat verwaarloosd was, hetgeen de mooie
blondine langzamerhand scheen te verteederen. Intusschen toonde de
afgevaardigde de noodzakelijkheid aan van een nieuwe kerk in Niort,
de adjunct vroeg om een brug, de directeur sprak over een vergrooting
van de gebouwen van het lyceum, terwijl de leden van het Genootschap
ter beoefening der Statistiek alles stilzwijgend goedkeurden.
--We zullen morgen zien, heeren, antwoordde Rougon met half gesloten
oogleden. Ik ben hier om uw behoeften te leeren kennen en aan uw
verzoekschriften recht te doen wedervaren.
Het sloeg tien uur, toen een bediende iets kwam zeggen aan den prefect,
die dadelijk den minister een paar woorden toefluisterde. Deze verliet
haastig de kamer. Mevrouw Correur wachtte hem in een aangrenzend
vertrek. Zij had een lang, tenger meisje bij zich, met een bleek
gelaat vol sproeten.
--Hoe, is u in Niort! riep Rougon.
--Eerst sedert van middag, zei mevrouw Correur. We zijn hierover
afgestapt, in het hôtel de Paris.
En zij legde uit dat zij uit Coulonges kwam, waar zij twee dagen had
doorgebracht. En op het lange meisje wijzende:
--Mejuffrouw Herminie Billecoq, die zoo vriendelijk geweest is mij
gezelschap te houden.
Herminie Bellecoq maakte een plechtstatige buiging. Mevrouw Correur
ging voort:
--Ik heb u niet over die reis gesproken, omdat u het me misschien
had afgeraden; maar het was me te machtig, ik moest mijn broer
zien. Toen ik van uw reis naar Niort hoorde, ben ik dadelijk hier
heen gekomen. We hadden u de prefectuur zien binnengaan, maar we
vonden het verkieselijker ons wat laat te vertoonen. Men is zoo
kwaadsprekend in die kleine steden!
Rougon knikte toestemmend. De dikke mevrouw Correur, met haar
beschilderde wangen en geel kostuum, leek hem ook wel wat opzichtig
toe voor een provinciestadje.
--En hebt u uw broer gezien? vroeg hij.
--Ja, ja, mompelde zij, met opeengeklemde tanden. Mevrouw Martineau
heeft me de deur niet durven wijzen. Die arme broer! Ik wist wel
dat hij ziek was, maar het trof me toch toen ik hem zoo vermagerd
zag. Hij heeft me beloofd dat hij me niet zou onterven; dat zou tegen
zijn principes zijn. Het testament is gemaakt, het geld moet tusschen
mij en mevrouw Martineau verdeeld worden.... Niet waar, Herminie?
--Het geld moet verdeeld worden, bevestigde het lange meisje. Hij zei
het toen u binnenkwam en hij herhaalde het toen hij u de deur wees. O,
stellig, ik heb het goed gehoord.
Intusschen wenschte Rougon de dames haar afscheid te geven. Hij
zei:--Goed, dat doet me genoegen! Nu kunt u gerust zijn. Mijn hemel,
die familietwisten worden altijd weer bijgelegd.... Nu, goeden
avond. Ik ga naar bed.
Maar mevrouw Correur hield hem tegen. Zij had haar zakdoek te
voorschijn gehaald en drukte die in een plotselinge bui van wanhoop
tegen haar oogen.
--Die arme Martineau!.... Hij is zoo goed geweest, hij heeft me zoo
zonder veel omhaal vergiffenis geschonken!.... Als u eens wist, mijn
vriend.... Ik kom eigenlijk hier voor hem, ik wou u iets te zijnen
gunste verzoeken.
Tranen verstikten haar stem. Ze snikte. Rougon, die er niets van
begreep, keek de beide vrouwen verbaasd aan. Juffrouw Herminie
Billecoq huilde ook, maar in stilte; zij was gevoelig van aard,
droefheid werkte aanstekelijk op haar. Zij stamelde het eerst:
--Mijnheer Martineau heeft zich in de politiek gecompromitteerd.
Toen begon mevrouw Correur met een groote radheid van tong te spreken.
--Misschien heugt het u nog, dat ik u onlangs al eens mijn
vrees te kennen gaf. Ik had er een voorgevoel van.... Martineau
werd republikeinsch. Bij de laatste verkiezingen heeft hij zich
verbazend ingespannen voor den candidaat van de oppositie. Ik kende
bijzonderheden die ik niet wil zeggen. Enfin, dat kon niet goed
afloopen.... Zoodra ik in Coulonges in de Lion d'or afstapte, heb ik de
lui uitgehoord en nog heel wat meer bijzonderheden vernomen. Martineau
heeft allerlei dwaasheden begaan. Het zou niemand verwonderen als
hij gearresteerd werd. Men verwacht iederen dag de gendarmes om hem
mee te nemen. U begrijpt wat een schok dat voor mij zou zijn! En nu
heb ik aan u gedacht, mijn vriend....
Opnieuw werd haar stem door snikken verstikt. Rougon trachtte haar
gerust te stellen. Hij zou er over spreken met Du Poizat, hij zou
de vervolging stuiten, als zij reeds begonnen was. Hij liet zich
zelfs ontvallen:
--Ik ben de baas, ga gerust slapen.
Mevrouw Correur schudde het hoofd en rolde haar zakdoek ineen; haar
tranen waren gedroogd. Ze hernam nog halfluid:
--Neen, neen, u weet niet alles. 't Is ernstiger dan u denkt.... Hij
brengt mevrouw Martineau naar de mis en blijft er zelf buiten;
hij heeft verklaard dat hij geen voet meer in de kerk zal zetten,
wat iederen Zondag een groot schandaal geeft. Hij gaat druk om met
een gewezen advokaat, een man van 48, met wien men hem urenlang over
allerlei verschrikkelijke dingen hoort praten. Herhaaldelijk sluipen
er mannen met een verdacht uiterlijk 's nachts in zijn tuin, zeker
om naar zijn bevelen te komen vernemen.
Bij iedere bijzonderheid die zij opnoemde, haalde Rougon de schouders
op, maar juffrouw Herminie Billecoq voegde er snel bij, als verstoord
over zoo'n toegevendheid:
--En de brieven met roode lakken, die hij uit alle landen ontvangt,
de postbode heeft het ons verteld. Hij wou eerst niet spreken, hij
zag doodsbleek. We hebben hem twintig sous moeten geven.... En dan
zijn laatste reis een maand geleden. Hij is acht dagen weg geweest,
zonder dat iemand weet waar hij heen gegaan is. De juffrouw van de Lion
d'or heeft ons verzekerd dat hij zelfs geen koffer heeft meegenomen.
--Herminie, ik bid je! zei mevrouw Correur ongerust. Martineau is er al
slecht genoeg aan toe. Wij behoeven zijn schuld niet nog te verzwaren.
Rougon luisterde nu toe, beurtelings de beide vrouwen aanziende. Hij
werd heel ernstig.
--Als hij zich zoo gecompromitteerd heeft, mompelde hij.
Hij meende een korte flikkering in mevrouw Correur's oogen te zien. Hij
ging voort:
--Ik zal mijn best doen, maar ik beloof niets.
--Ach, hij is verloren, hij is nu voor goed verloren! riep mevrouw
Correur. Ik voel het, ziet u.... We willen niets zeggen. Als wij u
alles zeiden....
Zij zweeg en beet in haar zakdoek.
--En ik had hem in geen twintig jaar gezien! En nu vind ik hem terug
om hem misschien nooit meer terug te zien! Hij is zoo goed geweest,
o zoo goed!
Herminie haalde even haar schouders op. Zij gaf Rougon een wenk,
als om hem te kennen te geven, dat hij de wanhoop van een zuster
vergeven moest, maar dat de notaris de grootste schelm was.
--In uw plaats, hernam zij, zou ik alles vertellen. Dat zou beter zijn.
Toen scheen mevrouw Correur een groot besluit te nemen. Ze sprak
nog zachter.
