VII.

Weken gingen voorbij. Rougon had zijn vervelend leven weer hervat. Geen

enkele maal zinspeelde hij op het bevel des keizers om in Parijs te

blijven. Hij sprak alleen van zijn mislukt plan, van de hinderpalen die

aan zijn ontginning van een stuk grond in de Landes in den weg stonden,

en hierover raakte hij niet uitgepraat. Welke hinderpalen konden

dat zijn? Hij zag er geen. Hij ging zelfs zoover, dat hij zich boos

toonde op den keizer, die geen enkele verklaring geven wou. Misschien

was het de vrees geweest dat Zijne Majesteit genoodzaakt zou zijn de

zaak met een subsidie te steunen?

Naarmate de dagen verstreken, vermenigvuldigde Clorinde haar bezoeken

in de rue Marbeuf. Iederen middag scheen zij van Rougon de een of

andere tijding te verwachten; ze keek hem verbaasd aan, als hij bleef

zwijgen. Sedert haar verblijf te Compiègne, leefde zij in de hoop op

een plotselinge zegepraal; ze had zich een heel drama voorgesteld,

een woedende drift van den keizer, den opzienbarenden val van mijnheer

de Marsy, een onmiddellijken terugkeer van den grooten man tot het

gezag. Zij dacht dat alles zeker zou uitkomen. Groot was dan ook

haar verwondering, toen zij een maand later den graaf nog altijd

minister zag. En ze gevoelde een minachting voor den keizer, die

zich niet wist te wreken. In zijn plaats zou zij haar wrok op een

hartstochtelijke manier gekoeld hebben. Waar dacht hij dan toch aan,

in dat eeuwigdurende stilzwijgen dat hij bewaarde?

Toch gaf Clorinde den moed nog niet verloren. Ze had een

voorgevoel dat een onvoorziene gebeurtenis haar de overwinning zou

schenken. Mijnheer Marsy stond niet meer zoo vast. Rougon betoonde

haar de oplettendheden van een echtgenoot, die vreest bedrogen te

worden. Sedert zijn jaloersche buien te Compiègne, waakte hij over

haar met vaderlijke zorg, overlaadde haar met zedepreeken, wilde

haar iederen dag zien. De jonge vrouw glimlachte, ze was nu zeker,

dat hij Parijs niet zou verlaten. Tegen het midden van December,

na een rust van verscheidene weken, begon hij echter opnieuw over

zijn groote onderneming te spreken. Hij had bankiers gesproken, hij

hoopte het zonder de keizerlijke hulp te kunnen stellen. En opnieuw

vond men hem in de studie van kaarten, platte gronden, speciale werken

verdiept. Gilquin, zei hij, had al meer dan vijfhonderd werklieden

aangenomen, die er in toestemden daar heen te gaan; het was het eerste

handjevol van een geheel volk. Toen begon Clorinde de zaak ernstiger

aan te vatten; ze bracht al de vrienden in beweging.

Het was een ontzaglijk werk. Ieder kreeg zijn rol. Men verstond

elkander met halve woorden, bij Rougon zelf aan huis, 's Zondags en

Donderdags. Men verdeelde de moeielijke zendingen. Men ging dagelijks

de stad in, met het vaste voornemen om zich van een machtigen steun

te verzekeren. Men versmaadde ook de kleine middelen niet: zelfs

de kleinste voordeeltjes telden mee. Men profiteerde van alles,

haalde uit de geringste gebeurtenissen wat er uit te halen viel,

men maakte zich den ganschen dag ten nutte, van het goeden morgen

tot den laatsten handdruk des avonds. De vrienden der vrienden werden

bondgenooten, zoo ook de vrienden van dezen. Geheel Parijs werd in de

samenzwering betrokken. In de afgelegenste wijken waren lieden, die

naar Rougon's zegepraal verlangden, zonder zelf te weten waarom. Het

troepje vrienden, tien à twaalf man sterk, had de heele stad in handen.

--Wij zijn de regeering van morgen, zei Du Poizat ernstig.

Hij maakte vergelijkingen tusschen hen en de mannen die het tweede

keizerrijk gemaakt hadden. Hij voegde er bij:

--Ik zal de Marsy van Rougon zijn.

Een pretendent was slechts een naam. Er was een aaneengesloten groep

noodig om een regeering te maken. Twintig hongerige snaken zijn sterker

dan een principe, en wanneer zij maar een schijn van een principe

in hun vaandel kunnen schrijven, worden zij onoverwinnelijk. Hij

was voortdurend in de weer; hij bezocht de krantenbureaux, waar

hij sigaren rookte, terwijl hij door allerlei insinuaties het gezag

van mijnheer de Marsy ondermijnde: hij wist altijd het een of ander

over hem te vertellen; hij beschuldigde hem van ondankbaarheid en

zelfzucht. En als hij den naam Rougon daarbij te pas had gebracht,

liet hij zich halve toespelingen ontglippen, een uitzicht te openen

op buitengewone voordeelen; als hij maar eerst de handen kon openen,

dan zou op iedereen een regen van belooningen, geschenken en subsidies

neerdalen. Hij verschafte de pers inlichtingen, citaten en anecdoten,

die het publiek voortdurend met den grooten man bezig hielden; twee

kleinere bladen maakten gewag van een bezoek aan het hôtel in de

rue Marbeuf, andere spraken over zijn beroemd werk over de Engelsche

constitutie en die van 52. Na een vijandig stilzwijgen dat twee jaren

geduurd had, scheen de populariteit te komen, een zacht gemurmel van

loftuitingen liet zich hooren. Du Poizat hield zich ook nog met andere

zaken bezig, ongeoorloofde makelarij, het koopen van zekere invloeden,

een hartstochtelijk beursspel op de min of meer zekere benoeming van

Rougon tot minister.

--We moeten alleen aan hem denken, placht hij te zeggen, met die

vrijheid van spreken, die de deftige heeren van Rougon's aanhang

hinderde. Later zal hij aan ons denken.

Mijnheer Beulin-d'Orchère was niet zoo'n geslepen intrigant; hij

bracht een schandaal aan het licht, dat men zich haastte te smoren,

toen het bleek dat mijnheer de Marsy er in betrokken was. Hij legde

meer behendigheid aan den dag, toen hij het gerucht verspreidde

dat hij wel eens zegelbewaarder kon worden, als zijn schoonbroer

weer aan het bewind kwam, daardoor kon hij op de toewijding van

zijn mede-magistraten rekenen. Mijnheer Kahn leidde ook een troepje

tot den aanval, financiers, afgevaardigden, ambtenaren, die de rijen

aanvulden van alle ontevredenen, die onderweg ontmoet werden; hij had

een volgzamen luitenant in mijnheer Béjuin gevonden; hij gebruikte

zelfs mijnheer de Combelot en mijnheer La Rouquette, zonder dat

dezen eenigszins vermoedden welke diensten hij van hen had. Hij zelf

werkte in de hoogste officiëele kringen, hij strekte zijn propaganda

tot in de Tuileriën uit, dagen lang werkte hij in het geheim, opdat

een woord, van mond tot mond gaande, eindelijk aan den keizer zou

overgebracht worden.

Maar vooral de vrouwen waren ijverig in de weer. Daar gebeurden

geheimzinnigheden, ingewikkelde avonturen waarvan men de ware

bedoeling nooit begreep. Mevrouw Correur noemde de mooie mevrouw

Bouchard nog slechts "poesje". Ze nam haar mee naar buiten, zei ze,

en een week lang leefde mijnheer Bouchard als vrijgezel, terwijl

zelfs mijnheer d'Escorailles zich genoodzaakt zag zijn avonden in

de kleine schouwburgen door te brengen. Eens had Du Poizat de dames

in gezelschap van gedecoreerde heeren ontmoet, maar hij had zich wel

gewacht hierover te spreken. Mevrouw Correur had nu twee woningen, een

in de rue Blanche, en de andere in de rue Mararin; deze laatste was

zeer koket ingericht, mevrouw Bouchard kwam er 's middags, ze kreeg

den sleutel van den conciërge. Men vertelde ook van een verovering

die de jonge vrouw gemaakt had van een hooggeplaatst ambtenaar, toen

ze op een regenachtigen morgen bij het oversteken van de Pont-Royal

haar rokken opgenomen had.

Ook de vrienden, die minder in tel waren, deden hun best. Kolonel

Jobelin begaf zich naar een koffiehuis op een der boulevards om er

oude vrienden, officieren, te ontmoeten; hij wist ze tusschen een

paar spelletjes piket te belezen, en toen hij op een half dozijn kon

rekenen, wreef hij zich in de handen en zei "dat het geheele leger

gunstig voor de goede zaak gestemd was". Mijnheer Bouchard wierf

eveneens aanhangers aan het ministerie; langzamerhand had hij bij

de klerken een woesten haat tegen mijnheer de Marsy opgewekt; hij

wist zelfs de kantoorbedienden voor zich te winnen; al die luidjes

liet hij smachten naar een gouden tijdperk, waarop hij fluisterend

zinspeelde tegenover zijn intieme vrienden. Mijnheer d'Escorailles

bewerkte de rijke jongelui, tegenover wie hij hoog opgaf van Rougon's

liberale opvattingen, zijn toegevendheid voor zekere tekortkomingen,

zijn ingenomenheid met stoutmoedigheid en kracht. Zelfs de Charbonnels

vonden gelegenheid om de kleine renteniers uit de buurt van het Odéon

bij het regiment in te lijven, wanneer zij 's middags op een bankje van

het Luxembourg zaten te wachten op den afloop van hun eindeloos proces.

