VI.

Tegen zeven uur, op den avond van haar aankomst te Compiègne, stond

Clorinde met mijnheer de Plouguern te praten bij een venster van

de galerij des Cartes. Men wachtte op den keizer en de keizerin om

zich naar de eetzaal te begeven. De tweede reeks genoodigden van

dat seizoen bevond zich eerst drie uur op het kasteel, en daar alle

gasten nog niet beneden waren, hield de jonge vrouw zich onledig

met iedereen die binnen trad met een enkel woord te beoordeelen. De

gedecolleteerde dames, met bloemen in het kapsel, zetten haar gelaat in

een vriendelijke plooi, zoodra zij den drempel overschreden; de heeren

bleven ernstig, met hun witte das en korte broek met zijden kousen.

--Ha, daar is ridder Rusconi, mompelde Clorinde. Een knap man.... Maar

zie mijnheer Beulin-d'Orchère toch eens, oompje, zou men niet zeggen

dat hij zoo gaat blaffen? En wat een beenen, goede God!

Mijnheer de Plouguern grinnikte van pleizier bij al dat

kwaadspreken. Ridder Rusconi kwam Clorinde begroeten, met zijn

smachtende blikken van knap Italiaan; daarop ging hij langs de dames

heen, met een reeks van hoffelijke buigingen. Delestang keek op een

korten afstand heel ernstig naar de kolossale kaarten van het bosch

van Compiègne, die de muren der galerij bedekten.

--In welken waggon heb je gezeten? hernam Clorinde. Ik heb aan het

station naar je gezocht om met je samen te reizen. Verbeeld je,

ik zat daar midden tusschen de mannen....

Maar zij hield weer op, een lach achter haar hand smorend.

--Mijnheer La Rouquette kijkt zoo zoet als suiker.

--Ja, een kostschoolmeisjes-ontbijt, zei de senator ondeugend.

Op dit oogenblik ontstond er aan de deur een luid geritsel van rokken;

de deurvleugel werd wijd geopend en er trad een vrouw binnen, in

een japon zoo overladen met strikken, bloemen en kant, dat zij haar

japon met beide handen moest samenvatten om door de opening te kunnen

gaan. Het was mevrouw de Combelot, Clorinde's schoonzuster. Deze nam

haar van het hoofd tot de voeten op en mompelde;

--Hoe is het mogelijk!

En toen mijnheer de Plouguern naar haar eigen eenvoudig tarlatankleedje

keek, dat zij over een slecht gefatsoeneerd rose faille onderkleed had

aangetrokken, ging ze op een toon van volslagen zorgeloosheid voort:

--O, je weet, ik maal niet om het toilet! Men moet me maar nemen

zooals ik ben.

Intusschen had Delestang de kaarten verlaten om zijn zuster tegemoet

te gaan, die hij bij zijn vrouw bracht. Ze hielden niet veel van

elkander en wisselden een zuurzoet complimentje. En mevrouw de

Combelot verwijderde zich, een staart van satijn achter zich aan

sleepende, die veel geleek op een hoekje van een bloemenperk. De

mannen traden zwijgend een paar stappen terug, voor den stroom van

kanten volants. Zoodra Clorinde weer alleen met mevrouw de Plouguern

was, maakte ze schertsend een zinspeling op den grooten hartstocht

dien de dame voor den keizer gevoelde. En toen de senator van den

tegenstand sprak dien deze bood, merkte zij op:

--Daar steekt niet veel verdienste in, ze is zoo mager! Ik heb haar

door mannen mooi hooren vinden, ik weet niet waarom. Ze heeft een

figuur dat nergens naar lijkt.

Al pratende bleef ze voortdurend naar de deur zien, als verwachtte

ze iemand.

--Ha, nu is het toch zeker mijnheer Rougon, zei ze.

Maar ze verbeterde haar gezegde dadelijk daarop, met een flikkering

in haar oogen.

--Toch niet, het is mijnheer de Marsy.

De minister, correct gekleed in zijn zwarten rok en korte broek,

trad glimlachend op mevrouw de Combelot toe; en terwijl hij haar een

complimentje maakte, keek hij met vagen blik naar de gasten, alsof hij

niemand had herkend. Toen beantwoordde hij de groeten met bijzondere

minzaamheid. Verscheidene heeren traden nader. Weldra vormde hij het

middelpunt van een groep. Zijn bleek, geestig en spottend gelaat stak

boven de schouders uit, die zich rondom hem verdrongen.

--A propos, hernam Clorinde, mijnheer Plouguern naar een

vensternis voerend, ik had op je gerekend om me inlichtingen te

verschaffen.... Wat weet je van die bekende brieven van mevrouw

de Lorentz?