--U herinnert u het Te Deum dat men overal gezongen heeft, toen
de keizer zoo wonderbaarlijk aan den dood ontsnapt is, voor de
Opera.... Nu, den dag waarop men het Te Deum in Coulonges gezongen
heeft, vroeg een buurman aan Martineau of hij niet naar de kerk ging,
en de ongelukkige antwoordde: --Waartoe, naar de kerk? Ik lach wat
om den keizer!
--Ik lach wat om den keizer! herhaalde juffrouw Herminie Billecoq
met een ontsteld gelaat.
--Begrijpt u nu mijn vrees, ging mevrouw Correur voort. Ik heb het
u al gezegd, het zou niemand in het land verwonderen als men hem
arresteerde.
Terwijl zij deze woorden sprak, keek zij Rougon strak aan. Deze sprak
niet dadelijk. Hij scheen een laatsten ondervragenden blik te werpen
op dat dikke, zachte vleesch, waarin fletse oogen knipten onder de
weinige blonde haren van de wenkbrauwen. Zijn blik bleef een oogenblik
op den vollen, blanken hals rusten.
Daarop strekte hij de armen uit en riep:
--Ik vermag niets, dat verzeker ik u. Ik ben de baas niet.
En hij gaf redenen op. Hij was te angstvallig, zei hij, om in
dergelijke zaken tusschenbeide te komen. Indien de justitie er al in
gemengd was, moesten de zaken haar loop hebben. Hij had liever gehad
dat hij mevrouw Correur niet kende, want zijn vriendschap voor haar
bond hem de handen; hij had zich plechtig voorgenomen zekere diensten
nooit aan zijn vrienden te bewijzen. Enfin, hij zou inlichtingen
inwinnen. En hij trachtte haar reeds te troosten, alsof haar broer al
naar de een of andere strafkolonie onder weg was. Zij boog het hoofd;
een hikkend geluid schudde den zwaren blonden haarbos, die in haar nek
afhing. Maar zij kwam toch eindelijk tot kalmte. Toen zij afscheid nam,
duwde zij Herminie voor zich uit en zei:
--Mejuffrouw Herminie Billecoq.... Ik heb u haar al voorgesteld,
geloof ik. Mijn hoofd is zoo ziek!.... 't Is die juffrouw, voor
wie we eindelijk een huwelijksgift gevonden hebben. De officier,
haar verleider, heeft haar nog niet kunnen huwen, door de eindelooze
formaliteiten.... Bedank Zijn Excellentie, liefste.
Het lange meisje kreeg een kleur en zette een gezicht als een
onschuldig kind, in wier tegenwoordigheid men een onbetamelijk gezegde
uit. Mevrouw Correur liet haar voorgaan; en daarop met een hartelijken
handdruk van Rougon afscheid nemende, voegde zij er bij:
--Ik reken op u, Eugène.
Toen de minister in het kleine salon terugkeerde, vond hij dit
ledig. Du Poizat was er in geslaagd den afgevaardigde, den eersten
adjunct en de zes leden van het Genootschap ter beoefening der
Statistiek weg te zenden. Mijnheer Kahn zelf was vertrokken,
nadat hij met de anderen tegen tien uur in den volgenden dag had
afgesproken. De eenigen die zich nog in de eetzaal bevonden, waren
de vrouw van den directeur en Gilquin, die taartjes aten en over
Parijs praatten; Gilquin keek smachtend, sprak over de wedrennen, de
schilderijen-tentoonstelling, een eerste voorstelling van de Comédie
française, met de gemakkelijkheid van een man, die gewoon is zich
in alle kringen te bewegen. In dien tusschentijd gaf de directeur
den prefect fluisterend eenige inlichtingen omtrent een leeraar van
het vierde jaar, die onder verdenking stond republikeinsch gezind
te zijn. Het was elf uur. Men stond op en groette Zijn Excellentie;
en Gilquin trok zich juist terug met den directeur en zijn vrouw,
welke laatste hij zijn arm aanbood, toen Rougon hem terug hield.
--Mijnheer de commissaris, een woordje alsjeblieft.
Toen zij alleen waren, richtte hij zich tegelijk tot den commissaris
en den prefect.
--Wat is dat toch met die zaak Martineau?.... Heeft die man zich
werkelijk zoo gecompromitteerd?
Op Gilquin's gelaat verscheen een glimlach. Du Poizat verstrekte
eenige inlichtingen.
--Mijn hemel, ik dacht niet aan hem. Men heeft hem aangeklaagd. Ik
heb brieven ontvangen. Het is zeker dat hij zich met de politiek
bemoeit. Maar er hebben al vier arrestaties in het departement plaats
gehad. Ik had liever, om het vijftal bijeen te krijgen, een leeraar
van het vierde leerjaar in de doos willen stoppen; die leest zijn
leerlingen revolutionnaire boeken voor.
--Ik heb zeer ernstige feiten vernomen, zei Rougon gestreng. De tranen
van zijn zuster moeten dien Martineau niet redden, als hij werkelijk
zoo gevaarlijk is. Dat is een kwestie waarbij het algemeen belang
betrokken is.
En zich tot Gilquin wendend:
--Wat denkt gij er van?
--Ik zal morgen tot de arrestatie overgaan, antwoordde deze. Ik ken
de heele zaak. Ik heb mevrouw Correur in het hôtel de Paris gesproken,
waar ik gewoonlijk dineer.
Du Poizat maakte geen enkele tegenwerping. Hij haalde een zakboekje
voor den dag, schrapte daarin een naam door om er een anderen boven
te schrijven, terwijl hij den commissaris op het hart drukte in ieder
geval een oogje op den bewusten leeraar te houden. Rougon vergezelde
Gilquin tot aan de deur. Hij hernam:
--Die Martineau is ongesteld, geloof ik. Ga persoonlijk naar
Coulonges. Ga zoo zacht mogelijk te werk.
Maar Gilquin nam een beleedigde houding aan. Hij verloor allen eerbied
uit het oog, hij tutoyeerde Zijn Excellentie.
--Zie je me voor een gemeenen verklikker aan! riep hij. Vraag aan Du
Poizat die historie van een apotheker, dien ik eergisteren nacht uit
zijn bed gelicht heb. De vrouw van een deurwaarder lag bij hem. Niemand
heeft er iets van geweten. Ik ga altijd als een man van de wereld
te werk.
Rougon sliep negen uur achtereen. Toen hij den volgenden morgen tegen
half negen ontwaakte, liet hij Du Poizat roepen, die heel opgewekt
binnentrad, met een sigaar in den mond. Zij praatten en schertsten
als eertijds, toen zij bij mevrouw Mélanie woonden en elkander
's morgens met een paar klappen op de bloote dijen wekten. Terwijl
hij zich waschte en kamde, vroeg de minister den prefect naar de
bijzonderheden van het land, de aangelegenheden van de ambtenaren,
de behoeften van de eenen, de ijdelheden van de anderen. Hij wenschte
ieder een vriendelijk woord toe te kunnen voegen.
--Wees maar gerust, ik zal uw souffleur zijn! zei Du Poizat
glimlachend.
En in enkele woorden bracht hij hem op de hoogte, hij lichtte hem in
over de personen met wie hij in aanraking zou komen. Rougon liet hem
soms een feit herhalen om het beter in zijn geheugen te prenten. Om
tien uur kwam mijnheer Kahn. Zij ontbeten met hun drieën en stelden
middelerwijl de laatste bijzonderheden van de plechtigheid vast. De
prefect zou een rede houden, mijnheer Kahn ook. Rougon zou het
laatst het woord voeren. Maar het zou misschien goed zijn nog een
vierde redevoering uit te lokken. Een oogenblik dachten zij aan
den burgemeester, maar Du Poizat vond hem te dom, en hij ried aan
den hoofdingenieur van bruggen en wegen te kiezen, die daartoe ook
de aangewezen persoon was, maar mijnheer Kahn was ietwat bang voor
zijn bedilzucht. Toen men van tafel opstond, nam mijnheer Kahn den
minister terzijde om hem de punten aan te wijzen, waarop hij hem
gaarne een bijzonderen nadruk zou zien leggen. Men zou om halfelf op de
prefectuur samenkomen. De burgemeester kwam met zijn eersten adjunct;
de burgemeester stamelde, het had hem zoo gespeten dat hij den vorigen
dag niet in Niort was geweest, terwijl de eerste adjunct met veel
vertoon vroeg of Zijn Excellentie een goeden nacht had doorgebracht,
of zij al van de vermoeienis bekomen was. Eindelijk verschenen de
president van de rechtbank, de procureur des keizers met zijn twee
substituten, de hoofdingenieur van de wegen en bruggen, waarop in
een rij volgden de ontvanger, de directeur der directe belastingen
en de bewaarder der hypotheken. Verscheidene van die heeren waren
met hun dames. De vrouw van den directeur, de mooie blondine, in een
zeer opvallend hemelsblauw toilet, veroorzaakte een groote emotie;
zij verzocht Zijn Excellentie haar man te verontschuldigen, die den
vorigen avond een aanval van jicht gekregen had. Intusschen kwamen
er nog andere autoriteiten: de kolonel van het 78e linie-regiment,
de president van de rechtbank van koophandel, de twee kantonrechters,
de opperhoutvester vergezeld van zijn drie dochters, leden van den
gemeenteraad, afgevaardigden van het Genootschap ter beoefening der
Statistiek en van den raad van scheidsrechters.