Wat Clorinde aangaat, ze stelde zich niet tevreden met de opperste

leiding van den geheelen troep; ze werkte ingewikkelde plannen uit,

waarover ze tot niemand sprak. Nog nooit had men haar 's morgens

met zoo slordig toegemaakte japonnen gezien; in de verdachte wijken

zag men haar met haar ministersportefeuille, aan de naden gebersten

en met touwtjes vastgebonden. Zij droeg haar man de zonderlingste

boodschappen op, die hij met de zachtzinnigheid van een lam verrichtte,

zonder dat hij ze begreep. Zij zond Luigi Pozzo met brieven uit;

ze vroeg mijnheer de Plouguern om haar te vergezellen, en liet hem

een uur lang op een trottoir op haar staan wachten. Eén oogenblik

kwam de gedachte in haar op de Italiaansche regeering ten gunste van

Rougon te laten werken. Haar briefwisseling met haar moeder, die nog

altijd in Turijn woonde, werd verschrikkelijk druk. Ze dacht er over

geheel Europa in rep en roer te brengen, ze begaf zich tweemaal per

dag naar ridder Rusconi, om er diplomaten te ontmoeten. Nu scheen

zij zich dikwijls te herinneren dat zij mooi was. Dan ging zij keurig

gekapt en gekleed uit, en wanneer haar vrienden, zelf verbaasd, haar

zeiden dat zij mooi was, antwoordde zij met een zonderling voorkomen

van onverschillige berusting:

--Het moet wel!

Zij bewaarde zichzelve als een onweerstaanbaar argument. In haar oog

beteekende het niet veel of zij zichzelve gaf. Ze deed het met zoo

weinig genoegen, dat het een zaak werd als alle andere, misschien

alleen een beetje vervelender. Toen zij uit Compiègne terug was, had

Du Poizat, die het jachtavontuur kende, willen weten op welken voet

zij met mijnheer de Marsy bleef. Half dacht hij er over Rougon voor

den graaf in den steek te laten, indien Clorinde er in slaagde de

almachtige maîtresse van den laatsten te worden. Maar zij was bijna

boos geworden, de geheele geschiedenis hardnekkig loochenende. Dacht

hij dan dat zij zoo dwaas zou zijn? En zij gaf hem te verstaan, dat

zij er vroeger wel eens aan gedacht had mijnheer de Marsy te huwen,

maar daarvan had zij afgezien. Een man van vernuft werkte volgens

haar nooit ernstig in het voordeel van zijn maîtresse. Bovendien,

overlegde zij een ander plan.

--Ziet ge, zei zij somtijds, er zijn dikwijls verscheidene manieren

om zijn doel te bereiken; maar van al die manieren is er altijd maar

een die aangenaam is.... Ik heb heel wat wenschen te bevredigen.

Zij had de oogen altijd met groote belangstelling op Rougon gevestigd,

zij wou hem groot zien, alsof zij hem met macht had willen vetmesten,

om er zich later aan te vergasten. Ze behield haar onderdanigheid als

leerling, plaatste zich vol vleiende nederigheid in zijn schaduw. Van

al de bedrijvigheid der vrienden scheen hij niets te bemerken. Op

zijn ontvangavonden speelde hij zijn kunststukjes met zijn neus op de

kaarten, zonder dat hij al dat gefluister achter zijn rug scheen te

hooren. Het troepje praatte over de zaak, gaf elkaar teekens boven

zijn hoofd, spande samen in het hoekje van zijn haard, alsof hij er

niet was, zoo'n suffig voorkomen gaf hij zich; hij bleef gevoelloos,

nam zoo weinig deel aan alles wat er om hem heen gebeurde, dat men

ten slotte hardop begon te spreken en zich vroolijk maakte over zijn

afgetrokkenheid. Toen men er over sprak dat hij de teugels van het

bewind wel weer eens in handen zou kunnen krijgen, zwoer hij boos dat

hij zich geen moeite zou geven, al wachtte hem een zegepraal aan het

einde van zijn straat; en inderdaad, hij zonderde zich hoe langer hoe

meer af en wendde een volslagen onbekendheid voor met hetgeen daar

buiten geschiedde. Het kleine hôtel in de rue Marbeuf, van waar zulk

een koortsachtige propaganda uitging, was een plaats van stilte en

rust, op wier drempel de huisvrienden blikken van verstandhouding

wisselden, om den geur van den strijd, dien zij in hunne kleeren

meebrachten, buiten te laten.

--Gekheid! riep Du Poizat, hij neemt ons in de maling. Hij verstaat ons

heel goed. Kijk maar eens naar zijn ooren 's avonds, hoe hij ze spitst.

Om half elf, wanneer zij samen heengingen, was dat het gewone

onderwerp. De groote man kon onmogelijk onbekend zijn met de toewijding

zijner vrienden. Hij hield zich dom, zei de gewezen onder-prefect. Die

drommelsche Rougon leefde als een hindoesche afgod, ingedommeld

in zelfvoldaanheid, de handen op den buik gevouwen, glimlachend te

midden eener menigte getrouwen, die hem aanbaden en zich de grootste

opofferingen getroostten. Men vond die vergelijking zeer juist.

--Ik zal een wakend oogje over hem houden, besloot Du Poizat.

Maar hoe men Rougon's gelaat ook bestudeerde, het bleef gesloten,

kalm, bijna naïef. Misschien veinsde hij toch niet. Bovendien, Clorinde

had liever dat hij zich met niets bemoeide. Zij was bang dat hij haar

plannen dwarsboomen zou, wanneer men hem dwong de oogen te openen. Men

werkte als het ware zijns ondanks aan zijn verheffing. Men moest hem,

desnoods tegen wil en dank, aandrijven om den top te bereiken, later

zou men wel afrekenen.

Intusschen liepen de zaken niet vlug genoeg van stapel, de bende begon

ongeduldig te worden. Men maakte Rougon geen bepaald verwijt van al wat

men voor hem deed, maar men gaf hem heimelijke steken, dubbelzinnige

toespelingen. De kolonel kwam nu dikwijls met wit bestofte laarzen op

zijn soirées; hij had geen tijd gehad om naar huis te gaan, hij had

zich den heelen middag buiten adem geloopen voor allerlei onnoozele

boodschappen, waarvoor men hem zeker nooit dankje zou zeggen. Op andere

avonden was het mijnheer Kahn, met oogen gezwollen van vermoeienis,

die klaagde dat hij al een maand lang te laat op bleef; hij kwam veel

in gezelschappen, niet omdat hij dat zoo prettig vond, o hemel neen,

maar hij ontmoette er zekere lui voor zekere zaken. Of wel mevrouw

Correur vertelde aandoenlijke geschiedenissen, bijvoorbeeld van een

arme jonge vrouw, een zeer fatsoenlijke weduwe, die zij gezelschap

ging houden, en het speet haar zoo dat zij niets te zeggen had, maar

als zij de regeering was, dan zou ze heel wat onrechtvaardigheden

beletten. Daarop legden alle vrienden hun eigen grieven bloot;

ieder klaagde dat hij het heel anders kon hebben, als hij niet zoo

dom was geweest; eindelooze klachten, die met een blik op Rougon

nog duidelijker gemaakt werden. Men wondde hem tot bloedens toe,

men prees zelfs mijnheer de Marsy. In het begin had hij zijn kalmte

bewaard, deed hij alsof hij er niets van begreep. Maar na eenige

avonden brachten enkele woorden, die in zijn salon gesproken werden,

zijn gelaatsspieren in trilling. Hij werd niet boos, hij kneep alleen

de lippen opeen, als onder onzichtbare naaldenprikken. En ten laatste

werd hij zoo zenuwachtig dat hij zijn kunstjes met de kaarten opgaf,

ze gelukten hem niet meer, hij liep liever met kleine stapjes op

en neer in zijn salon, om met dezen en genen te praten en ze dan

plotseling in den steek te laten, wanneer de bedekte verwijten weer

begonnen. Soms overweldigde hem een ziedende toorn, hij scheen zijn

handen met kracht achter zijn rug samen te drukken, om niet toe te

geven aan den lust om al die lui de straat op te werpen.

--Kinderen, zei de kolonel op een avond, ik kom in geen veertien

dagen terug.... We moeten ons boos toonen. We zullen eens zien of

hij het alleen zoo prettig zal vinden.

Rougon, die lust gevoeld had zijn deur gesloten te houden, vond

het zeer onaangenaam dat men hem in den steek liet. De kolonel had

woord gehouden, anderen volgden zijn voorbeeld na; het salon was

bijna leeg, er ontbraken telkens vier of vijf vrienden. Wanneer

een hunner na een lange afwezigheid weer verscheen, en de groote

man hem vroeg of hij soms ziek geweest was, antwoordde hij met een

verbaasd neen, en gaf hij geen nadere verklaring. Op een Donderdag

kwam er niemand. Rougon bracht zijn avond alleen door, met gebogen

hoofd en de handen op den rug door het ruime vertrek wandelend. Voor

de eerste maal gevoelde hij hoe sterk de band was tusschen hem en

zijn vrienden. Zijn schouderophalen getuigde van zijn minachting,

wanneer hij dacht aan de domheid van de Charbonnels, de afgunstige

woede van Du Poizat, de dubbelzinnige vriendelijkheden van mevrouw

Correur. En toch had hij behoefte om ze te zien, die huisvrienden

die hij zoo weinig telde, een behoefte om over ze te heerschen, de

behoefte van een ijverzuchtig meester, die heimelijk lijdt over de

minste ontrouw. Zij schenen hem nu een deel uit te maken van zijn

bestaan, of liever, hij was langzamerhand in hen opgegaan, zoodat

het hem toescheen alsof hij iets van zijn persoonlijkheid miste,

wanneer zij zich van hem afzonderden. Als hun afwezigheid dan ook

te lang duurde, schreef hij hun. Hij ging ze zelfs opzoeken om den

vrede te herstellen, na ernstige pruilerijen. Het was nu een gekibbel

zonder eind, in de rue Marbeuf, met die afwisselende oneenigheden en

verzoeningen van gehuwden, waarbij de liefde in verbittering overgaat.