--Wel, wat iedereen er van weet, antwoordde hij.

En hij sprak van de drie brieven, die graaf de Marsy aan mevrouw

de Lorentz zou geschreven hebben, omtrent vijf jaar geleden, even

voor het huwelijk des keizers. Die dame bevond zich na den dood van

haar man, een generaal van Spaansche afkomst, te Madrid, waar zij

belangrijke zaken te regelen had. Hun liefdesbetrekking was toen nog

zonder wolkje. De graaf had haar, om haar op te vroolijken, ietwat

pikante bijzonderheden geschreven over zekere doorluchtige personen,

in wier onmiddellijke omgeving hij zich bewoog. Men vertelde ook dat

sedert dien tijd mevrouw de Lorentz, verschrikkelijk jaloersch van

aard, die brieven bewaarde, die ze als het zwaard van Damocles boven

zijn hoofd liet hangen.

--Ze heeft zich laten overtuigen, toen hij een Walachijsche prinses

heeft moeten huwen, zei de senator ten slotte. Maar nadat zij hem een

maand had toegestaan om volop de genoegens van zijn nieuwen echt te

smaken, heeft zij hem meteen te kennen gegeven dat zij, als hij na

verloop van dien termijn zich niet weer aan haar voeten kwam werpen,

zij op een goeden morgen de drie verschrikkelijke brieven op het

bureau van den keizer zou neerleggen; en hij heeft zijn keten weer

opgenomen.... Hij overlaadt haar met lieve attenties om die verwenschte

correspondentie weer in handen te krijgen.

Clorinde lachte hartelijk. Ze vond die historie allervermakelijkst. En

zij deed vraag op vraag. Dus als de graaf mevrouw de Lorentz bedroog,

zou zij in staat zijn haar bedreiging te vervullen? Waar had ze

die drie brieven? In haar keurslijf, tusschen twee satijnen linten

genaaid, naar zij had hooren beweren. Maar mijnheer Plouguern wist

het niet. Niemand had de brieven gelezen. Hij kende een jongen man,

die om er een kopie van te nemen, bijna een half jaar lang tevergeefs

de nederige slaaf van mevrouw de Lorentz was geweest.

--Maar wat drommel, ging hij voort, hij wendt geen oog van je af,

kleine. Dat is waar, ik had het heelemaal vergeten: je hebt hem

veroverd!.... Is het waar dat hij op zijn laatste soirée bijna een

uur met je gepraat heeft?

De jonge vrouw antwoordde niet. Zij luisterde niet meer, ze bleef

onbewegelijk en trotsch onder den onafgewenden blik van mijnheer de

Marsy. Daarop langzaam het hoofd opheffende, en hem op haar beurt

aanziende, wachtte zij zijnen groet. Hij naderde haar en boog. En

zij lachte hem heel vriendelijk toe. Er werd geen woord tusschen

hen gewisseld. De graaf keerde naar het midden van de groep terug,

waar mijnheer La Rouquette luid sprak, en hem bij ieder gezegde

Excellentie noemde.

Langzamerhand was het intusschen vol geworden in de galerij. Er waren

daar bijna honderd personen, hooge ambtenaren, generaals, vreemde

diplomaten, vijf afgevaardigden, drie prefecten, twee schilders, een

romanschrijver, twee leden der akademie, ongerekend de officieren van

het hof, de kamerheeren, adjudanten en stalmeesters. Het bescheiden

gemurmel der stemmen steeg bij het licht der kronen omhoog. De

bekenden van het kasteel wandelden op en neer, terwijl de nieuwe

gasten zich niet te midden der dames durfden wagen. Dat eerste uur

van gegeneerdheid, tusschen personen waarvan verscheidene elkander

niet kenden en die zich plotseling aan de deur van de keizerlijke

eetzaal vereenigd vonden, gaf aan de gezichten een voorkomen van

gemelijke waardigheid. Nu en dan ontstond er plotseling een stilte,

hoofden keerden zich eenigszins onrustig om. En het ameublement stijle

empire van de groote zaal, de consoles met haar rechte voetstukken,

de vierkante fauteuils schenen nog de plechtigheid van het wachten

te verhoogen.

--Daar is hij eindelijk! mompelde Clorinde.