De receptie had plaats in het groote salon van de prefectuur. Du
Poizat stelde de genoodigden voor. En de minister ontving ieder met
een glimlach, als een ouden bekende. Hij wist van ieder verrassende
bijzonderheden. Den procureur des keizers sprak hij met veel lof
over een requisitoir dat hij onlangs in een echtscheidingszaak had
uitgesproken; hij vroeg met een bewogen stem aan den directeur der
directe belastingen naar den toestand van zijn vrouw, die sinds twee
maanden ziek te bed lag; hij hield den kolonel een oogenblik staande,
om hem te toonen dat hij bekend was met de schitterende studiën
van zijn zoon te Saint-Cyr; hij praatte over schoenwerken met een
raadslid, dat groote schoenmakerswerkplaatsen had, en begon met den
opperhoutvester, die een hartstochtelijk liefhebber van oudheden was,
een discussie over een druïdischen steen, dien men de vorige week
ontdekt had. Wanneer hij weifelde, naar zijn woorden zocht, kwam Du
Poizat hem met een behendig ingefluisterd woord te hulp. Trouwens,
hij toonde een bijzondere kalmte en zekerheid in zijn optreden.
Toen de president van de rechtbank van koophandel buigend binnentrad,
riep hij op minzamen toon:
--Is u alleen, mijnheer de president? Ik hoop toch dat mevrouw van
avond op het feestmaal mee zal komen....
Hij hield zich opeens in, toen hij de verlegen gezichten om zich
heen zag. Du Poizat stiet hem ongemerkt aan. Toen herinnerde hij
zich dat de president van de rechtbank van koophandel van zijn vrouw
gescheiden leefde, ten gevolge van eenige opzienbarende feiten. Hij
had zich vergist, hij had gemeend dat hij tot den anderen president
sprak. Maar daardoor liet hij zich niet uit het veld slaan. Steeds
glimlachend, zonder op zijn onhandigheid terug te komen, hernam hij
met een geheimzinnig gezicht:
--Ik heb u een goede tijding mee te deelen, mijnheer. Ik weet dat
mijn collega, de grootzegelbewaarder, u voor een ridderorde heeft
voorgedragen.... 'k Bega eigenlijk een onbescheidenheid. Vertel het
niet verder.
De president van de rechtbank van koophandel kreeg een kleur als
vuur. Hij stikte bijna van blijdschap. Rondom hem verdrong men
zich om hem geluk te wenschen, terwijl Rougon zich voornam er zijn
collega van te verwittigen dat hij die orde zoo juist van pas had
weggeschonken. Hij decoreerde den bedrogen echtgenoot. Op Du Poizat's
gelaat verscheen een glimlach van bewondering.
Intusschen bevonden zich nu reeds vijftig personen in het groote
salon. Men wachtte steeds, met verlegen gezichten.
--De tijd nadert, we zouden kunnen vertrekken, mompelde de president.
Maar de prefect boog zich naar hem over en verklaarde hem dat de
afgevaardigde, de vroegere tegenstander van mijnheer Kahn, er nog niet
was. Eindelijk trad deze hijgend en zweetend binnen; zijn horloge had
zeker stilgestaan, hij begreep er niets van. En toen, in aller bijzijn
zijn bezoek van den vorigen dag in herinnering wenschende te brengen,
begon hij:
--Zooals ik gisterenavond tot Uwe Excellentie zeide....
En hij liep naast Rougon, en vertelde hem dat hij den volgenden morgen
naar Parijs zou terugkeeren. Het Paaschverlof was Dinsdag reeds om,
de zitting was heropend. Maar hij had gemeend nog eenige dagen in Niort
te moeten blijven, om de honneurs van zijn departement tegenover Zijn
Excellentie waar te nemen.
Alle genoodigden waren naar het plein voor de prefectuur gegaan,
waar een tiental rijtuigen aan weerszijden van het bordes stonden
te wachten. De minister steeg met den afgevaardigde, den prefect
en den burgemeester in een calèche, die zich aan het hoofd van den
stoet stelde. De overige genoodigden namen zooveel mogelijk naar
rangorde plaats; er waren nog twee andere calèches, drie victoria's en
chars-à-bancs voor zes en acht personen. In de rue de la Préfecture
werd de stoet geregeld. Men vertrok in matigen draf. De linten der
dames fladderden, terwijl haar rokken over de portieren heen hingen. De
zwarte hoeden der heeren glommen in de zon. Men moest een gedeelte
van de stad door. In de nauwe straten rolden de rijtuigen met een
rammelend geluid over de puntige straatsteenen. En voor alle vensters,
aan alle deuren groetten de inwoners zonder een kreet, zoekende naar
Zijn Excellentie en zeer verbaasd de burgerlijke jas van den minister
naast den met goud geborduurden rok van den prefect te zien.
Buiten de stad reed men over een breeden weg, met prachtige boomen
beplant. Het was zacht weer; een mooie, zonnige April-dag, met
een blauwe lucht. De rechte, effen weg was omzoomd door tuinen vol
bloeiende seringen en abrikozenboomen. Daarachter uitgestrekte akkers,
hier en daar door een groepje boomen afgewisseld. In de rijtuigen
werden drukke gesprekken gevoerd.
--Dit is een spinnerij, nietwaar? zei Rougon, aan wiens oor de prefect
iets toefluisterde.
Hij wendde zich tot den burgemeester, wees hem op het gebouw van
rooden baksteen, dat aan den waterkant stond, en zei:
--Die spinnerij behoort u toe, naar ik meen..... Men heeft mij over uw
nieuw systeem van wolkaarden gesproken. Ik zal een oogenblik trachten
te vinden om al die wonderen te aanschouwen.
Hij vroeg hoe het met de beweegkracht der rivier gesteld was. Volgens
hem hadden hydraulische motors ontzaglijke voordeelen. En hij bracht
den burgemeester door zijn technische kennis in verbazing. De andere
rijtuigen volgden ietwat wanordelijk. Gesprekken, met cijfers
doorspekt, kwamen tot hen, te midden van het dof getrappel der
paarden. Een heldere lach weerklonk, die iedereen deed omkijken,
het was de vrouw van den directeur, wier parasol op een hoop steenen
gewaaid was.
--U bezit ergens een hoeve, hernam Rougon glimlachend tot den
afgevaardigde. Ze staat daar op die helling, als ik mij niet
vergis.... Prachtige weilanden! Ik weet trouwens dat u veel
aan fokkerij doet en dat uw koeien bekroond zijn op de laatste
landbouwtentoonstelling.
Toen spraken zij over het vee. De weiden, badend in het zonlicht,
vertoonden een zachtheid van groen fluweel, waarop een veld van bloemen
ontlookt. Rijen populieren lieten hier en daar het uitzicht vrij op
allerliefste landschapjes. Een oude vrouw, die een ezel voortleidde,
moest het dier aan den kant van den weg stil laten staan om den stoet
voorbij te laten gaan. En de ezel, verschrikt door dien optocht van
glimmende rijtuigen, begon te balken. De dames in groot toilet en de
heeren met handschoenen aan, hielden zich ernstig.