In de laatste dagen van December had het vooral gespannen. Op een

avond had het eene woord het andere uitgelokt, en een hevige twist was

het gevolg geweest. Men zag elkander in geen drie weken terug. Om de

waarheid te zeggen, begon de bende te wanhopen. De slimst overlegde

plannen leidden tot geen noemenswaardig resultaat. De toestand scheen

vooreerst niet te zullen veranderen, de bende had de hoop al opgegeven

dat een onverwachte catastrophe Rougon onmisbaar zou maken. Ze

had op de opening der zitting van het Wetgevende lichaam gewacht,

maar de bekrachtiging van de bewindvoerders had plaats gehad zonder

eenig ander incident dan de eedweigering van twee republikeinsche

afgevaardigden. Nu begreep zelfs mijnheer Kahn dat de algemeene

politiek niet meer in hun voordeel zou veranderen. Rougon hield zich

in zijn teleurgestelde hoop meer dan ooit met zijn onderneming bezig,

als om de zenuwtrekkingen van zijn gelaat, die hij niet meer in

bedwang kon houden, te verbergen.

--Ik voel me niet goed, zei hij soms. Ge ziet het, mijn handen

beven. De dokter heeft me beweging aangeraden. Ik ben den heelen dag

in de buitenlucht.

Inderdaad, hij ging veel uit. Men zag hem lusteloos en verstrooid

rondwandelen. Hield men hem staande, dan sprak hij van eindelooze

tochten. Op een morgen, toen hij thuis kwam om te ontbijten, vond hij

een visitekaartje met een vergulden rand, waarop de naam Gilquin met

een mooie Engelsche letter geschreven stond; de kaart was heel vuil,

vol afdrukken van vette vingers. Hij schelde zijn huisknecht.

--Heeft degeen die u dit kaartje afgegeven heeft, niets gezegd? vroeg

hij.

De knecht, een nieuweling, glimlachte even.

--'t Is een mijnheer met een groene overjas. Hij was heel vriendelijk,

hij gaf me een sigaar.... Hij heeft alleen gezegd dat hij een vriend

van u was.

En hij wou heengaan, toen hij zich bedacht.

--Ik geloof dat hij iets op den achterkant geschreven heeft.

Rougon keerde het kaartje om en las de volgende, met potlood geschreven

woorden: "Kan onmogelijk wachten. In den loop van den avond kom ik

terug. Er is haast bij, een grappige geschiedenis." Hij maakte een

gebaar van ongeduld. Maar na het ontbijt kwam die laatste zin hem

weer voor den geest. Wat kon dat voor zaak zijn die Gilquin grappig

vond? Sinds hij den gewezen handelsreiziger met duistere, ingewikkelde

zaken belast had, zag hij hem geregeld eens per week, des avonds,

verschijnen; nooit had hij zich 's morgens aangemeld. Het gold dus iets

buitengewoons. Rougon, die allerlei gissingen maakte, en eindelijk

overmeesterd werd door een ongeduld dat hij zelf belachelijk vond,

besloot uit te gaan om te trachten Gilquin vóór den avond te spreken.

--De een of andere dronkemanshistorie, dacht hij toen hij de

Champs-Elysées doorging. Enfin, dan weet ik hoe of wat.

Hij ging te voet, daar hij den raad van zijn dokter wou

opvolgen. 't Was een prachtige dag, een heldere Januari-zon aan een

onbewolkten hemel. Gilquin woonde niet meer in de passage Guttin,

te Batignolles. Op zijn kaartje stond: rue Guisarde, faubourg

Saint-Germain.

Het kostte Rougon heel wat moeite eer hij die morsige straat, dicht

bij de kerk Saint-Sulpice, ontdekt had. Aan het einde van een donkere

gang vond hij eene conciërge, die met de koorts te bed lag en hem

met haar bevende stem toeriep:

--Mijnheer Gilquin.... Och, ik weet het niet. Kijk maar eens op de

vierde verdieping, de deur links.

Op de vierde verdieping stond Gilquin's naam op de deur geschreven,

omringd door krullen en versieringen, die, vlammende, met pijlen

doorboorde harten voorstelden. Maar op al zijn kloppen antwoordde

slechts het tiktak van een koekoekklokje en het zachte miauwen van

een kat. Hij had van te voren wel gedacht dat hij een vergeefschen

tocht zou doen, maar toch gevoelde hij er zich door verlicht. Hij ging

gekalmeerd naar beneden en zei bij zichzelf dat hij heel goed tot den

avond kon wachten. Toen hij buiten was, vertraagde hij zijn tred;

hij stak de marché Saint-Germain over, ging de rue de Seine door,

zonder bepaald doel, en al wat vermoeid, maar toch besloten om te

voet naar huis te gaan. Toen hij op de hoogte van de rue Jacob kwam,

dacht hij op eens aan de Charbonnels. In geen tien dagen had hij ze

gezien. Ze waren verstoord op hem. Toen besloot hij even bij hen aan

te gaan om ze de hand te reiken. Het weer was dien middag zoo zacht,

dat zijn stemming er den invloed van ondervond.

De kamer der Charbonnels in het hôtel du Périgord, zag uit op de

binnenplaats, die zeer somber was en waaruit een vuile gootsteenlucht

omhoog steeg. Ze was groot en donker, met een kreupel mahoniehouten

ameublement en verschoten damasten gordijnen. Toen Rougon binnentrad,

was mevrouw Charbonnel bezig haar japonnen op te vouwen en op den

bodem van een diepen koffer te leggen, terwijl mijnheer Charbonnel

met inspanning van al zijn krachten, een anderen, kleineren koffer

met touwen vastbond.

--Hoe nu, gaat u vertrekken? vroeg hij glimlachend.

--Ach ja, antwoordde mevrouw Charbonnel met een diepen zucht, er is

nu heelemaal geen hoop meer.

Intusschen schenen zij zeer gevleid door zijn bezoek. Daar alle

stoelen met kleedingstukken en pakjes bezet waren, ging hij op den

rand van het bed zitten en hernam op zijn goedigen toon:

--Laat maar, ik zit hier goed.... Ga intusschen uw gang, ik wil u

niet storen.... Vertrekt u met den trein van achten?

--Ja, met den trein van achten, zei mijnheer Charbonnel. We hoeven

nog maar zes uur in Parijs te blijven.... Ach, het zal ons nog lang

heugen, mijnheer Rougon.

En hij die zoo weinig placht te spreken, wond zich vreeselijk op,

stak de vuist dreigend uit naar het venster en zei, dat men in

zoo'n stad moest komen om te twee uur in den namiddag niets meer te

kunnen zien. Dat grauwe daglicht, dat door die nauwe opening boven

de binnenplaats naar beneden viel, dat was Parijs. Maar goddank, hij

zou de zon weer terugvinden in zijn tuin te Plassans. En hij keek

in de kamer rond of hij niets vergeten had. 's Morgens had hij een

spoorboekje gekocht. Op den schoorsteen lag een gebraden kip in een

vettig papier, die zouden ze meenemen om onderweg te gebruiken.

--Vrouwlief, zei hij, heb je de laden wel leeggemaakt?.... Ik had mijn

pantoffels in het nachtkastje staan.... Ik geloof, dat er papieren

achter de latafel zijn gevallen.

Rougon, op den rand van het bed gezeten, keek met een beklemd hart

naar de toebereidselen van die oudjes, die met bevende handen hun

pakjes dichtmaakten. Hij voelde een stil verwijt in hun ontroering. Hij

had ze zoolang in Parijs opgehouden; en nu eindigde dat alles in een

volslagen teleurstelling, een werkelijke vlucht.

--Ge doet er verkeerd aan, mompelde hij.

Mevrouw Charbonnel maakte een gebaar, alsof zij hem smeekte te

zwijgen. Daarop zei ze levendig:

--Hoor eens, mijnheer Rougon, beloof ons niets. Ons ongeluk zou weer

van voren af aan beginnen.... Wanneer ik bedenk, dat we hier al twee

en een half jaar wonen! Twee en een half jaar, groote God, in dit

hol!.... Mijn leven lang zal ik er een pijnlijk been uit houden;

ik sliep hier altijd achteraan, en zie eens, het water druipt daar

langs den muur.... Neen, ik kan u alles niet vertellen. 't Is te

veel om op te noemen. We hebben schatten uitgegeven. Kijk, gisteren

heb ik dien grooten koffer moeten koopen om alles mee te nemen wat

we hier in Parijs versleten hebben, slecht genaaide kleeren die we

schandelijk duur gekocht hebben, linnengoed dat vol gaten en scheuren

van de waschvrouw terugkwam.... O, die waschvrouwen hier, die zal ik

waarlijk niet betreuren! Ze branden alles stuk met hun chloor.

En zij wierp een bundel lappen in den koffer, terwijl zij uitriep:

--Neen, neen, we gaan heen. Nog een uur langer, ziet u, en ik zou

het besterven.

Maar Rougon kwam weer telkens op hun zaak terug. Hadden ze dan zulk

slecht nieuws gehoord? Toen vertelden de Charbonnels hem bijna huilend,

dat de erfenis van hun achterneef Chevassu hun bepaald ontgaan zou. De

Raad van State was op het punt de zusters van de Heilige Familie te

machtigen het legaat van vijfhonderd duizend francs te aanvaarden. En

wat hun alle hoop benomen had, was de omstandigheid dat monseigneur

Rochart zich te Parijs moest bevinden, om nogmaals te trachten de

zaak tot een gunstig einde te brengen.

Mijnheer Charbonnel staakte op eens zijn inspannend werk en in een

opwelling van spijt zijn handen wringende, riep hij telkens:

--Vijfhonderd duizend francs! Vijfhonderd duizend francs!