Rougon was binnengetreden. Hij bleef een oogenblik vlak bij de deur

stilstaan. Hij had weer zijn houding van goeden lobbes aangenomen,

zijn rug wàs een weinig gebogen, zijn gezicht stond slaperig. Met

een enkelen blik had hij de lichte beweging van afkeer opgemerkt,

die zijn tegenwoordigheid in zekere groepjes teweeg bracht. Daarop

wist hij, groetende en handen drukkend, zoo te manoeuvreeren,

dat hij zich tegenover mijnheer de Marsy bevond. Zij groetten

elkander, schenen verheugd elkander te ontmoeten. En de oogen

vast op elkander gevestigd, als vijanden die eerbied hebben voor

elkanders kracht, praatten zij vriendschappelijk. Rondom hen was

het leeg geworden. De dames volgden hun minste gebaren; terwijl de

mannen met een vertoon van bescheidenheid een anderen kant uitkeken,

doch niet konden nalaten steelsche blikken op hen te werpen. In

alle hoekjes werd gefluisterd. Wat was de geheime bedoeling van den

keizer? Waarom bracht hij aldus die twee groote mannen in elkanders

tegenwoordigheid? Mijnheer La Rouquette meende de lucht te hebben

van een zeer ernstige gebeurtenis. Hij kwam mijnheer de Plouguern

ondervragen, die hem spottend antwoordde:

--Wel, Rougon zal misschien Marsy laten duikelen, en men zal

verstandig doen hem te ontzien.... Of de keizer moet het zonder eenige

bijbedoeling gedaan hebben. Dat gebeurt hem wel eens meer.... Misschien

heeft hij zich alleen het genoegen willen gunnen ze bij elkander te

zien, in de hoop dat ze zich dwaas zouden aanstellen.

Maar het gefluister hield op, er ontstond een groote beweging. Twee

officieren gingen van groep tot groep, en fluisterden enkele

woorden. En de genoodigden, plotseling weer ernstig geworden, begaven

zich naar de linkerdeur, waar zij zich in twee rijen opstelden,

de heeren aan de eene en de dames aan de andere zijde. Bij de deur

stond mijnheer de Marsy, die Rougon naast zich hield, daarop volgden

de andere personen, naar hun graad of rang. Daar wachtte men nog drie

minuten in een plechtige stilte.

De deurvleugels werden geopend. De keizer, in een zwarten rok, de

borst gestreept met het lint van het grootkruis, trad het eerst

naar binnen, gevolgd door den dienstdoenden kamerheer, mijnheer

de Combelot. Hij glimlachte even toen hij voor de Marsy en Rougon

stilhield; hij streek langzaam met zijn hand over zijn langen knevel,

met een wiegelende beweging van zijn geheele lichaam. Daarop mompelde

hij op verlegen toon:

--Zeg aan mevrouw Rougon, dat wij met leedwezen gehoord hebben dat

zij ziek is.... Wij hadden haar gaarne hier met u gezien.... Enfin,

't zal niet van langen duur zijn, hopen wij. Er zijn veel menschen

verkouden op het oogenblik.

En hij ging verder. Twee passen verder drukte hij de hand van een

generaal, wien hij vroeg hoe zijn zoon het maakte, "de kleine Gaston"

zooals hij hem noemde. Gaston was even oud als de keizerlijke prins,

maar hij was veel sterker. De rijen bogen naarmate hij verder

ging. Eindelijk, geheel aan het einde, stelde mijnheer de Combelot

een der twee academieleden voor, die voor de eerste maal aan het hof

verscheen; en de keizer sprak over het jongste werk van den schrijver,

waarvan hij enkele gedeelten met het grootste genoegen gelezen had,

zei hij.

Intusschen was de keizerin binnengetreden, vergezeld van mevrouw de

Lorentz. Zij droeg een zeer eenvoudig kleed van blauwe zijde, met

een tuniek van witte kant. Met kleine stapjes voortschrijdend, boog

zij bevallig haar ontblooten hals, waarop een diamanten hart aan een

eenvoudig blauw fluweel hing, terwijl zij glimlachend langs de rij der

dames ging. Kniebuigingen bij haar doortocht deden de wijduitstaande

japonnen, waaruit muskusgeuren omhoog stegen, ritselen. Mevrouw Lorentz

stelde haar een jonge vrouw voor, die zeer ontroerd scheen. Mevrouw

de Combelot wendde een hartelijke vertrouwelijkheid voor.

Toen de vorstelijke personen aan het einde der dubbele rij gekomen

waren, kwamen zij op hun schreden terug, de keizer ditmaal langs de

rij der dames, de keizerin langs die der heeren. Er volgden nieuwe

voorstellingen. Niemand sprak nog, een eerbiedige verlegenheid deed

de gasten zwijgend tegenover elkander staan. Maar de rijen werden

verbroken; halfluide woorden werden gewisseld, heldere lachjes

weerklonken, toen de adjudant-generaal van het paleis kwam zeggen

dat het diner gereed was.