Men reed links een lichte helling op en daarna weer af. Men was
op de plaats van bestemming aangekomen. Het was als een blinde
steeg in een nauwe vallei, een soort van gat tusschen drie heuvels
ingesloten. Wanneer men omhoog keek, zag men tegen den helderen hemel
slechts de afgebrokkelde geraamten van twee vervallen molens.
Daar, op het midden van een vierkant grasveld, was een tent opgeslagen,
van grijs linnen met een breeden rooden zoom, met vlaggentropeeën aan
de vier zijden. Een duizendtal nieuwsgierigen, die daarheen gewandeld
waren, burgers, boeren, dames, hadden zich aan de schaduwzijde
amphitheatersgewijze op een der heuvels opgesteld. Voor de tent stond
een detachement van het 78e linieregiment onder de wapenen, tegenover
de pompiers van Niort; terwijl aan den zoom van het grasveld een
ploeg arbeiders in nieuwe kielen stonden, met de ingenieurs aan het
hoofd. Zoodra de rijtuigen zich vertoonden begon het philharmonisch
gezelschap van de stad, uit dilettanten bestaande, de ouverture van
de Dame blanche te spelen.
--Leve Zijn Excellentie! riepen eenige stemmen, doch hun geroep ging
verloren in het geraas der koperen instrumenten.
Rougon steeg uit het rijtuig. Hij keek om zich heen, ontstemd over
die belemmering van het uitzicht, waardoor de plechtigheid in zijn
oog een minder grootsch aanzien kreeg. Hij bleef een oogenblik op het
grasveld staan, wachtende op een woord van verwelkoming. Eindelijk
kwam mijnheer Kahn toeloopen. Hij had dadelijk na het ontbijt de
prefectuur verlaten, maar hij had voorzichtigheidshalve de mijn
onderzocht, die Zijn Excellentie moest doen ontbranden. Hij geleidde
den minister naar de tent. De genoodigden volgden. Er ontstond eenige
verwarring. Rougon vroeg naar enkele bijzonderheden.
--Dus moet de tunnel hier beginnen?
--Juist, antwoordde mijnheer Kahn. De eerste mijn is gegraven in die
roodachtige rots, waar Uw Excellentie een vlag ziet.
De gedeeltelijk uitgegraven heuvel aan de voorzijde vertoonde de
rots. Ontwortelde struiken hingen tusschen de uitgegraven aarde. Men
had den bodem van de opening met bladeren bestrooid. Mijnheer Kahn
wees de richting aan, die de spoorweg zou volgen; zij was aangeduid
door een dubbele rij bakenstokken met richtvaantjes, midden door de
paden, struiken en grasvelden. Het was een vreedzaam hoekje natuur,
dat daar vaneengereten zou worden.
Intusschen hadden de autoriteiten een onderkomen in de tent
gevonden. De toeschouwers rekten hun halzen uit om tusschen de zeilen
door te zien. Het philharmonisch gezelschap had de ouverture van de
Dame blanche uitgespeeld.
--Mijnheer de minister, zei eensklaps een schelle stem, die trilde
in de stilte, ik reken het mij tot een eer Uw Excellentie het eerst
te kunnen bedanken voor de welwillendheid waarmee U de uitnoodiging
hebt aangenomen, die wij zoo vrij waren U te doen. Het departement
Deux-Sèvres zal eeuwig de herinnering bewaren.
Het was Du Poizat, die het eerst het woord voerde. Hij stond op
drie passen afstands van Rougon, die eveneens stond, en bij het
einde van sommige zinnen maakten zij een lichte hoofdbuiging tegen
elkander. Hij sprak bijna een kwartier lang; hij herinnerde den
minister aan de schitterende wijze waarop hij het departement in de
Wetgevende vergadering vertegenwoordigd had; de stad Niort had zijn
naam in haar annalen geschreven als dien van een weldoener; zij brandde
van begeerte om hem bij iedere gelegenheid haar erkentelijkheid te
toonen. Du Poizat had het politieke en praktische gedeelte op zich
genomen. Nu en dan ging zijn stem in de open lucht verloren. Dan
zag men niets dan zijn gebaren, een regelmatige beweging van zijn
rechterarm; en de duizend nieuwsgierigen die op de helling stonden,
keken vol belangstelling naar het borduursel van zijn mouw, waarvan
het goud in de zon schitterde.
Vervolgens trad mijnheer Kahn naar voren. Hij had een zeer harde
stem. Hij blafte sommige woorden uit. De wand van de vallei vormde een
echo en weerkaatste de slotwoorden van iederen zin, waarop hij al te
veel nadruk legde. Hij sprak van zijn lange inspanningen, de studiën,
de stappen die hij bijna vier jaar lang had moeten doen, om het land
een nieuwen spoorweg te geven. Nu zouden de voordeden als een regen
over het departement neerdalen; de akkers zouden vruchtbaar gemaakt
worden, de fabrieken zouden haar productie verdubbelen, handel en
bedrijf zouden tot in de kleinste dorpjes doordringen, en wanneer men
hem zoo hoorde, scheen het of Deux-Sèvres onder zijn uitgebreide armen
een luilekkerland zou worden, met beken van melk en tooverboschjes,
waar tafels met heerlijke spijzen beladen den voorbijgangers
wachtten. Daarop sloeg hij plotseling een overdreven nederigen toon
aan. Hij had volstrekt geen aanspraak op hun dankbaarheid, hij zou
nooit in staat geweest zijn zoo'n grootsch plan te verwezenlijken
zonder de hooge bescherming waarop hij trotsch was. En zich tot Rougon
wendend, noemde hij hem "de voortreffelijke minister, de verdediger van
alle edele en nuttige denkbeelden." Ten slotte gewaagde hij met veel
ophef van de finantieële voordeelen der zaak. Op de Beurs vocht men
om de aandeelen. Gelukkig de renteniers, die hun geld hadden kunnen
steken in een onderneming, waaraan Zijn Excellentie de minister van
Binnenlandsche zaken zijn naam wou verbinden!
--Zeer goed gezegd! mompelden eenige genoodigden.
De burgemeester en verscheidene autoriteiten drukten mijnheer
Kahn de hand: hij toonde zich zeer aangedaan. Buiten weerklonken
toejuichingen. Het philharmonisch gezelschap achtte het oogenblik
geschikt om krachtig in te zetten, maar de eerste adjunct zond in
allerijl een pompier om de muziek te doen zwijgen. In dien tusschentijd
stond de hoofdingenieur der bruggen en wegen in twijfel of hij wel zou
spreken; hij had zich niet voorbereid, zei hij. Maar de prefect overwon
zijn weifeling. Mijnheer Kahn fluisterde laatstgenoemde in het oor:
--Had het maar niet gedaan. Hij heeft gemeene streken.
De hoofdingenieur was een lange, magere man, die zich er veel op liet
voorstaan dat hij bijzonder ironisch kon zijn. Hij sprak langzaam,
en zijn mondhoeken vertrokken zich, telkens wanneer hij een bijtend
gezegde uitte. Hij begon met mijnheer Kahn onder loftuitingen te
begraven. Daarop kwamen de kwaadaardige toespelingen. Hij veroordeelde
met een paar woorden het ontwerp van den spoorweg, met de bekende
minachting van gouvernements-ingenieurs voor de werken van civiele
ingenieurs. Hij herinnerde aan het tegen-ontwerp van de compagnie de
l'Ouest, dat langs Thouars zou gaan, en schijnbaar zonder kwaad opzet,
legde hij nadruk op den kromming in den weg van mijnheer Kahn, ten
gerieve van de hoogovens van Bressuire. Alles zonder eenige lompheid,
doorspekt met vriendelijke volzinnetjes, vol speldeprikken, die alleen
de ingewijden begrepen. Het slot van zijn rede was nog hartelijker. Hij
scheen het te betreuren dat de "voortreffelijke minister" zich kwam
compromitteeren in een zaak, waarvan de finantiëele zijde alle mannen
van ervaring tot bezorgdheid stemde. Er zouden ontzaglijke geldsommen
noodig zijn; de grootste eerlijkheid, de grootste belangeloosheid
zouden noodzakelijk zijn. En met zijn verwrongen mond sprak hij dit
slotwoord uit:
--Die bezorgdheid is denkbeeldig, wij zijn volkomen gerustgesteld nu
wij aan het hoofd der onderneming een man zien staan, wiens schoone
finantiëele positie en onkreukbare eerlijkheid zoo goed bekend zijn
in het departement.