En beiden gingen ontmoedigd zitten, de man op den koffer, de vrouw op

een pak linnengoed, midden in de wanordelijke kamer. En langzaam en

zacht begonnen zij te klagen; wanneer de een zweeg, begon de andere

weer. Zij herdachten hun teedere genegenheid voor hun achterneef

Chevassu. Wat hadden zij hem liefgehad! In werkelijkheid hadden zij

hem in geen zeventien jaar gezien, toen zij zijn dood vernamen. Maar

op dit oogenblik meenden zij te goeder trouw dat zij hem liefgehad

hadden, dat zij hem in zijn ziekte met allerlei oplettendheden

overladen hadden. Daarop beschuldigden zij de zusters van de

H. Familie van schandelijke handelingen; ze hadden op bedriegelijke

wijze het vertrouwen van hun bloedverwant weten te winnen, ze hadden

zijn vrienden van hem verwijderd, ze hadden een onafgebroken dwang

uitgeoefend op zijn door de ziekte verzwakten wil. Mevrouw Charbonnel,

die toch vroom was, ging zelfs zoover dat ze met een afschuwelijk

praatje voor den dag kwam, volgens hetwelk hun achterneef Chevassu van

angst gestorven was, nadat hij zijn testament gemaakt had, dat hem door

een priester gedicteerd was, die hem den duivel aan het voeteneind van

zijn bed had laten zien. Wat den bisschop van Faverolles, monseigneur

Rochart aangaat, het stond hem al heel leelijk dat hij brave lieden,

die in geheel Plassans bekend waren door de eerlijke manier waarop

zij hun kapitaaltje in den oliehandel verdiend hadden, van hun geld

en goed wou berooven.

--Maar alles is misschien nog niet verloren, zei Rougon die zag dat

ze al begonnen te weifelen. Monseigneur Rochart is onze lieve Heer

niet.... Ik heb me niet met u bezig kunnen houden. Ik heb zooveel

zaken! Laat me eens zien hoe het er mee staat. Ik zal toch zorgen,

dat ze ons niet afzetten.

De Charbonnels keken elkander met een licht schouderophalen aan. De

man mompelde:

--'t Is de moeite niet meer waard, mijnheer Rougon.

En toen Rougon aandrong en zwoer dat hij alle pogingen in het werk

zou stellen, dat hij niet van plan was ze zoo te laten vertrekken,

herhaalde de vrouw:

--'t Is zeker de moeite niet meer waard. Ge haalt u vergeefsche moeite

op den hals.... We hebben met onzen advocaat over u gesproken. Hij

begon te lachen, hij zei dat u op het oogenblik niet tegen monseigneur

Rochart opgewassen zijt.

--Als men niet tegen iemand opgewassen is, wat zal men er dan aan

doen? zei mijnheer Charbonnel op zijn beurt. Dan is het beste maar

toe te geven.

Rougon liet het hoofd zinken. De woorden van die twee oudjes troffen

hem als een klap in het aangezicht. Nooit had zijn onmacht hem meer

gekweld.

Intusschen ging mevrouw Charbonnel voort:

--We gaan naar Plassans terug. Dat is de wijste partij.... O, we

scheiden als vrienden, mijnheer Rougon. Als we mevrouw Félicité,

uw moeder, daarginds zien, zullen we haar zeggen dat ge u ondankbare

moeite voor ons getroost hebt. En als anderen ons iets mochten vragen,

wees maar niet bang dat we een woord tot uw nadeel zouden zeggen. Men

kan geen ijzer met handen breken, nietwaar?

Nu was de maat vol. Hij zag in zijn verbeelding de Charbonnels, in

hun stadje teruggekeerd. Dat zou daar 's avonds een gepraat geven! 't

Was voor hem een persoonlijke nederlaag, die hij de eerste jaren niet

te boven zou komen.

--Blijft! riep hij, ik wil dat u blijft!.... We zullen eens zien of

monseigneur Rochart me in éen hap opslokt!

Zijn lach had iets verontrustends, dat den Charbonnels schrik

aanjoeg. Toch weigerden zij. Eindelijk stemden zij er in toe nog een

poosje in Parijs te blijven, hoogstens acht dagen. De man maakte met

heel veel moeite de touwen weer los, die hij met zooveel inspanning

om den koffer gebonden had; de vrouw, ofschoon het pas drie uur was,

stak een kaars aan om het linnengoed en de kleeren weer in de laden

te leggen. Toen hij ze verliet, drukte Rougon hun vriendelijk de hand

en hernieuwde zijn beloften.

Hij was nog geen tien stappen de deur uit, of hij kreeg berouw. Waarom

had hij die Charbonnels, die toch halsstarrig wilden vertrekken,

teruggehouden? 't Was een uitmuntende gelegenheid geweest om zich

van hen te ontslaan. Nu was hij meer dan ooit gebonden om hen dat

proces te laten winnen. En hij was vooral boos op zichzelf, omdat

hij gehoor gegeven had aan de inblazingen van zijn ijdelheid. Dat

vond hij zijn kracht onwaardig. Enfin, hij had het beloofd, hij zou

wel verder zien. Hij ging de rue Bonaparte door, de kade langs en de

pont des Saints-Pères over.

Het weer bleef zacht. Over de rivier streek echter een frisch

windje. Hij was op het midden van de brug en knoopte zijn jas dicht,

toen hij voor zich uit een dikke, in bont gehulde dame zag, die hem

den weg versperde. Aan de stem herkende hij mevrouw Correur.

--Ach, is u het, zei ze op klagenden toon. Als ik u hier niet ontmoet

had, zou u me in geen acht dagen gezien hebben. Neen, u is niet vlug

om iemand te helpen.

En zij verweet hem dat hij niets voor haar gedaan had van al wat zij

hem maanden lang gevraagd had. Het betrof nog steeds die juffrouw

Herminie Bellecoq, oud-élève van Saint-Denis, die haar verleider,

een officier, wilde huwen, als een goede ziel hem de reglementaire

huwelijksgift wilde voorschieten. En al die andere dames lieten haar

geen oogenblik met rust; mevrouw de weduwe Leturc wachtte op haar

tabaksdépôt; mevrouw Chardon, mevrouw Testanière, mevrouw Jalaguier,

kwamen alle dagen haar nood klagen en haar herinneren aan de beloften

die zij gemeend had te mogen doen.

--Ik had natuurlijk op u gerekend, zei ze ten slotte. O, u hebt me in

een lastig parket gebracht!.... Ik ga onmiddellijk naar het ministerie

van openbaar onderwijs voor de beurs van den kleinen Jalaguier. U

had me die beurs beloofd.

Zuchtend mompelde zij toen:

--Enfin, we zijn wel genoodzaakt overal heen te draven, daar gij

weigert onze beschermer te zijn.

Rougon, die last van den wind had, boog den rug en keek intusschen naar

de haven Saint-Nicolas, die daar een hoekje van een kleine koopstad

geleek. Terwijl hij naar mevrouw Correur luisterde, keek hij met

belangstelling naar een boot die een lading suikerbrooden in had;

mannen waren aan het lossen, en lieten de brooden glijden door een

goot, die zij van twee planken gemaakt hadden. Driehonderd personen

stonden op de kaden naar dat werk te kijken.

--Ik ben niets, ik vermag niets, antwoordde hij. Ge doet er verkeerd

aan me dat kwalijk te nemen.

Maar zij hernam:

--Och, zwijg maar, ik ken u! Als u wilt, kunt ge alles zijn.... Houd

u maar zoo niet, Eugène!

Hij kon een glimlach niet weerhouden. De vertrouwelijkheid van mevrouw

Mélanie, zooals hij haar vroeger noemde, wekte de herinnering van

het hôtel Vanneau in hem op, toen hij geen schoenen aan de voeten

had en Frankrijk veroverde. Hij vergat zijn zelfverwijt van zooeven,

toen hij de Charbonnels verliet.

--Laat hooren, zei hij met een goedig gezicht, wat hebt u me eigenlijk

te vertellen? Maar laten we hier niet blijven staan. 't Is hier om

te bevriezen. Daar u toch naar de rue de Grenelle gaat, zal ik tot

aan het einde van de brug met u meegaan.

Toen keerde hij op zijn schreden terug, en liep naast mevrouw Correur,

zonder haar een arm te geven. Zij vertelde breedvoerig haar grieven.

--De anderen kunnen me eigenlijk zooveel niet schelen! Die dames kunnen

wachten.... Ik zou u niet lastig vallen, ik zou even vroolijk zijn als

eertijds, weet u nog wel, als ik niet zelf in groote onaangenaamheden

zat. Dan wordt men wel eens bitter gestemd.... Mijn hemel, het is

nog altijd die kwestie van mijn broer. Die arme Martineau, zijn vrouw

heeft hem volslagen gek gemaakt. Hij heeft geen hart meer.

En ze vertelde tot in de fijnste bijzonderheden hoe zij de vorige

week een nieuwe poging tot verzoening gedaan had. Om precies te weten

hoe haar broer over haar dacht, had zij een van haar vriendinnen,

juffrouw Herminie Billecoq, die zij al een paar jaar lang hoopte uit

te huwelijken, naar Coulonges gezonden.

--Haar reis heeft me honderd zeventien francs gekost, ging zij

voort. Nu, wilt u weten hoe men haar ontvangen heeft? Mevrouw Martineau

is schuimbekkende van woede voor haar gaan staan, en riep dat zij, als

zij lichtekooien stuurde, ze door de politie zou laten oppakken. Mijn

lieve Herminie beefde nog zoo, toen ik haar van den trein kwam afhalen,

dat we een koffiehuis moesten binnengaan om iets te gebruiken.

Zij waren aan het einde der brug gekomen. Wandelaars liepen hen tegen

het lijf. Rougon trachtte haar met vriendelijke woorden te troosten.

--'t Is wel treurig, maar uw broer zal wel weer goed met u worden. De

tijd baart rozen.

En daar zij hem staande hield op den hoek van het trottoir, bij het

geratel van de rijtuigen die den hoek omreden, ging hij weer langzaam

terug naar de brug. Zij volgde hem en herhaalde:

--Wanneer Martineau sterft, is zij in staat zijn testament te

verbranden, als hij dat nalaat. Die arme goede man is nog slechts

vel over been. Herminie vond dat hij er heel slecht uitzag.... Ja,

ik word wel geplaagd.

--Op het oogenblik valt er niets aan te doen, u zult moeten wachten,

zei Rougon met een vaag gebaar.