--Nu heb je me niet meer noodig, hè? fluisterde mijnheer de Plouguern

Clorinde in het oor. Ze glimlachte. Ze was voor mijnheer de Marsy

blijven staan, om hem te noodzaken haar zijn arm aan te bieden, wat hij

trouwens zeer hoffelijk deed. De keizer en de keizerin gingen voorop,

gevolgd door de gasten die aangewezen waren om aan hun beider zijden

plaats te nemen; dien dag waren het twee buitenlandsche diplomaten, een

jonge Amerikaansche en de vrouw van een minister. Achteraan kwamen de

overige genoodigden, naar verkiezing, ieder gearmd met de dame, die hij

zich had uitverkoren. En langzaam stelde de stoet zich in beweging. De

eetzaal maakte bij het binnentreden een luisterrijken indruk. Vijf

kronen brandden boven de lange tafel en brachten een schittering in

het zilver van het tafelstel, jachttooneelen voorstellende, herten die

achtervolgd werden, jagers die op hun horens bliezen en honden die om

hun jagerrecht kwamen. Het platte vaatwerk vormde langs de tafel een

rij van zilveren manen; terwijl de zijvlakken der komforen, waarin

de gloed der kaarsen weerspiegeld werd, het fonkelende kristalwerk,

de vruchtenmandjes en de bloemenvazen van een helder rose kleur,

de keizerlijke tafel tot een schitterend geheel maakte, dat met zijn

schijnsel de geheele ruimte vulde. Door de openslaande deur trad de

stoet langzaam binnen. De mannen bogen zich voorover, zeiden een

woordje, richtten zich toen weer op, met een heimelijke streeling

van ijdelheid over dien zegetocht; de dames, met ontbloote schouders,

badend in een zee van licht, glimlachten opgetogen; en op de tapijten

verleenden de slepende japonnen, die de paren van elkander scheidden,

een majesteit te meer aan den stoet, dien zij vergezeld deden gaan

van hun geruisch van kostbare stoffen. Het was een bijna teedere

nadering, in een omgeving van weelde, licht en aangename warmte, als

een zinnenprikkelend bad, waarin de muskusgeuren der toiletten zich

vermengden met den lichten damp van wildbraad, verscherpt door een

schijfje citroen. Toen op den drempel, tegenover het prachtige aanzien

dat de tafel bood, een muziekkorps, in een aangrenzende galerij aan

het oog onttrokken, hen met fanfares begroette, drukten de heeren,

eenigszins gehinderd door hun korte broeken, onwillekeurig, met een

glimlach op de lippen, de armen der dames. Toen ging de keizerin

langs de rechterzijde en bleef voor het midden van de tafel staan,

terwijl de keizer, links gaande, tegenover haar plaats nam. Toen daarop

de aangewezen personen zich rechts en links van hunne majesteiten

hadden neergezet, kozen de overige gasten naar welgevallen hun plaats

uit. Dien avond waren er zeven en tachtig couverts. Bijna drie minuten

verliepen voordat iedereen zijn plaats had ingenomen. De satijnglans

der schouders, de heldere kleuren der bloemen op de toiletten, de

diamanten der hooge kapsels gaven een levendige vroolijkheid aan het

volle licht der kroonlampen. Eindelijk namen de bedienden de hoeden

aan, die de heeren in de hand gehouden hadden.

Mijnheer de Plouguern was Rougon gevolgd. Na de soep stiet hij hem

aan en vroeg:

--Hebt u Clorinde opgedragen, Marsy met u te verzoenen?

En hij wees hem met een knipoogje op de jonge vrouw, die aan den

anderen kant der tafel zat, naast den graaf, met wien zij zich

heel lieftallig onderhield. Rougon keek zeer ontstemd en haalde de

schouders op; toen hield hij zich alsof hij opzettelijk niet meer naar

de overzijde wilde zien. Maar ondanks zijn pogingen om onverschillig

te schijnen, kwam zijn blik naar Clorinde terug; hij lette op haar

minste gebaren, op de beweging van haar lippen, alsof hij haar woorden

er op wilde lezen.

--Mijnheer Rougon, zei mevrouw de Combelot, die zoo dicht mogelijk

bij den keizer zat, weet u nog, dat ongeluk van laatst? U hebt nog

een vigelante voor me gehaald. Een heele strook van mijn japon was

afgerukt.

Zij maakte zich belangwekkend, door te vertellen dat haar rijtuig eens

bijna midden door was gereden door den landauer van een russischen

prins. En hij moest antwoorden. Een oogenblik vormde dit ongeval het

onderwerp van de gesprekken aan tafel. Men haalde allerlei ongelukken

aan, onder anderen van een parfumeriën-verkoopster uit de passage des

Panoramas, die bij een val van haar paard haar arm gebroken had. De

keizerin deed een zachten uitroep van medelijden hooren. De keizer

zei niets, hij luisterde met een diepzinnig gezicht, langzaam etende.