Een goedkeurend gemompel werd gehoord. Enkele personen slechts
keken mijnheer Kahn aan, die zijn bleeke lippen tot een glimlach
drong. Rougon had met halfgesloten oogen toegeluisterd, alsof het licht
hem hinderde. Toen hij ze weer opende, waren zijn fletse oogen donker
geworden. Hij had eerst een kort woord willen spreken, maar hij had
nu een der zijnen te verdedigen. Hij deed een paar stappen vooruit,
tot aan den ingang der tent; en daar, met een gebaar dat voor geheel
Frankrijk bestemd scheen, begon hij:
--Mijne heeren, staat mij toe in gedachte deze heuvels te bestijgen,
het heele keizerrijk met een enkelen blik te omvatten, en aldus de
plechtigheid, die ons hier samenbrengt, uit te breiden, om ze tot een
feest van handel en nijverheid te maken. Op het oogenblik dat ik tot
u spreek, is men van het Noorden tot het Zuiden bezig met het graven
van kanalen, het aanleggen van spoorwegen, het doorboren van gebergten,
het bouwen van bruggen....
Een diepe stilte was ontstaan. Tusschen de zinnen hoorde men
windzuchtjes door de takken ritselen, en verder weg het geluid van een
sluis. De pompiers, die in keurige houding met de soldaten wedijverden,
onder de brandende zon, wierpen schuinsche blikken naar den minister,
om hem te zien spreken. Op den heuvel hadden de toeschouwers zich
op hun gemak neergevlijd, de dames nadat zij haar zakdoeken hadden
uitgespreid; twee heeren die in de zon stonden, hadden de parasols
van hun vrouwen opgestoken. En Rougon's stem klonk allengs luider. Het
scheen wel alsof de vallei niet ruim genoeg was voor zijn gebaren. Met
zijn handen, die hij plotseling vooruitstak, scheen hij al wat hem in
het rond het vrije uitzicht op den horizon belemmerde weg te willen
vagen. Tot tweemaal toe zocht hij de ruimte; maar hij zag boven zich,
aan den rand van den hemel, slechts de molens waarvan de afgebrokkelde
geraamten in de zon kraakten.
De redenaar had het thema van mijnheer Kahn weer opgevat en
vergroot. Het was niet alleen het departement Deux-Sèvres, dat een
verbazenden voorspoed tegemoet ging, maar geheel Frankrijk, dank zij
dien zijtak van Niort naar Angers. Tien minuten lang somde hij de
tallooze weldaden op, waarmee de bevolking overladen zou worden.
Hij ging zelfs zoover, van Gods bestierende hand te spreken. Daarop
antwoordde hij den hoofdingenieur; hij trad niet in discussie, maakte
geen enkele zinspeling; hij zei alleen het tegengestelde van hetgeen de
ander gezegd had, hij lei nadruk op de toewijding van mijnheer Kahn,
stelde hem voor als bescheiden, belangeloos, grootsch. De finantiëele
zijde van de onderneming liet hem volkomen kalm. Hij glimlachte en
stapelde met een snel gebaar bergen van goud op. Toen werden zijn
woorden door luide bravo's overstemd.
--Nog een enkel woordje, mijne heeren, zei hij, zijn lippen met zijn
zakdoek afdrogende.
Dat enkele woordje duurde een kwartier. Hij wond zich op, hij liet
zich verder voeren dan zijn plan geweest was. Bij de slotrede zelfs,
toen hij aan de grootheid der regeering kwam en het groote vernuft
van den keizer prees, liet hij doorschemeren dat Zijne Majesteit den
zijtak van Mort naar Angers in zijn bijzondere bescherming nam. De
onderneming werd een staatszaak.
Drie salvo's van toejuichingen braken los. Een vlucht kraaien, hoog
in de lucht, verschrikte en liet een langgerekt gekras hooren. Bij
den slotzin van de rede was het philharmonisch gezelschap begonnen
te spelen, op een signaal dat van uit de tent gegeven werd, terwijl
de dames, haar japonnen bijeenhoudend, haastig opstonden om niets
van het schouwspel te verliezen. Intusschen stonden de genoodigden
rondom Rougon met een verrukt gezicht te glimlachen. De burgemeester,
de procureur des keizers, de kolonel van het 78e linieregiment,
schudden goedkeurend het hoofd, terwijl zij luisterden naar de
halfluide bewonderende woorden van den afgevaardigde, die zijn
best deed om door den minister verstaan te worden. Maar de meeste
geestdrift toonde zeker wel de hoofdingenieur der bruggen en wegen;
hij toonde een buitengewone gedienstigheid, en met zijn scheven mond
scheen hij als verplet door de prachtige woorden van den grooten man.
--Wanneer Zijn Excellentie mij gelieft te volgen, zei mijnheer Kahn,
wiens dik gelaat van vreugde glom.
Dat was het einde. Zijn Excellentie zou de eerste mijn doen
springen. Er werden bevelen uitgedeeld aan de ploeg werklieden in
nieuwe kielen. Deze mannen gingen den minister en mijnheer Kahn in
de gemaakte schacht vooraf, en schaarden zich in twee rijen. Een
opzichter hield een brandend stuk touw in de hand, dat hij Rougon
aanbood. De autoriteiten, die onder de tent gebleven waren, rekten
den hals uit. Het publiek wachtte vol spanning. Het philharmonisch
gezelschap speelde steeds door.
--Zou het veel leven maken? vroeg de vrouw van den directeur aan een
der substituten.
--Dat hangt af van de gesteldheid der rots, antwoordde de president
van de rechtbank van koophandel, die in mineralogische uitleggingen
begon te treden.
--Ik stop mijn ooren toe, mompelde de oudste der drie dochters van
den opperhoutvester.
Rougon gevoelde zich belachelijk, te midden van al die menschen,
met zijn brandend eind touw in de hand. Op den top van den heuvel
kraakten de geraamten van de molens harder. Toen haastte hij zich
en stak de lont aan, waarvan de opzichter hem het uiteinde tusschen
twee steenen aanwees. Dadelijk blies een werkman op een trompet. De
geheele ploeg trok af. Mijnheer Kahn had Zijn Excellentie snel in de
tent teruggebracht, terwijl hij een angstige bezorgdheid toonde.
--Hoe nu, gaat het niet af? stamelde de hypotheekbewaarder, die van
angst met de oogen knipte, en een onweerstaanbaren lust voelde om
zijn ooren toe te stoppen, evenals de dames.
De ontploffing had eerst na een paar minuten plaats. Uit
voorzichtigheid had men de lont zeer lang genomen. De spanning der
toeschouwers veranderde in angst; aller oogen waren op de roode
rots gevestigd en meenden haar te zien bewegen. Eindelijk hoorde men
een dof gerommel, de rots spleet vaneen, terwijl een aantal stukken
steen, zoo groot als een paar vuisten, in den rook omhoog geworpen
werden. Iedereen ging nu heen; van alle kanten hoorde men vragen:
--Ruik je den kruitdamp?
Dien avond gaf de prefect een diner, waaraan de autoriteiten
deelnamen. Hij had vijfhonderd uitnoodigingen rondgezonden voor het
bal, dat daarna gegeven werd. Dat bal was schitterend. Het groote
salon was versierd met groene planten, en in de vier hoeken had men
kleine kroonlampen aangebracht, waarvan de bougies, gevoegd bij die
van de middelste lamp, een glansrijk licht verspreidden. Niort had
nog nooit zoo'n luister gezien. De helle gloed van de zes vensters
verlichtte het plein voor de prefectuur, waar meer dan tweeduizend
nieuwsgierigen zich verdrongen om met de oogen omhoog iets van
het dansen te zien. Het orkest was zoo duidelijk hoorbaar, dat de
jongens beneden op de straat op de maat der muziek over de trottoirs
galoppeerden. Om negen uur begonnen de dames haar waaiers in beweging
te brengen, ververschingen werden rondgediend, de quadrilles volgden
op de polka's en de walsen. Aan de deur stond Du Poizat en verwelkomde
de nakomers heel ceremoniëel met een glimlachje.