Ze hield hem weer staande op het midden van de brug en fluisterde:

--Herminie heeft me iets vreemds verteld. Het schijnt dat Martineau

tegenwoordig aan politiek meedoet. Hij is republikein. Bij de laatste

verkiezingen heeft hij het land in rep en roer gebracht. Dat heeft

me doen schrikken. Zeg, zou men hem lastig kunnen vallen?

Er volgde een korte stilte. Zij keek hem strak aan. En hij oogde een

landauer na, alsof hij haar blik wou ontwijken. Toen hernam hij met

een argeloos gezicht:

--Wees maar gerust. Ge hebt vrienden, niet waar? Nu, reken op hen.

--Ik reken op u, Eugène, zei ze op zachten, teederen toon.

Toen scheen hij getroffen. Hij keek haar op zijn beurt aan en hij

vond haar aandoenlijk, met haar dikken hals, haar geblanket gelaat,

als een mooie vrouw die jeugdig wou blijven. Zij vertegenwoordigde

zijn geheele jeugd.

--Ja, reken op mij, antwoordde hij, haar handen drukkend. U weet wel

dat ik in al uw geschillen aan uw zijde sta.

Hij vergezelde haar tot aan de quai Voltaire. Toen zij hem verlaten

had, ging hij eindelijk de brug over, zijn tred vertragende, met

belangstelling kijkende naar de suikerbrooden die op de kade van de

haven Saint-Nicolas gelost werden. Hij ging zelfs een oogenblik tegen

de borstwering leunen. Maar de brooden die in de goten gleden, het

groene water dat onder de bogen der brug doorstroomde, de toeschouwers,

de huizen, alles raakte dooreen verward en loste zich op in een

onweerstaanbaar gemijmer. Hij dacht aan allerlei verwarde zaken,

hij daalde met mevrouw Correur in donkere diepten neer. En hij had

geen spijt meer; hij verlangde slechts heel groot, heel machtig te

zijn ten einde zijn omgeving boven hopen en denken te bevredigen.

Een huivering wekte hem uit zijn gepeins. Hij rilde van koude. De nacht

viel, de windjes die van de rivier kwamen, joegen kleine stofwolkjes

op de kaden omhoog. Terwijl hij de quai des Tuileries langs ging,

voelde hij zich zeer afgemat. De moed ontbrak hem plotseling om te

voet naar huis te gaan. Er reden echter slechts volle vigelantes

voorbij, en hij zag reeds van een rijtuig af, toen hij een koetsier

plotseling voor hem stil zag houden. Een hoofd werd buiten het portier

gestoken. Mijnheer Kahn riep hem toe:

--Ik ging juist naar u toe. Stap toch in! Ik zal u thuis brengen,

onderweg kunnen we praten.

Rougon stapte in. Hij zat ternauwernood, of de gewezen afgevaardigde

barstte in een vloed van heftige woorden uit.

--Och, beste vriend, men heeft me daar een voorstel gedaan.... Ge

raadt het nooit. Ik ben er warm van.

En terwijl hij het portierraampje liet zakken:

--U hebt er niets op tegen, hè?

Rougon ging in een hoekje leunen, terwijl hij door het open raampje den

grijzen muur van den tuin der Tuileriën voorbij zag glijden. Mijnheer

Kahn ging met levendige gebaren voort:

--U weet, ik heb uw raad gevolgd.... Sedert twee jaar voer ik

hardnekkig strijd. Ik heb den keizer driemaal gezien, ik schrijf al

mijn vierde memorie over die kwestie. Al heb ik de concessie van mijn

spoorweg niet gekregen, ik heb toch altijd belet dat Marsy haar aan

de compagnie de l'Ouest kon geven.... Enfin, ik heb gewacht tot we

de sterksten zouden zijn, zooals ge me gezegd hadt.

Hij zweeg een oogenblik, zijn stem ging verloren in het afschuwelijk

geraas van een met ijzer beladen wagen, die langs de kade reed. Toen

de vigelante den wagen voorbij was, ging hij voort:

--Nu, zoo even is er een heer, die me geheel onbekend is, op mijn

kantoor verschenen om mij uit naam van de Marsy en den directeur der

compagnie de l'Ouest de concessie aan te bieden, wanneer ik den heeren

een millioen in aandeelen wou afstaan.... Wat zegt gij daarvan?

--Dat is wel wat duur, mompelde Rougon glimlachend.

Mijnheer Kahn schudde het hoofd.

--Neen, maar, ge kunt u geen denkbeeld maken van de brutaliteit waarmee

die lui optraden! Ik zou u mijn heele gesprek met den onbekende moeten

mededeelen. Marsy verbindt zich voor dat millioen om mij te steunen en

te zorgen, dat ik binnen een maand de vereischte vergunning krijg. Hij

eischt zijn aandeel, meer niet.... En toen ik van den keizer sprak,

begon de man te lachen. Hij heeft me heel netjes aan het verstand

gebracht, dat als ik den keizer voor me had, mijn zaak reddeloos

verloren was.

De vigelante reed de place de la Concorde op. Rougon kwam uit zijn

hoekje, alsof hij het daar warm gehad had, met een roode kleur op

de wangen.

--En hebt ge dien mijnheer de deur gewezen? vroeg hij.

De gewezen afgevaardigde keek hem een oogenblik met sprakelooze

verbazing aan. Zijn boosheid was plotseling gezakt. Hij dook op zijn

beurt in een hoekje van het rijtuig weg, en zich zachtjes aan de

schokken van het rijtuig overgevende, mompelde hij:

--Welneen, men wijst den lui zoo maar niet de deur, zonder

nadenken.... Ik wou trouwens eerst uw raad inwinnen. Ik voor mij heb

grooten lust het aan te nemen.

--Nooit, Kahn! riep Rougon woedend. Nooit!

En de discussies begonnen. Mijnheer Kahn noemde cijfers; een millioen

was buiten kijf verbazend veel om iemand om te koopen, maar hij bewees

dat men door zekere operaties dat gaatje wel kon stoppen. Rougon

luisterde niet, hij wou er niet van hooren. Hij bekommerde zich niet

om geld. Maar hij wou niet dat Marsy een millioen in zijn zak zou

steken, omdat in het geven van dat millioen een bekentenis van zijn

onmacht opgesloten lag, en tevens een bewijs dat hij den invloed van

zijn tegenstander buitensporig hoog schatte.

--Ge ziet wel dat hij het moe wordt. Hij legt de duimschroeven

aan.... Wacht maar, we krijgen de concessie voor niets.

En bijna dreigend ging hij voort:

--We zouden in onmin geraken, ik waarschuw u. Ik kan niet toestaan

dat een mijner vrienden zoo afgezet wordt.

Een stilte volgde. De vigelante reed de Champs-Elysées op. Beiden

schenen diep in gedachten, de boomen langs den weg te tellen. Mijnheer

Kahn verbrak het eerst het stilzwijgen door de halfluide opmerking:

--Hoor eens, ik zou niets liever willen, ik wil u niet in den steek

laten, maar ge moet zelf toestemmen dat ik nu al bijna twee jaar....

Hij hield even op, om met een andere zinswending te vervolgen:

--Enfin, 't is uw schuld niet, uw handen zijn op het oogenblik

gebonden. We moesten het millioen maar geven, heusch!

--Nooit! herhaalde Rougon stellig. Binnen veertien dagen hebt ge uw

concessie, hoort ge!

De vigelante was stilgehouden voor het kleine hôtel in de rue

Marbeuf. Toen bleven zij, zonder uit te stappen, met gesloten portier,

nog een oogenblik praten, heel op hun gemak, alsof zij in hun kamer

zaten. Rougon kreeg dien avond mijnheer Bouchard en kolonel Jobelin

ten eten, en hij wou mijnheer Kahn ook houden, maar deze moest tot zijn

spijt weigeren, daar hij al een andere uitnoodiging had aangenomen. Nu

was de groote man op eens vol ijver voor de concessie. Toen hij

uitgestapt was, sloot hij vriendelijk het portier en wisselde hij

een laatste knikje met den oud-afgevaardigde.

--Tot morgen, Donderdag, niet waar? riep deze, terwijl hij onder het

wegrijden zijn hoofd uit het portierraampje stak.

Rougon kwam opgewonden in huis. Hij kon zelfs de avondbladen niet

lezen. Ofschoon het pas vijf uur was, ging hij naar het salon en bleef

daar op en neer loopen, wachtende op zijn gasten. De eerste zonnige dag

in het jaar, die bleeke Januari-zon, had hem een begin van hoofdpijn

bezorgd. Zijn ontmoetingen op dien middag hadden een levendigen indruk

by hem achtergelaten. De geheele bende,--de vrienden die hij verdroeg,

die welke hij vreesde en die voor welke hij werkelijk genegenheid

had opgevat,--dreef hem tot een onmiddellijke ontknooping. En dat

mishaagde hem niet; hij gaf hun gelijk dat ze ongeduldig werden,

hij voelde een toorn in zich opkomen, die zoo groot was als van hen

allen gezamenlijk. 't Was alsof men langzamerhand de ruimte voor hem

vernauwd had. Het oogenblik was nabij, waarop hij een vreeselijken

sprong zou moeten wagen.

Op eens dacht hij aan Gilquin, dien hij geheel vergeten had. Hij

schelde om te vragen of "de heer met de groene jas" in zijn afwezigheid

teruggekomen was. De knecht had niemand gezien. Toen beval hij hem in

zijn kamer te laten, wanneer hij in den loop van den avond komen mocht.

--En dan moet ge me dadelijk waarschuwen, ging hij voort, zelfs al

zitten we nog aan tafel.

Toen haalde hij uit nieuwsgierigheid Gilquin's kaartje weer voor den

dag. Hij las en herlas: "Er is haast bij, een grappige geschiedenis"

zonder er wijzer door te worden. Toen mijnheer Bouchard en de kolonel

kwamen, liet hij het kaartje in zijn zak glijden, voortdurend denkend

aan dien zin, die hem ontstemde.