--Waar zit Delestang toch? vroeg Rougon op zijn beurt aan mijnheer

de Plouguern.

Zij zochten hem. Eindelijk bemerkte de senator hem aan het einde van

de tafel. Hij zat naast mijnheer de Combelot, tusschen een heele rij

mannen, aandachtig luisterend naar de zeer vrije gesprekken, die door

het gonzend geluid der stemmen moeielijk te verstaan waren. Mijnheer La

Rouquette was aan een gekruide geschiedenis van een waschvrouw uit zijn

landstreek begonnen; ridder Rusconi gaf zijn persoonlijke waardeeringen

van de Parisiennes ten beste, terwijl een der twee schilders en

romanschrijver in zeer onkiesche bewoordingen de dames beoordeelden

om wier te dikke of te magere armen zij zaten te grinniken. En Rougon

keek woedend nu eens naar Clorinde, die hoe langer hoe beminnelijker

voor den graaf werd, dan weer naar haar sulligen man, die voor dat

alles blind bleef, en met een glimlach op zijn waardig gezicht naar

de sterke stukjes luisterde, die hij daar hoorde vertellen.

--Waarom is hij niet bij ons gaan zitten? mompelde hij.

--O, ik beklaag hem niet, zei mijnheer de Plouguern. Men schijnt zich

daar in dat hoekje te amuseeren.

Toen ging hij fluisterend verder:

--Ik geloof dat ze mevrouw Lorentz onderhanden hebben. Hebt u

opgemerkt hoe gedecolleteerd ze is?.... Meteen komt er nog een uit,

de linkerborst, hè?

Maar terwijl hij zich voorover boog om mevrouw de Lorentz, die vijf

plaatsen verder zat, beter te kunnen zien, werd hij plotseling

ernstig. Die dame, een mooie, wel wat dikke blondine, zag op dit

oogenblik wit van ingehouden drift, terwijl haar donkerblauwe

oogen strak op mijnheer de Marsy en op Clorinde gericht waren. En

binnensmonds, zoo zachtjes dat Rougon het zelfs niet kon verstaan,

prevelde hij:

--Drommels, dat loopt mis.

De muziek speelde onafgebroken voort; zij klonk alsof zij ergens

van uit de hoogte kwam. Wanneer de koperen instrumenten zich lieten

hooren, keken de gasten verwonderd op, als zochten zij vanwaar

die wijs tot hen kwam. Dan hoorden zij weer niets meer; een zacht

gezang van de klarinetten, achter in de aangrenzende galerij, smolt

samen met het zilvergerinkel van het platte vaatwerk, dat in hooge

stapels werd binnengebracht. Sommige groote schotels klonken als het

gedempte geluid van cymbalen. Rondom de tafel heerschte een stille

bedrijvigheid; een menigte dienaren liepen zwijgend heen en weer,

de kamerdienaars in rok en lichtblauwe korte broek, met degen en

driekantigen steek en de tafeldienaars met gepoederde pruiken,

in groen, met goud gegalonneerd galalivrei. De gerechten werden

opgedragen, de wijnen ordelijk rondgediend, terwijl de controleurs,

de eerste voorsnijder, de zilverbewaarder toezicht hielden op die

drukte, waarbij de rol van den geringsten dienaar vooruit geregeld

was. Achter den keizer en de keizerin dienden de kamerdienaren van

Hunne Majesteiten met een correcte waardigheid.

Toen het gebraad werd rondgediend en de Bourgogne-wijnen werden

ingeschonken, klonken de stemmen luider. In het hoekje van de mannen,

aan het einde der tafel, sprak mijnheer La Rouquette nu over de

kookkunst, en wel hoe lang een reebout, die juist rondgediend was,

aan het spit behoorde gebraden te worden.

Intusschen weerklonk er plotseling een gelach zoo luid, dat iedereen

zweeg. Het was de keizerin. Zij sprak met den Duitschen gezant, die aan

haar rechterzij zat; al lachend sprak zij enkele afgebroken woorden,

die niemand verstaan kon. In de nieuwsgierige stilte, die ontstaan was,

speelde een cornet à pistons, zacht begeleid door de bassen, een solo,

een zoetvloeiende melodie. En langzamerhand spraken de gasten weer

luider. De stoelen werden half omgekeerd, ellebogen op den rand van

de tafel gelegd, intieme gesprekken aangeknoopt, kortom er heerschte

een vrijheid als aan een vorstelijke table d'hôte.

--Wilt u een gebakje? vroeg mijnheer de Plouguern.