--Danst Uw Excellentie niet? vroeg de vrouw van den directeur
vrijpostig aan Rougon.
Rougon verontschuldigde zich glimlachend. Hij stond voor een venster,
te midden van een dichten kring. En terwijl hij aan een gesprek
deelnam over de herziening van het kadaster, wierp hij snelle blikken
naar buiten. Aan de overzijde van het plein, in den helderen glans
dien de schitterende verlichting op de gevels wierp, had hij aan
een der vensters van het hôtel de Paris, mevrouw Correur en juffrouw
Herminie Billecoq gezien. Zij stonden daar tegen de steunroede geleund,
alsof zij zich in een loge bevonden. Haar gezichten straalden, haar
ontbloote halzen zwollen van een zacht gegiechel, bij enkele buien
van vroolijkheid, die van het feest tot haar overwoeien.
Intusschen wandelde de vrouw van den directeur verstrooid het groote
salon door; zij bleef ongevoelig voor de bewondering die haar slepende
japon onder de jongelieden opwekte. Ze keek naar iemand uit, zonder
dat de glimlach van haar smachtend gelaat verdween.
--Is mijnheer de commissaris niet gekomen? vroeg zij eindelijk aan
Du Poizat, die nu vroeg hoe haar man het maakte. Ik had hem een
wals beloofd.
--Ik had hem al lang verwacht, antwoordde de prefect.... Hij had een
bijzondere opdracht te vervullen, maar hij had me toch beloofd om
zes uur terug te zullen zijn.
Tegen den middag had Gilquin Niort te paard verlaten, om notaris
Martineau te arresteeren. Coulonges lag op vijf uren afstands. Hij
berekende dat hij er om twee uur kon zijn en uiterlijk tegen vier uur
weer zou kunnen vertrekken; op die manier kon hij nog deelnemen aan het
feestmaal, waarop hij genoodigd was. Hij zette zijn paard dan ook niet
tot spoed aan, en terwijl hij op het zadel heen en weer schommelde, nam
hij zich voor dien avond op het bal zeer ondernemend te zijn tegenover
dat blondinetje, dat hij alleen maar wat mager vond. Gilquin hield van
dikke vrouwen. Te Coulonges stapte hij af aan het hôtel du Lion d'or,
waar een brigadier met twee gendarmes op hem zouden wachten. Op die
manier zou zijn komst de aandacht niet trekken; men zou een rijtuig
huren, en den notaris "inpikken" zonder dat een der buren aan zijn
deur verscheen. Maar de gendarmes waren niet op de afgesproken
plaats. Gilquin wachtte tot vijf uur, vloekende, grogjes drinkende,
ieder kwartier op zijn horloge ziende. Hij zou onmogelijk voor het
diner in Niort kunnen zijn. Hij liet zijn paard al zadelen, toen de
brigadier eindelijk met twee man verscheen. Het was een misverstand.
--Goed, goed, verontschuldig je maar niet, wij hebben geen tijd,
riep de commissaris woedend. Het is al kwart voor vijven.... Laten
we onzen man oppakken, en zoo gauw mogelijk ook! Over tien minuten
moeten we er zijn.
Gewoonlijk was Gilquin goedhartig. Bij het vervullen van zijn functies
nam hij altijd de grootste hoffelijkheid in acht. Dien dag had hij
zelfs een ingewikkeld plan bedacht om mevrouw Correur's broer te
sterke aandoeningen te besparen. Zoo zou hij alleen binnengaan,
terwijl de gendarmes met het rijtuig aan een tuindeurtje zouden
wachten, in een straatje dat op het land uitkwam. Maar door het lange
wachten was hij zoo ontstemd geworden, dat hij al die mooie voorzorgen
vergat. Hij ging het dorp door en schelde hard aan bij den notaris,
aan de voordeur. Een gendarme werd voor de deur achtergelaten; de
ander begaf zich naar de achterzijde van het huis om een wakend oogje
op den tuinmuur te houden. De commissaris was met den brigadier naar
binnen gegaan. Tien of twaalf nieuwsgierigen keken verschrikt toe.
Op het zien van de uniformen werd de meid die open deed, zoo door
schrik bevangen, dat zij hard de gang inliep en uit alle macht riep:
--Mevrouw! mevrouw! mevrouw!
Een dik vrouwtje, wier gelaat groote kalmte uitdrukte, kwam langzaam
de trap af.
--Mevrouw Martineau, zonder twijfel? zei Gilquin op haastigen
toon. Mijn hemel, mevrouw, ik heb een treurige opdracht te
vervullen.... Ik kom uw man arresteeren.
Zij vouwde haar handen samen, terwijl haar kleurlooze lippen
beefden. Maar ze slaakte geen enkelen kreet.
Zij bleef op de laatste trede, de trap met haar rokken versperrende. Ze
wenschte het bevel tot inhechtenisneming te zien, vroeg verklaringen,
rekte de zaak.
--Let op! de man zal ons nog door de vingers glippen, fluisterde de
brigadier den commissaris in het oor.
Zij had het zeker gehoord. Zij keek ze met haar kalm gezicht aan
en zei:
--Kom boven, heeren.
En zij ging ze voor naar een kamer, waar mijnheer Martineau in een
kamerjapon stond. Het geschreeuw van de meid had hem uit den armstoel
doen opstaan, waarin hij den heelen dag zat. Zeer lang, met uitgeteerde
witte handen, een waskleurig gelaat, scheen er niets meer aan hem
levend dan zijn oogen, donkere, zachte, energieke oogen. Mevrouw
Martineau wees naar hem met een zwijgend gebaar.
--Ach God, mijnheer, begon Gilquin, ik heb een treurige opdracht....
Toen hij uitgesproken had, schudde de notaris zwijgend het hoofd. Een
lichte rilling bewoog de kamerjapon, die om zijn magere leden geslagen
was. Eindelijk zei hij, met groote beleefdheid:
--'t Is goed, heeren, ik zal u volgen.
Toen begon hij verschillende voorwerpen, die op de meubels verspreid
lagen, op te bergen. Hij legde een pak boeken op een andere
plaats. Hij vroeg zijn vrouw om een schoon overhemd. De rillingen
werden heviger. Mevrouw Martineau, ziende dat hij wankelde, volgde
hem met uitgestrekte armen, om hem op te vangen, als een kind.
--Kom, haast u wat, mijnheer, herhaalde Gilquin.
De notaris ging nog tweemaal de kamer op en neer en plotseling sloeg
hij met zijn armen in de lucht, en liet hij zich neervallen in zijn
armstoel, verwrongen, verstijfd door een aanval van verlamming. Zijn
vrouw schreide heete tranen.
Gilquin keek op zijn horloge.
--Alle donders! riep hij uit.
Het was half zes. Er was nu geen sprake meer van, dat hij aan het
feestmaal kon deelnemen. Voordat die man in een rijtuig gebracht
was, zou hij minstens een half uur kwijt zijn. Hij troostte zich
met de gedachte dat hij dan toch zeker aan het bal zou deelnemen;
hij herinnerde zich juist dat hij de vrouw van den directeur voor
den eersten wals had uitgenoodigd.
--Niets dan fratsen, fluisterde de brigadier hem in het oor. Wil ik
den man eens overeind zetten?
En zonder het antwoord af te wachten, trad hij op den notaris toe en
maande hem aan de justitie niet te bedriegen. Met gesloten oogleden en
weggetrokken lippen, lag de notaris, stijf als een doode. Langzamerhand
werd de brigadier boos, hij begon uit te varen en liet zijn zware
gendarme-hand op den kraag van de kamerjapon vallen. Maar mevrouw
Martineau, tot dusver zoo kalm gebleven, duwde hem ruw terug, plaatste
zich voor haar man, met saamgeknepen vuisten.