Het diner was zeer eenvoudig. Mijnheer Bouchard leefde al een paar

dagen als vrijgezel, daar zijn vrouw naar een zieke tante had moeten

gaan, van wier bestaan hij nu eerst hoorde. De kolonel, die altijd

een welkome gast bij de Rougons was, had dien avond zijn zoon Auguste

meegebracht. Mevrouw Rougon nam de honneurs aan tafel waar, met haar

stille minzaamheid. De bediening geschiedde onder haar nauwlettend

toezicht, zonder dat men het minste gerinkel hoorde. Het gesprek liep

over de studiën op de lycées. De chef de bureau haalde versregels van

Horatius aan, sprak over de prijzen die hij in 1813 hy de algemeene

wedstrijden behaald had. De kolonel had meer militaire tucht verlangd;

en hij vertelde waarom Auguste voor het candidaatsexamen was afgewezen:

de jongen was zoo vlug van begrip, dat hij altijd meer wist dan de

professoren vroegen, en dat konden die heeren niet verdragen. Terwijl

zijn vader die uitlegging aan zijn niet-slagen gaf, at Auguste met

een geniepig lachje een stukje gevogelte.

Bij het dessert scheen Rougon, die tot dusver verstrooid had

toegeluisterd, op te schrikken door een luid gebel. Hij dacht dat

het Gilquin was, en naar de deur kijkende vouwde hij werktuigelijk

zijn servet op, in afwachting dat hij geroepen zou worden. Maar het

was Du Poizat die binnentrad. De gewezen onder-prefect ging op twee

passen afstands van de tafel zitten, als een goede bekende. Hij kwam

dikwijls, vroeg in den avond, dadelijk na het eten, dat hij in een

klein pension op de faubourg Saint-Honoré gebruikte.

--Ik ben doodmoe, mompelde hij, zonder eenige nadere verklaring

te geven over zijn drukke bezigheden in den middag. Ik zou naar bed

gegaan zijn, als ik niet even de kranten had willen inzien. Ze liggen

zeker in uw kamer, niet waar Rougon?

Toch bleef hij zitten en gebruikte een peer met een drupje wijn. Het

gesprek liep nu over de duurte der levensmiddelen; alles was in

twintig jaar tijds tweemaal zoo duur geworden. Het heugde mijnheer

Bouchard nog dat hij een paar duiven voor vijftien sous had zien

verkoopen. Intusschen trok mevrouw Rougon, zoodra de koffie en

de likeuren rondgediend waren, zich bescheiden terug. Men keerde

zonder haar naar het salon terug en richtte het daar heel huiselijk

in. De kolonel en de chef de bureau brachten zelf de speeltafel voor

den haard; en terwijl zij de kaarten schudden, verdiepten zij zich

reeds in allerlei combinaties. Auguste bladerde in een geïllustreerd

tijdschrift, dat op een hoektafeltje lag. Du Poizat was verdwenen.

--Zie eens wat een spel, zei de kolonel op eens. Zeldzaam, hè?

Rougon kwam naderbij en knikte. Toen hij vervolgens de tang ter hand

wou nemen om de houtblokken wat op te rakelen, kwam de knecht, die

zachtjes binnengetreden was, hem aan het oor fluisteren:

--Die mijnheer van van morgen is er.

Hij kreeg op eens een schok. Hij had de bel niet hooren overgaan. In

zijn kamer vond hij Gilquin met een rotting onder den arm, als een

kenner met half dichtgeknepen oogen een slechte gravure bekijkende,

die Napoleon op St. Helena voorstelde. Zijn groene jas was tot aan

de kin dichtgeknoopt; op het hoofd, half op het eene oor droeg hij

een bijna nieuwen zijden hoed.

--Welnu? vroeg Rougon levendig.

Maar Gilquin haastte zich niet. Hij schudde het hoofd en zei met het

oog op de gravure:

--Toch goed getroffen!.... Hij staat er net op of hij vreeselijk het

land heeft.

De kamer werd verlicht door een enkele lamp, op den hoek der

schrijftafel. Toen Rougon binnentrad, vernam hij een licht gekraak,

als van papier, dat uit een fauteuil met een breeden rug, die voor den

haard geplaatst was, scheen te komen. Maar toen daarop een diepe stilte

volgde, meende hij het geknetter van een half uitgedoofd houtblok

gehoord te hebben. Rougon noodigde Gilquin uit plaats te nemen,

maar deze weigerde, en de beide mannen bleven bij de deur staan,

in de schaduw van een boekenkast.

--Welnu? herhaalde Rougon.

En hij vertelde dat hij dien middag de rue Guisarde was

doorgegaan. Toen sprak de ander over zijn portierster, een uitstekende

vrouw, die een borstkwaal opgedaan had in dat vochtige benedenhuis.

--Maar die zaak daar haast bij is.... Wat is dat toch?

--Wacht even! Daar ben ik juist voor hier, we komen er zoo dadelijk

op. En ben je boven geweest, heb je de poes gehoord? Verbeeld je,

die is langs de goten op mijn kamer gekomen. Op een nacht had ik het

raam open gelaten, en 's morgens lag ze naast me op bed. Ze likte me

den baard. Dat vond ik zoo grappig, dat ik haar gehouden heb.

Eindelijk kwam hij met de zaak voor den dag. Maar het was een lange

geschiedenis. Hij begon met zijn liefdesbetrekking te vertellen

met een strijkster, die op een avond bij het uitgaan van de Ambigu

verliefd op hem was geworden. Die arme Eulalie had zich genoodzaakt

gezien haar meubels aan haar huisheer te laten, omdat een minnaar

haar verlaten had juist toen zij vijf termijnen schuldig was. Toen

woonde zij sinds een dag of tien in een logement in de rue Montmartre,

dicht bij haar atelier; en nu had hij de heele week bij haar geslapen,

op de tweede verdieping, in een klein kamertje dat op de plaats uitzag.

Rougon hoorde hem geduldig aan.

--Drie dagen geleden, ging Gilquin voort, had ik een koek en een

flesch wijn meegebracht.... We hebben dat in bed verorberd. We gaan

vroeg naar bed, weet je.... Eulalie is even voor twaalven opgestaan,

om de kruimels van de dekens te schudden. En dadelijk daarop lag ze

weer in diepen slaap. Die kan slapen, hoor!.... Maar ik sliep niet. Ik

had de kaars uitgeblazen en ik lag voor me uit te kijken naar de

lucht, toen er plotseling twist ontstond in de kamer daarnaast. Ik

moet er bij vertellen, dat de twee kamers vroeger ineenliepen, maar

de deur is nu dichtgespijkerd. De stemmen klonken weer zachter; de

vrede scheen hersteld; maar ik hoorde zulke vreemde geluiden, dat ik,

ronduit gezegd, eens door een reet van de deur ging kijken.... Neen,

je raadt nooit wat ik zag....

Hij zweeg even, met groote oogen, genietende van de uitwerking die

zijn woorden zouden hebben.

--Nu dan, ze waren met hun beiden, een jonge man van vijf en twintig,

tamelijk knap, en een oude van over de vijftig, klein, mager en

ziekelijk.... Die snaken stonden pistolen te bekijken, dolken, degens,

allerlei wapenen die blonken van nieuwheid. Ze spraken een taaltje,

dat ik eerst niet begreep. Maar aan sommige woorden begreep ik dat

het Italiaansch was. Je weet, ik heb in Italië gereisd. Toen heb ik

eens goed toegeluisterd en ik heb alles begrepen.... Het zijn heeren

die naar Parijs zijn gekomen om den keizer te vermoorden. Ziedaar!

En hij kruiste de armen en drukte zijn wandelstok tegen zijn borst,

terwijl hij telkens herhaalde:

--Grappig, hè?

Dat was de zaak die Gilquin zoo grappig vond. Rougon haalde de

schouders op; men had hem wel twintigmalen op samenzweringen attent

gemaakt. Maar de gewezen handelsreiziger gaf nauwkeurige bijzonderheden

aan.

--Je hebt me gezegd, dat ik je al de praatjes in de buurt moest komen

vertellen. Ik wil je graag een dienst bewijzen, ik breng je alles over,

niet waar? Schud nu maar je hoofd zoo niet.... Geloof je niet dat ik,

als ik naar de prefectuur was gegaan, een aardig fooitje zou gekregen

hebben? Maar ik wil er liever een vriend van laten profiteeren. 't

Is ernstig, hoor! Ga de zaak aan den keizer vertellen, wat drommel,

die valt je nog om den hals!

Sedert drie dagen hield hij een oogje op de mooie heertjes, zooals hij

ze noemde. Overdag kwamen er nog twee anderen, éen jonge en éen van

middelbaren leeftijd met een heel knap uiterlijk, een bleek gezicht en

lang zwart haar, die het hoofd scheen te zijn. Al die luidjes kwamen

uitgeput van vermoeienis thuis en spraken dan heel geheimzinnig met

elkaar. Den vorigen avond had hij ze van die ijzeren "dingetjes"

zien laden, hij geloofde bepaald dat het bommen waren. Hij had den

sleutel aan Eulalie gevraagd en nu bleef hij op zijn kousen in de

kamer, om alles af te luisteren. En tegen negen uur zorgde hij dat

Eulalie lag te snorken, om de buren gerust te stellen. Naar zijn

meening moest men in politieke zaken de vrouwen er buiten laten.

Naar mate Gilquin sprak werd Rougon ernstiger. Onder den lichten

roes van den gewezen handelsreiziger, te midden van de vreemde

bijzonderheden waarmee hij zijn verhaal doorspekte, drong zich toch

bij Rougon het geloof aan de waarheid van dat verhaal op. En die

zenuwachtige gejaagdheid, die hij den ganschen dag gevoeld had, die

kwellende nieuwsgierigheid, kwamen hem nu als een voorgevoel voor. En

hij verdween overmeesterd door die innerlijke onrust die hem al van

den morgen af bevangen had, een onwillekeurige ontroering van een

sterk man, wiens lot door een kaartworp beslist zal worden.

--Domkoppen, die natuurlijk de heele politie achter kun hielen krijgen,

zei hij met voorgewende onverschilligheid.