Rougon bedankte met een knikje. Sedert eenige oogenblikken at hij

niet meer. Men had het platte vaatwerk door een fijn beschilderd

Sèvres-porseleinen servies vervangen. Het geheele dessert liet hij

voorbijgaan, zonder iets anders te gebruiken dan een kleine portie

camembert. Hij hield zich niet meer in, maar keek Clorinde en mijnheer

de Marsy vlak in het gelaat, zonder twijfel hopende de jonge vrouw

verlegen te maken. Maar deze wendde zoo'n vertrouwelijkheid met den

graaf voor, dat het scheen alsof zij vergat waar zij zich bevond

en zich in een klein salon met den graaf alleen aan een fijn souper

waande. En zij knabbelde op het suikergoed dat de graaf haar aanreikte,

zij veroverde hem met haar mooi lachend gezicht, op een onbeschaamde

kalme wijze. Om hen heen werd druk gefluisterd. Het gesprek liep nu

over de mode. Mijnheer de Plouguern vroeg Clorinde's oordeel over den

nieuwen vorm der hoeden. Toen zij zich echter hield alsof zij hem niet

hoorde, boog hij zich over om dezelfde vraag aan mevrouw de Lorentz

te richten. Maar hij durfde niet, zoo verschrikkelijk boos keek deze,

met haar opeengeklemde tanden en haar door jaloerschheid verwrongen

gelaat. Clorinde had juist haar linkerhand in die van mijnheer de

Marsy laten rusten, onder voorwendsel dat zij hem een antieke camee

wou toonen, die zij aan den vinger droeg; en zij liet hem haar hand

vasthouden, waarop de graaf den ring van haar vinger schoof en hem na

de bezichtiging er weder aan deed; het was bijna onbetamelijk. Mevrouw

de Lorentz, die zenuwachtig met een lepel speelde, brak haar wijnglas,

waarop een bediende haastig de scherven wegruimde.

--Ze zullen elkander nog in de haren grijpen, dat is zeker, fluisterde

de senator Rougon in het oor. Hebt u op ze gelet?.... Maar de drommel

haal me als ik Clorinde's spel begrijp! Wat wil ze toch?

En toen hij zijn buurman aankeek, werd hij getroffen door diens

ontstelde gelaat.

--Wat scheelt er aan? Voelt ge u niet wel?

--Neen, antwoordde Rougon, ik ben wat benauwd. Die diners duren te

lang. En daarbij riekt het hier zoo naar muskus!

Het diner liep ten einde. Enkele dames, half terzijde geleund op haar

stoelen, aten nog een beschuitje. Maar niemand verroerde zich. De

keizer, die tot dusver gezwegen had, verhief plotseling de stem; en aan

beide einden der tafel luisterden de gasten, die de tegenwoordigheid

van Zijn Majesteit al geheel vergeten waren, met behagelijke gezichten

toe. De keizer antwoordde op een pleidooi van mijnheer Beulin-d'Orchère

tegen de echtscheiding. Toen, midden in zijn antwoord, wierp hij een

blik op het zeer laag uitgesneden keurslijf van de jonge Amerikaansche

dame, die naast hem zat, en zei met zijn lijmerige stem:

--In Amerika heb ik nooit anders dan leelijke vrouwen zien scheiden.

Een gelach liep door de gasten. Het scheen geestig gezegd, zoo fijn

zelfs, dat mijnheer La Rouquette zich inspande om er den verborgen

zin van te ontdekken. De jonge dame meende er zeker een complimentje

in te mogen zien, want zij bedankte verlegen met een hoofdbuiging. De

keizer en de keizerin waren opgestaan. Er ontstond een groot geruisch

van japonnen, een gestommel rondom de tafel, terwijl de kamer- en

tafeldienaars, die heel ernstig langs de muren geschaard stonden,

alleen correct bleven te midden van dien ordeloozen troep lieden,

die goed gedineerd hadden. En de stoet vormde zich op nieuw, Hunne

Majesteiten aan het hoofd, de genoodigden in lange rijen daarachter,

met groote tusschenruimten voor de lange sleepen, de zaal met een

puffende deftigheid doorgaande. Achter hen, in het helle licht der

kronen, boven de nog warme wanorde van de tafel, klonken de zware

trommelslagen van de militaire muziek, die de laatste figuur van een

quadrille speelde.

De koffie werd ditmaal rondgediend in de galerij des Cartes. Een

prefect van het paleis bracht den keizer een kop koffie op een

verguld zilveren blad. Intusschen waren verscheidene gasten reeds

naar de rookkamer gegaan. De keizer had zich met enkele dames in het

familiesalon, links van de galerij, afgezonderd. Men beweerde zachtjes

dat zij zich zeer ontevreden had getoond over de zonderlinge houding

van Clorinde, gedurende het diner. Zij beijverde zich om gedurende

haar verblijf in Compiègne, een burgerlijke betamelijkheid, een smaak

in onschuldige spelletjes en landelijke genoegens aan het hof in te

voeren. Tegen zekere buitensporigheden toonde zij een persoonlijken

haat, bijna een wrok.