--Niets dan fratsen, zeg ik u! herhaalde de brigadier.
Gilquin haalde de schouders op. Hij was besloten den notaris levend
of dood mee te nemen.
--Laat een van uw mannen het rijtuig aan de Lion d'or halen, beval
hij. Ik heb den hotelhouder gewaarschuwd.
Toen de brigadier de kamer uit was, naderde Gilquin het venster en keek
welbehagelijk in den tuin waar de abrikozenboomen in bloei stonden. En
terwijl hij daar stond, tikte hem iemand op den schouder. Mevrouw
Martineau stond achter hem. Met droge wangen en vaste stem vroeg
zij hem:
--Dat rijtuig is zeker voor u? U kunt mijn man niet in dien toestand
naar Niort sleepen.
--Ach hemel, mevrouw, zei hij voor de derde maal, het is een treurige
opdracht die ik gekregen heb,...
--Maar dat is een misdaad! U zult hem dooden.... U hebt toch niet in
last om hem te dooden!
--Ik heb mijn bevelen, antwoordde hij op ruwen toon; hij voorzag een
tooneel van jammerkreten en smeekingen, en wou dat voorkomen.
Zij maakte een toornig gebaar. Een vreeselijke woede vertrok haar
gelaat, terwijl haar blikken door de kamer gleden als zochten zij
een laatste redmiddel. Maar plotseling dwong zij zich tot kalmte,
zij gedroeg zich weer als een kloekmoedige vrouw, die niet op haar
tranen rekende.
--God zal u straffen, mijnheer, zei zij enkel, na een korte stilte,
waarin zij haar oogen niet van hem afgewend had.
En zij keerde zich om, zonder een snik, zonder smeekbede, en leunde
tegen den fauteuil waarin haar man lag te zieltogen. Gilquin had
geglimlacht.
Op dit oogenblik kwam de brigadier, die zelf naar de Lion d'or gegaan
was, zeggen dat de herbergier volgens zijn zeggen geen enkel voertuig
beschikbaar had. Het gerucht van de inhechtenisneming van den algemeen
beminden notaris, had zich zeker verbreid. De herbergier hield zijn
rijtuigen zeker verborgen; twee uren geleden had hij den commissaris
beloofd een oude coupé gereed te houden, die hij gewoonlijk aan de
reizigers verhuurde om te gaan toeren.
--Doorzoek de herberg! riep Gilquin, woedend over deze nieuwe
hinderpaal; doorzoek alle huizen in het dorp!.... Houden ze ons hier
voor den gek! Men wacht mij, ik heb geen tijd te verliezen.... Ik
geef je een kwartier tijd, begrepen?
De brigadier verdween opnieuw, terwijl hij zijn mannen in verschillende
richtingen uitzond. Drie kwartier verliepen, toen vier, toen vijf. Na
verloop van anderhalf uur vertoonde zich eindelijk een gendarme met een
lang gezicht: alle nasporingen waren vruchteloos gebleven. Gilquin
liep in een koortsachtig ongeduld van de deur naar het venster,
waar hij de schemering langzamerhand zag invallen. Nu zou het bal
zonder hem beginnen; de vrouw van den directeur moest wel aan een
onbeleefdheid denken; dat zou hem nadeel doen, een hinderpaal zijn voor
zijn verleidingsplannen. En telkens als hij voorbij den notaris kwam,
voelde hij zijn woede stijgen, nooit had een misdadiger hem zooveel
last berokkend. De notaris, kouder en bleeker, bleef onbewegelijk
uitgestrekt.
Eerst om over zevenen verscheen de brigadier weer, met een stralend
gezicht. Eindelijk had hij de oude coupé van den herbergier achter
in een schuur gevonden, een kwartier buiten het dorp. De coupé was
geheel ingespannen, het snuiven van het paard had hem op het spoor
gebracht. Maar toen het rijtuig voor de deur stond, moest mijnheer
Martineau nog aangekleed worden. Dat vergde heel wat tijd. Mevrouw
Martineau trok hem langzaam en ernstig schoone kousen en een
overhemd aan; daarop kleedde zij hem geheel in het zwart, jas,
broek en vest. Ze wilde volstrekt niet door een gendarme geholpen
worden. De notaris gaf zich willoos aan haar over. Men had een lamp
aangestoken. Gilquin klopte van ongeduld in zijn handen, terwijl de
brigadier in een onbewegelijke houding naast hem stond.
--Is het haast klaar? riep Gilquin ongeduldig.
Mevrouw Martineau zocht al een minuut of vijf in een kast. Zij
haalde een paar handschoenen te voorschijn en stak die in den zak
van mijnheer Martineau.
--Ik hoop, mijnheer, vroeg zij, dat u me mee zult laten rijden? Ik
wil mijn man vergezellen.
--Dat is onmogelijk, antwoordde Gilquin lompweg.
Zij hield zich in en drong niet verder aan.
--U zult me ten minste wel toestaan u te volgen?
--De wegen zijn vrij, antwoordde hij. Maar u zult geen rijtuig kunnen
vinden, daar er hier nergens een te bekomen is.
Zij haalde haar schouders op en ging de kamer uit om een bevel
te geven.
Tien minuten later stond er een cabriolet voor de deur te wachten,
achter de coupé. Toen moest mijnheer Martineau naar beneden gebracht
worden. De twee gendarmes droegen hem. Zijn vrouw ondersteunde zijn
hoofd. En bij de minste klacht door den stervende geuit, beval zij
den beiden mannen op een toon van gezag om stil te houden, ondanks de
woedende blikken van den commissaris. Bij iedere trede van de trap werd
aldus een korte rust gehouden. De notaris was als een onberispelijk
gekleed lijk, dat men wegdroeg. Men moest hem bewusteloos in het
rijtuig neerzetten.
--Half negen! riep Gilquin, voor het laatst op zijn horloge ziende. Wat
een verwenschte corvée! Ik kom er nooit bijtijds.
Dat was een uitgemaakte zaak. Hij mocht van geluk spreken, wanneer
hij nog aankwam, wanneer het bal al half geëindigd was. Hij sprong
met een vloek te paard en beval den koetsier er de zweep over te
leggen. Vooraan reed de coupé, met de beide gendarmes aan weerszijden
naast het portier; een paar passen verder volgden de commissaris en de
brigadier, en de cabriolet waarin mevrouw Martineau zich bevond, sloot
de stoet. De avond was zeer koel. Onder het dof geratel der wielen
en den eentonigen draf der paarden reed de stoet te midden van de
donkere velden over den eindeloozen, grijzen weg. Geen enkel woord werd
gedurende den tocht gesproken. Gilquin bedacht wat hij tegen de vrouw
van den directeur zou zeggen. Mevrouw Martineau richtte zich nu en
dan luisterend omhoog, in de meening dat zij een doodsgereutel hoorde,
maar zij kon ternauwernood de coupé voor zich uit onderscheiden.
Om half elf reed men Niort binnen. Om niet door de stad te rijden,
ging de commissaris de singels langs. Aan de gevangenis moest men
herhaaldelijk schellen.
Toen de portier zag dat men hem een halfdooden gevangene bracht,
ging hij naar boven om den directeur te wekken. Deze was eenigszins
ongesteld en kwam op zijn pantoffels naar beneden. Maar hij werd boos
en weigerde ten stelligste den man in zoo'n toestand te ontvangen. Zag
men de gevangenis voor een hospitaal aan?
--Wat moet ik met hem beginnen? Hij is nu eenmaal in hechtenis
genomen, vroeg Gilquin, door dien nieuwen tegenspoed buiten zich
zelven van drift.
--Wat u verkiest, mijnheer de commissaris, antwoordde de directeur. Ik
zeg u nogmaals dat hij hier niet binnen komt. Ik neem zoo'n
verantwoordelijkheid niet op mij.
Mevrouw Martineau had zich die discussie ten nutte gemaakt om in de
coupé te stappen, bij haar man. Zij stelde voor hem naar het hôtel
te brengen.
--Ja, naar het hôtel, naar den drommel, waar u maar wilt! riep
Gilquin. Ik heb er nu genoeg van! Neem hem maar mee!