Gilquin begon spotachtig te lachen. Binnensmonds prevelde hij:

--De politie zal zich in dat geval moeten haasten.

En hij zweeg, terwijl hij lachend een deuk in zijn hoed sloeg. De

groote man begreep dat hij nog niet alles verteld had. Hij keek hem

strak aan, maar de ander had de deur reeds geopend, met de woorden:

--Enfin, ik heb je gewaarschuwd.... Ik ga eten, mijn waarde. Ik

heb nog geen tijd gehad om te eten. Den heelen middag heb ik mijn

mannetjes in het oog moeten houden.... En een honger dat ik heb!

Rougon hield hem terug en vroeg of hij hem kon dienen met een stuk

koud vleesch; en hij gaf dadelijk bevel in de eetzaal voor hem te

laten dekken. Gilquin scheen zeer getroffen. Hij sloot de deur van

de kamer en sprak wat zachter, opdat de knecht het niet zou hooren:

--Je bent een fideele kerel.... Luister eens goed. Ik wil je niet

bedriegen. Als je me slecht ontvangen had, was ik dadelijk naar de

prefectuur gegaan.... Maar nu zal je alles weten. Dat is eerlijk

gesproken, hè? Je zult dien dienst niet vergeten, hoop ik. Vrienden

blijven altijd vrienden, wat men ook mag zeggen.

Toen boog hij zich naar hem over en siste hem toe:

--'t Is op morgenavond bepaald.... Men wil Napoleon in de lucht laten

vliegen voor de Opera. Het rijtuig, de adjudanten, de heele kliek

wordt ineens weggeveegd.

Terwijl Gilquin zijn plaats aan de tafel in de eetzaal innam, bleef

Rougon onbewegelijk, met een vaalbleek gelaat, in zijn kamer staan. Hij

overlegde, hij weifelde. Eindelijk ging hij voor zijn schrijftafel

zitten; hij nam een blad papier, maar schoof het even spoedig van zich

af. Een oogenblik scheen hij de kamer uit te willen gaan, als om een

bevel te geven. Maar hij kwam langzaam terug en verdiepte zich weer

in een gepeins, dat zijn aangezicht somber stemde.

Op dit oogenblik kreeg de armstoel met den breeden rug, die voor het

haardvuur stond, een plotselingen schok. Du Poizat stond op en vouwde

zijn krant kalmpjes dicht.

--Hoe, was jij daar, jij! zei Rougon heftig.

--Wel zeker, ik las de kranten, antwoordde de gewezen onder-prefect,

met een glimlach die zijn onregelmatige, witte tanden bloot liet. Dat

wist je wel, je hebt me immers gezien toen je binnen kwam.

Die brutale leugen maakte een verdere verklaring overbodig. Beide

mannen keken elkander stilzwijgend aan. En daar Rougon hem,

besluiteloos, scheen te raadplegen, maakte Du Poizat een gebaar dat

duidelijk zeggen wilde: "Wacht nog wat, er is geen haast bij, eerst

zien". Geen enkel woord werd tusschen hen gewisseld. Zij keerden naar

het salon terug.

Dien avond was er zoo'n oneenigheid tusschen den kolonel en mijnheer

Bouchard ontstaan, over de prinsen van Orleans en den graaf de

Chambord, dat zij de kaarten hadden neergeworpen en zwoeren dat

zij nooit meer samen wilden spelen. Ze zaten ieder aan een kant van

den haard, met sombere, dreigende blikken. Toen Rougon binnentrad,

verzoenden zij zich met elkaar, en begonnen als om strijd zijn lof

te bezingen.

--O, ik geneer me niet, ik zeg het hem in zijn tegenwoordigheid,

ging de kolonel voort. Er is niemand die bij hem vergeleken kan worden.

--We spreken kwaad van u, hoort ge wel, hernam mijnheer Bouchard

knipoogend.

En het gesprek ging voort:

--Een weergaloos vernuft!

--Een voortvarend man met een veroveraarsblik!

--Ach, hij mocht zich wel wat meer met onze zaken bemoeien!

--Ja, 't zou niet zoo'n rommel zijn. Hij alleen kan het keizerrijk

redden!

Rougon's breede borst zwol op, terwijl hij uit bescheidenheid een

gemelijk gezicht zette. Die wierookdampen snoof hij met welgevallen

op. Zijn ijdelheid werd nooit aangenamer gekitteld, dan wanneer de

kolonel en mijnheer Bouchard, heele avonden lang, hun bewondering

beurtelings lucht gaven. Hun domheid kwam dan eerst recht voor den

dag, de ernstige uitdrukking op hun gelaat was komisch om te zien,

maar hoe flauwer hij ze vond, hoe meer hij genoot van hun eentonige

stem, die onophoudelijk zijn lof verkondigde. Soms maakte hij er een

grapje van, wanneer de twee neven er niet waren; maar toch werden zijn

hoogmoed en heerschzucht er door bevredigd. Het was als een mesthoop

van loftuitingen, groot genoeg om er zich met zijn kolossaal lichaam

op rond te wentelen.

--Neen, neen, ik heb niet veel te beteekenen, zei hij

hoofdschuddend. O, als ik werkelijk zoo groot was als gij denkt....

Hij voltooide zijn zin niet. Hij had zich voor de speeltafel neergezet

en begon werktuigelijk de kaarten te leggen, wat hem in den laatsten

tijd maar zelden overkwam. Mijnheer Bouchard en de kolonel gingen

hun gang; ze verklaarden dat hij een groot redenaar, een groot

administrateur, een groot financier, een groot staatsman was. Du

Poizat stond er goedkeurend bij te knikken. Eindelijk zei hij, alsof

Rougon er niet bij was:

--Mijn hemel! er behoeft maar iets te gebeuren.... De keizer is

Rougon zeer genegen. Laat er morgen een onvoorziene gebeurtenis

plaats grijpen, zoodat hij behoefte gevoelt aan een krachtigen arm,

en overmorgen is Rougon minister.... Mijn hemel, ja!

De groote man hief langzaam de oogen op. Hij liet zich achterover in

zijn fauteuil glijden, hij liet zijn spel rusten, zijn gelaat was

weer grauw en betrokken. Maar in zijn gepeins schenen de vleiende

stemmen van den kolonel en mijnheer Bouchard hem te wiegen, hem tot een

besluit te drijven, dat hij nog aarzelde te nemen. Hij glimlachte toch,

toen de jonge Auguste, die het afgebroken spel had voortgezet, uitriep:

--Het is gelukt, mijnheer Rougon.

--Wat drommel, zei Du Poizat, de lijfspreuk van den grooten man

herhalende, het lukt altijd!

Op dit oogenblik kwam een knecht Rougon zeggen dat een heer en een

dame hem wenschten te spreken, en hij overhandigde hem een kaartje,

dat Rougon een uitroep van verbazing ontlokte.

--Wat, zijn zij in Parijs!

Het waren de markies en de markiezin d'Escorailles. Hij haastte zich

hen in zijn kamer te ontvangen. Zij verontschuldigden zich over hun

laat bezoek. In den loop van het gesprek gaven zij te kennen dat zij

zich sinds twee dagen in Parijs bevonden, maar dat hun vrees van een

verkeerde uitlegging te zien geven aan een bezoek bij iemand, die

in zoo nauwe betrekking tot de regeering stond, hen dat bezoek tot

dit ongelegen uur had doen uitstellen. Door deze uitlegging voelde

Rougon zich in het minst niet gekwetst. De tegenwoordigheid van den

markies en de markiezin in zijn huis was voor hem een eer, waarop hij

niet had durven hopen. Wanneer de keizer in hoogst eigen persoon aan

zijn deur geklopt had, zou zijn ijdelheid er niet meer door bevredigd

kunnen zijn. Die grijsaards, die bij hem kwamen met een verzoek, dat

was geheel Plassans dat hem hulde bewees, dat aristocratische, koude,

hooghartige Plassans, waarvan hij uit zijn jeugd een voorstelling had

meegenomen als van een onbestijgbaren Olympus; eindelijk bevredigde hij

een droom van een vroegere eerzucht, hij voelde zich gewroken over de

minachtende behandeling van zijn stadje, toen hij er rondliep op zijn

versleten schoenen en voortslofte als een advokaat zonder praktijk.

--We hebben Jules niet aangetroffen, zei de markiezin. We hadden ons

voorgesteld hem te verrassen. Hij moest naar Orleans, voor zaken,

schijnt het.

Rougon wist niets van zijn afwezigheid. Maar hij begreep alles toen hij

bedacht dat de tante bij wie mevrouw Bouchard zich bevond, in Orleans

woonde. En hij verontschuldigde Jules, hij gaf zelfs een verklaring

van de ernstige zaak, een rapport over een kwestie van misbruik van

gezag, die aanleiding tot de reis had gegeven. Hij roemde hem als

een schrander jongmensch, die een schitterende carrière zou maken.

--Hij heeft het noodig dat hij vooruitkomt, zei de markies, en hij

liet het bij die zinspeling op den achteruitgang der familie. Wij

hebben ons met groot hartzeer van hem gescheiden.

En beiden, de vader en de moeder, klaagden bescheiden over den

afschuwelijken tijd, die belette de kinderen op te laten groeien in

de overtuiging hunner vaderen. Zij zelven hadden geen voet meer in

Parijs gezet sedert den val van Karel X. Ze zouden er zeker nooit

teruggekeerd zijn, als het niet de toekomst van Jules gold. Sedert

het lieve kind, op hun geheimen raad, het keizerrijk diende, veinsden

zij wel hem te verloochenen, maar in stilte werkten zij onafgebroken

aan zijn bevordering.

--Wij komen er rond bij u vooruit, mijnheer Rougon, hernam de markies

met een beminnelijke vertrouwelijkheid. Wij hebben ons kind lief,

dat is toch geoorloofd. O, u hebt veel voor hem gedaan, we zijn u er

zeer dankbaar voor. Maar u moet nog meer doen. Wij zijn vrienden en

landgenooten, niet waar?