Mijnheer de Plouguern had Clorinde ter zijde genomen om haar de les te

lezen. Eigenlijk wou hij haar uithooren. Maar zij veinsde een groote

verbazing. Waar haalde men dat vandaan, dat zij zich met den graaf

de Marsy gecompromitteerd zou hebben? Ze hadden samen geschertst,

meer niet.

--Kijk maar eens! mompelde de oude senator.

En de half openstaande deur van een aangrenzend zaaltje openduwend,

toonde hij haar mevrouw de Lorentz, die vreeselijk tegen mijnheer de

Marsy uitvoer. De mooie blondine, buiten zichzelve van jaloerschheid,

gaf haar gemoed lucht in grove woorden, zonder te bedenken dat haar

heftige woorden een vreeselijk schandaal ten gevolge konden hebben. De

graaf, bleek en glimlachend, trachtte haar door eenige zachte woorden

tot bedaren te brengen. Het geluid van den twist was in de galerij

des Cartes doorgedrongen; de gasten, die het hoorden, verwijderden

zich voorzichtigheidshalve uit de nabijheid van het kleine salon.

--Je wilt dus dat ze die beruchte brieven aan alle vier hoeken van

het kasteel laat aanplakken? vroeg mijnheer de Plouguern, die met de

jonge vrouw gearmd voortliep.

--Dat zou wel aardig zijn! zei ze lachend.

Toen begon hij weer aan zijn zedepreek, terwijl hij met het vuur van

een jongen galant haar blooten arm in den zijnen drukte. Zij moest

die excentrieke manieren aan mevrouw de Combelot overlaten. En

hij verzekerde haar dat Hare Majesteit zeer ontstemd op haar

scheen. Clorinde, die de keizerin een groote vereering toedroeg,

was daarover zeer verwonderd. Waarin had zij misdaan? En terwijl

zij voorbij het familiesalon kwamen, bleven zij een oogenblik staan

en wierpen een blik door de halfgeopende deur. Om de tafel zat een

wijde kring van dames. In het midden zat de keizerin; ze leerde

de anderen met veel geduld een kinderspel, terwijl eenige mannen,

achter de fauteuils, de les met grooten ernst volgden.

Rougon had het intusschen met Delestang aan den stok, aan het einde

der galerij. Hij durfde hem niet over zijn vrouw spreken; maar hij

haalde hem geducht door omdat hij met zooveel berusting een apartement

had aanvaard, dat op de binnenplaats van het kasteel uitzag; hij wou

hem dwingen er een te vragen aan de zijde van het park. Maar Clorinde

naderde aan den arm van mijnheer de Plouguern. Ze zei, zoo dat men

het hooren kon:

--Laat mij toch met vrede, met uw Marsy! Ik zal den heelen avond geen

woord meer met hem spreken! Daar, zijt ge nu tevreden?

Dit stelde iedereen gerust. Juist kwam mijnheer de Marsy uit het

zaaltje, met een opgewekt gezicht; hij schertste een oogenblik met

ridder Rusconi en trad daarop den familiesalon binnen, waar men

de keizerin en de dames al heel spoedig hoorde schaterlachen om de

geschiedenis, die hij vertelde. Tien minuten later verscheen mevrouw

de Lorentz op haar beurt, zij scheen moe, haar handen beefden nog; en

daar zij zag dat nieuwsgierige blikken haar minste gebaren bespiedden,

bleef ze daar te midden der pratende groepjes.

De verveling deed weldra een licht gegeeuw achter de zakdoeken

verbergen.

De avond was nog de saaiste tijd van den dag. De nieuw aangekomenen,

die niet wisten waarin zij een afleiding konden zoeken, naderden

de vensters en keken naar buiten, in de duisternis. Mijnheer Beulin

d'Orchère zette in een hoekje zijn pleidooi tegen de echtscheiding

voort. De romanschrijver, die dat alles doodelijk vervelend vond,

vroeg zachtjes aan een der academieleden of men niet naar bed zou

mogen gaan. Intusschen verscheen de keizer van tijd tot tijd met

slependen tred door de galerij gaande, een cigarette in den mond.

--Het is onmogelijk geweest iets voor heden avond te organiseeren,

verklaarde mijnheer de Combelot aan het groepje dat Rougon met zijn

vrienden vormde.

Morgen na de drijfjacht, krijgen de honden hun jachtmaal bij

fakkellicht. Overmorgen komen de artisten van de Comédie Française

les Plaideurs spelen. Er is ook sprake van tableaux vivants en een

charade, die men tegen het einde der week zal geven.