Toch betrachtte hij zijn plicht in zooverre, dat hij den notaris
naar het hôtel de Paris begeleidde, dat mevrouw Martineau zelf
had aangewezen. Het plein voor de prefectuur begon ledig te
worden; enkele jongens huppelden nog op de trottoirs, terwijl de
burgerpaartjes langzaam aftrokken in de schaduw van de naburige
straten. Maar het schitterende schijnsel der zes vensters van het
groote salon verlichtte nog altijd het plein, alsof het volle dag
was; het orkest liet zijn blaasinstrumenten nog luider weerklinken;
de dames, wier ontbloote schouders men door de openingen der gordijnen
zag voorbijgaan, wiegelden met haar kapsels, die naar de Parijsche
mode gefriseerd waren. Juist toen men den notaris naar een kamer
van de eerste verdieping bracht, keek Gilquin op en bemerkte mevrouw
Correur en juffrouw Herminie Billecoq, die nog altijd aan het venster
stonden. Mevrouw Correur had haar broer zeker zien aankomen, want zij
boog zich zoover voorover, dat zij gevaar liep te vallen. Zij wenkte
Gilquin bij haar boven te komen.
Later, tegen middernacht, bereikte het bal op de prefectuur zijn
grootsten luister. Men had de deuren van de eetzaal geopend, waar een
koud souper gereed stond. De dames, zeer verhit, wuifden zich koelte
toe, aten staande, nu en dan lachend. Anderen bleven voortdansen,
zij wilden geen quadrille verzuimen, en stelden zich tevreden met
de glazen limonade die de heeren haar brachten. Een glanzig stof
dwarrelde rond, als afgevlogen van de kapsels, de rokken en de met
goud omvatte armen, die de lucht doorkliefden. Er was te veel goud,
te veel muziek en te veel warmte. Rougon, die naar adem hijgde,
haastte zich op een geheimen wenk van Du Poizat naar buiten.
Naast het groote salon, in dezelfde kamer waar hij ze reeds den
vorigen avond gezien had, wachtten hem mevrouw Correur en juffrouw
Herminie Billecoq, beiden hartstochtelijk bedroefd.
--Mijn arme broer, mijn arme Martineau! stamelde mevrouw Correur,
haar tranen in haar zakdoek smorend. Och, ik voel het wel, u kon hem
niet redden. Ach hemel! waarom hebt u hem niet gered?
Hij wou spreken, maar zij liet hem den tijd niet.
--Hij is vandaag in hechtenis genomen. Ik heb hem zooeven gezien. Ach
God, ach God!
--Wees niet zoo wanhopig. Zijn zaak zal onderzocht worden. Ik hoop
dat men hem zal vrijlaten.
Mevrouw Correur nam haar zakdoek van haar oogen. Zij keek hem aan en
riep met haar natuurlijke stem:
--Maar hij is dood!
En zij sloeg dadelijk weer haar zielsbedroefden toon aan, en begroef
haar gelaat weer in haar zakdoek.
--Ach God, ach God, mijn arme Martineau!
Dood! Rougon voelde een lichte huivering over zijn leden gaan. Hij
kon geen woord uitbrengen. Voor de eerste maal werd hij zich bewust
dat hij voor een duistere diepte stond, waar men hem langzamerhand
in dreef. Nu was die man gestorven! Dat was zijn bedoeling niet
geweest. De zaken gingen te ver.
--Helaas ja, de arme goede man, hij is dood, vertelde diep zuchtend
juffrouw Herminie Billecoq. Het schijnt dat men hem niet wou opnemen
in de gevangenis. Toen wij hem in zoo'n treurigen toestand naar het
hôtel hebben zien brengen, is mevrouw naar beneden gegaan; ze heeft de
deur met geweld open gedaan terwijl zij uitriep, dat zij zijn zuster
was. Een zuster, niet waar, heeft toch wel het recht den laatsten
snik van haar broer op te vangen. Dat zei ik nog tegen die feeks,
mevrouw Martineau, die er nog van sprak ons weg te jagen. Ze heeft ons
toch een plaatsje voor het bed moeten laten.--Ach, hemel, 't was gauw
afgeloopen. Hij heeft niet langer dan een uur gereuteld. Hij lag op het
bed, heelemaal in het zwart gekleed; 't leek net een notaris die naar
een huwelijksplechtigheid ging. En hij is als een nachtpitje uitgegaan,
met een heel kleine stuiptrekking. Hij moet niet veel geleden hebben.
--En mevrouw Martineau heeft daarna nog twist met me gezocht! vertelde
mevrouw Correur op haar beurt. Ik weet niet wat ze mompelde; ze
sprak van de erfenis, ze beschuldigde mij dat ik mijn broer den dood
had aangedaan. Ik heb haar geantwoord: "Ik, mevrouw, had het nooit
toegestaan dat ze hem weghaalden, ik had me liever in stukken laten
houwen!" En ik had het er op aan laten komen, zoowaar ik hier voor
u sta.... Nietwaar, Herminie?
--Ja, ja, antwoordde het lange meisje.
--Enfin, 't is nu zoo, mijn tranen zullen hem niet levend meer maken,
maar men huilt omdat men behoefte voelt om te huilen.... Mijn arme
Martineau!
Rougon voelde zich niet op zijn gemak. Hij trok zijn handen terug,
die mevrouw Correur gegrepen had. En hij wist nog altijd niet wat
hij zeggen zou; hij vond de bijzonderheden van dien afschuwelijken
dood stuitend om aan te hooren.
--Kijk, riep Herminie, die voor het venster stond, men kan de kamer
hier zien, het derde venster op de eerste verdieping.... Het licht
schijnt door de gordijnen.
Toen zond hij ze heen, terwijl mevrouw Correur haar verontschuldiging
maakte, hem haar vriend noemde, en verklaarde dat zij aan haar eerste
opwelling gehoor gegeven had om hem de noodlottige tijding te melden.
--'t Is een onaangename geschiedenis, fluisterde hij Du Poizat toe,
toen hij met een bleek gelaat in de balzaal kwam.
--'t Is die ezelachtige Gilquin! antwoordde de prefect, de schouders
ophalend.
Het bal was in volle glorie. In de eetzaal, waarin men door de
wijdgeopende deur een blik kon werpen, overlaadde de eerste adjunct
de drie dochters van den opperhoutvester met lekkernijen; terwijl de
kolonel van het 78e linieregiment punch dronk en aandachtig luisterde
naar de ondeugende opmerkingen van den hoofdingenieur der bruggen
en wegen, die op pralines knabbelde. Mijnheer Kahn, die bij de deur
stond, herhaalde op luiden toon voor den president van de burgerlijke
rechtbank zijn rede van dien middag, over de zegeningen van den
nieuwen spoorweg, te midden van een dichte groep ernstige mannen,
den directeur der directe belastingen, de twee kantonrechters en de
afgevaardigden van het Genootschap ter bevordering der Statistiek,
die met open mond toeluisterden. In het groote salon, onder de
vijf kroonlampen, wiegde een wals dien het orkest met trompetgeschal
speelde, enkele paren, den zoon van den ontvanger en de zuster van den
burgemeester, een der substituten en een jonge dame in het blauw, den
anderen substituut en een jonge dame in het rose. Maar één paar vooral
verwekte een gemompel van bewondering, de commissaris en de vrouw van
den directeur, die elkander teeder omvat hielden en langzaam walsten;
hij had zich gehaast een onberispelijk toilet te maken, zwarten rok,
verlakte schoenen en witte handschoenen; en de mooie blondine had
hem zijn late komst vergeven, smachtend tegen zijn schouder leunend,
met oogen kwijnend van teederheid. Gilquin deed zijn heupbewegingen
nog meer uitkomen; hij boog zijn bovenlijf, als een mooie danser van
publieke bals, achterover, iets zeer ordinairs waarvan het smaakvolle
de omstanders in verrukking bracht. Rougon, die door het paar bijna
omver geduwd was, moest tegen den muur gaan staan om ze voorbij te
laten gaan, in een stroom van tarlatan met gouden sterren.