Rougon boog, zeer aangedaan. De nederige houding van die twee oudjes

die hij vroeger met zoo veel plechtstatigheid naar de kerk Saint-Marc

had zien gaan, verhief hem in zijn eigen oog. Hij deed hun stellige

beloften.

Toen zij afscheid namen, na een vertrouwelijk onderhoud, dat bijna een

half uur geduurd had, drukte de markiezin zacht zijn hand, en mompelde:

--Dus dat is afgesproken, mijnheer Rougon. We zijn opzettelijk

uit Plassans gekomen. We worden ongeduldig, op onzen leeftijd, dat

begrijpt u! Nu kunnen we opgeruimd naar huis terugkeeren.... Men had

ons gezegd dat u niets meer vermocht.

Rougon glimlachte even. Met een vastberadenheid, die de weerklank

van zijn geheime gedachten scheen, sprak hij deze woorden tot afscheid:

--Een vaste wil vermag alles.... Reken op mij.

Maar toen zij heengegaan waren, gleed er toch een spijtige trek over

zijn gelaat. Hij bleef in het midden van de voorkamer staan, toen hij,

in een eerbiedige houding, een fatsoenlijk gekleed persoon zag staan,

die een rond vilten hoedje tusschen zijn vingers draaide.

--Wat verlangt gij? vroeg hij op barschen toon.

De persoon, die groot en flink gebouwd was, mompelde met neergeslagen

blik:

--Herkent mijnheer mij niet?

En daar Rougon driftig neen zeide:

--Ik ben Merle, de gewezen portier van mijnheer in den Raad van State.

Rougon werd ietwat zachter gestemd.

--O, heel goed. Je laat nu je baard staan.... Nu, wat was er van

je verlangen?

Toen verklaarde Merle zijn komst, met beleefde manieren, als iemand die

weet hoe het behoort. Hij had mevrouw Correur in den middag ontmoet;

en zij had hem den raad gegeven zich dien zelfden avond bij mijnheer

te vervoegen; anders zou hij nooit zoo vrij geweest zijn mijnheer op

zoo'n tijd lastig te vallen.

--Mevrouw Correur is heel vriendelijk, hervatte hij meer dan eens.

Eindelijk kwam hij met de mededeeling dat hij zonder betrekking

was. Hij liet zijn baard nu staan, omdat hij al een halfjaar lang

niet meer aan den Raad van State was. En toen Rougon hem vroeg waarom

hij zijn ontslag gekregen had, bekende hij niet dat men hem wegens

wangedrag ontslagen had. Hij kneep de lippen opeen en antwoordde op

een bescheiden toon:

--Men wist hoe gehecht ik aan mijnheer was. Sinds mijnheer is

heengegaan, heb ik allerlei plagerijen moeten verduren, omdat ik

mijn gevoelens nooit heb weten te verbergen.... Eens had het weinig

gescheeld of ik had een kameraad een klap gegeven, omdat hij heel

ongepaste dingen zei.... En toen hebben ze me weggestuurd.

Rougon keek hem strak aan.

--Dus, beste jongen, is het mijn schuld dat je zonder betrekking loopt?

Merle glimlachte even.

--En ik moet je een andere betrekking bezorgen, niet waar?

Hij glimlachte opnieuw, toen hij eenvoudig zei:

--Als mijnheer zoo goed zou willen zijn.

Een korte stilte volgde. Rougon tikte, met een werktuigelijk,

zenuwachtig gebaar, met zijn eene hand op de andere. Eindelijk begon

hij te lachen als iemand die een besluit genomen heeft en zich nu

verlicht gevoelt. Hij had te veel schulden, hij wou alles afbetalen.

--Ik zal aan je denken, je zult je betrekking hebben, hernam hij. Je

hebt er wel aan gedaan bij mij te komen, mijn jongen.

En hij zond hem weg. Ditmaal aarzelde hij niet meer. Hij trad de

eetzaal binnen, waar Gilquin zijn confituren verorberde, nadat hij

een stuk pastei, een kippenboutje en koude aardappelen gegeten had. Du

Poizat, die zich bij hem gevoegd had, zat schrijlings op een stoel met

hem te praten. Hun gesprek liep over de vrouwen, over de kunst om zich

door haar te doen beminnen, in heel ongegeneerde termen. Gilquin had

zijn hoed op het hoofd gehouden, en hij wiegelde achterover geleund

op zijn stoel, met een tandenstoker tusschen de lippen, om zich een

air van voornaamheid te geven.

--Kom, ik stap op, zei hij, zijn volle glas in een teug ledigend en

met de tong klappend. Ik ga eens in de rue Montmartre kijken hoe mijn

kippetjes het maken.

Maar Rougon die heel vroolijk scheen, plaagde hem er mee. Dacht hij

nog altijd aan zijn samenzweerders, nu hij gegeten had? Du Poizat

wendde ook de grootste ongeloovigheid voor. Hij sprak met Gilquin

af tegen den volgenden dag, hij was hem nog een ontbijt schuldig,

zei hij. Gilquin, met zijn rotting onder den arm, herhaalde, zoodra

hij er een woord tusschen kon brengen:

--Dus gaat u niet waarschuwen....

--Wel zeker, antwoordde Rougon. Men zal me uitlachen, dat is

alles.... Er is geen haast bij. Morgen ochtend.

De gewezen handelsreiziger hield reeds den deurknop in de hand. Hij

kwam grinnekend terug.

--Je begrijpt, zei hij, voor mijn part vliegt Napoleon de lucht in! Ik

zou het zelfs grappiger vinden.

--O, hernam de groote man met een overtuigd gezicht, de keizer vreest

niets, zelfs al is de geschiedenis waar. Die aanslagen gelukken

nooit.... Er is een Voorzienigheid.

Dat was zijn afscheidswoord. Du Poizat ging heel kameraadschappelijk

met Gilquin heen. En toen Rougon een uur later, om half elf, mijnheer

Bouchard en den kolonel goeden nacht wenschte, rekte hij zich geeuwend

uit en zei:

--Ik ben doodmoe. Ik zal van nacht heerlijk slapen.

Den volgenden avond ontploften er drie bommen onder het rijtuig

des keizers voor de Opera. Een verschrikkelijke paniek maakte zich

meester van de dichte menigte in de rue Le Peletier. Meer dan vijftig

personen waren getroffen. Een vrouw in een blauwzijden japon lag dood

langs het trottoir. Twee soldaten lagen op straat te zieltogen. Een

adjudant, in den nek getroffen, liet bloedsporen achter. En onder het

schijnsel der gaslantarens, midden in den rook, salueerde de keizer,

die ongedeerd uit zijn gehavend rijtuig gestegen was. Zijn hoed alleen

was door een bomsplinter geraakt.

Rougon had dien dag kalm thuis doorgebracht. In den morgen was hij

wel een weinig zenuwachtig; tweemaal had hij het voornemen te kennen

gegeven om uit te gaan. Maar toen hij juist ontbeten had, kwam Clorinde

hem bezoeken. Toen bleef hij tot den avond met haar in zijn kamer. Zij

kwam zijn raad inwinnen in een ingewikkelde zaak; en zij scheen

ontmoedigd, alles liep haar tegen, zei zij. Toen troostte hij haar,

toonde veel hoop, en gaf te verstaan dat alles zou veranderen. Toen

zij hem verliet, kuste hij haar op het voorhoofd. Na het diner

gevoelde hij een onweerstaanbaren aandrang om uit te gaan. Hij sloeg

den naasten weg naar de kaden in, hij had het benauwd, hij verlangde

naar de frissche koelte van de rivier. De winteravond was zeer zacht;

de wolken hingen laag aan den hemel en schenen in de donkere stilte

op de stad te drukken. Ver weg hoorde men het wegstervende gedruis

van de groote verkeerswegen. Hij liep langs de eenzame trottoirs, met

een gelijkmatigen tred, recht voor zich uit, terwijl zijn jas langs

de steenen borstwering streek; een eindelooze reeks lichten die in de

duisternis op sterren geleken, die de grenzen van een donkeren hemel

bepaalden, gaven hem een ruimer, onbegrensder voorstelling van die

pleinen en straten, waarvan hij de huizen niet meer zag; en naarmate

hij verder ging, vond hij Parijs grooter, naar zijn maat gemaakt,

genoeg lucht aanbiedende voor zijn breede borst. Het inktkleurige, met

tintelend goud geschubde water, stroomde zacht voort als de ademhaling

van een slapenden reus, begeleidde zijn veel omvattende mijmering.

Toen hij tegenover het Paleis van Justitie uitkwam, sloeg het negen

uur. Hij trilde, keerde zich om, luisterde scherp toe; het leek hem

toe als hoorde hij boven de daken een plotselinge paniek, verwijderde

geluiden van een ontploffing, kreten van afgrijzen. Parijs verscheen

hem plotseling in de ontzetting, door een groote misdaad teweeg

gebracht.

En hij herinnerde zich toen den Juli-namiddag, dien helderen,

zegevierenden dag van den doop, toen de klokken luidden in de

warme zon, de kaden opgepropt waren met een dichte menigte, al die

heerlijkheid van het keizerrijk op zijn toppunt van roem, waaronder hij

een oogenblik zoo gebukt had gegaan, dat hij den keizer benijdde. Op

dit oogenblik genoot hij zijn revanche: een donkere hemel, de stad in

sprakelooze ontzetting, de kaden ledig, terwijl een rilling daar langs

streek die gasvlammen dansend deed opflikkeren, met iets verdachts

dat daar in de dichte duisternis in hinderlaag lag. Hij ademde de

lucht met diepe teugen in, hij had dat moordende Parijs lief, in

welks schrikaanjagende schaduw hij de oppermacht verkreeg.

Tien dagen later werd Rougon minister van Binnenlandsche zaken, in

de plaats van mijnheer de Marsy, die tot president van het Wetgevend

lichaam benoemd werd.

Zijn Excellentie Eugène Rougon · 第 9 / 17 题