En hij vertelde dat zijn vrouw mee zou doen, de repetities zouden

spoedig beginnen. Daarop kwam een verhaal van een wandeling, die het

hof een paar dagen te voren gedaan had naar "la Pierre-qui-tourne",

een druïdisch steenblok, waaromheen toen opgravingen gedaan werden. De

keizerin had haar verlangen te kennen gegeven om in de uitgegraven

gedeelten af te dalen.

--Verbeeldt u, ging de kamerheer met bewogen stem voort, dat de

werklieden zoo gelukkig geweest zijn om twee schedels in Harer

Majesteits tegenwoordigheid op te graven. Niemand had op zoo iets

gerekend. Men was zeer tevreden.

Hij streelde zijn mooien zwarten baard, die hem zooveel succès bij de

dames bezorgde; zijn knap ijdel gezicht had een onnoozele zachtheid,

en hij lispelde uit overdreven beleefdheid.

--Maar, zei Clorinde, men had me verzekerd dat de acteurs van de

Vaudeville een voorstelling van het nieuwe stuk zouden geven.... De

vrouwen dragen er verbazend kostbare toiletten in. En men moet er

zich slap om lachen, schijnt het.

Mijnheer de Combelot zette een benepen gezicht.

--Ja, ja, mompelde hij, er is een oogenblik sprake van geweest.

--Nu?

--Men heeft dat plan laten varen. De keizerin houdt niet van zulke

stukken.

Op dit oogenblik ontstond er een groote beweging in de galerij;

alle heeren waren uit de rookzaal teruggekeerd. De keizer ging

zijn partijtje palets spelen. Mevrouw Combelot, die zich op haar

behendigheid in dit spel liet voorstaan, had hem om revanche gevraagd,

want zij herinnerde zich dat hij haar den vorigen zomer verslagen had;

en ze bood zich met zoo'n teedere, nederige houding aan, met zoo'n

duidelijken glimlach, dat Zijne Majesteit dikwijls verlegen de oogen

moest afwenden.

Het spel begon. Een groot aantal gasten schaarde zich in een kring, om

de worpen te beoordeelen en te bewonderen. De jonge vrouw stond voor

de lange, met groen laken bedekte tafel en wierp haar eerste schijf,

die vlak bij het doel, een witte stip, terecht kwam. Maar de keizer

toonde nog grooter behendigheid, zijn schijf wierp de hare van haar

plaats en nam die zelfs in. Men applaudisseerde zachtjes. Toch won

mevrouw Combelot tenslotte.

--Sire, waar hebben wij om gespeeld? vroeg zij driestweg.

Hij glimlachte, doch antwoordde niet. Zich daarop omkeerende, zei hij:

--Mijnheer Rougon, wilt u een partijtje met me spelen?

Rougon boog en nam de schijven, terwijl hij iets over zijn

onbedrevenheid zei.

Een trilling doorliep de personen die om de tafel geschaard

stonden. Werd Rougon werkelijk weer in genade aangenomen? En de

heimelijke vijandschap, die hij sinds zijn aankomst had opgemerkt,

smolt weg; halzen rekten zich uit om vol belangstelling zijn

werpschijven te volgen.

Mijnheer La Rouquette, die er nu nog minder van begreep dan voor

het diner, nam zijn zuster terzijde, om te weten waaraan hij zich

eigenlijk te houden had; maar zij kon hem zeker geen voldoende

verklaring geven, want hij kwam terug met een gebaar waaruit zijn

volslagen onzekerheid bleek.

--Heel goed! mompelde Clorinde, bij een fijnen worp van Rougon.

En zij wierp den vrienden van den grooten man veelbeteekenende blikken

toe. Het oogenblik was gunstig om den keizer vriendelijk voor hem te

stemmen. Zij leidde den aanval. Een oogenblik regende het loftuitingen.

--Drommels! liet Delestang zich ontvallen, die onder de bevelende

blikken van zijn vrouw niets anders wist te zeggen.

--En u sprak van onbedrevenheid! zei ridder Rusconi opgetogen. O,

sire, ik bid u, speel niet om Frankrijk met hem!

--Maar, mijnheer Rougon zou zich tegenover Frankrijk heel goed

gedragen, daar ben ik zeker van, voegde mijnheer Beulin-d'Orchère er

bij, met een fijn trekje op zijn bulhondengezicht.

Dat was een onomwonden toespeling. De keizer verwaardigde zich te

glimlachen. En hij lachte hartelijk, toen Rougon, verlegen onder al

die loftuitingen, heel bescheiden de volgende verklaring gaf:

--Och, ik speelde een dergelijk spel met kurken, toen ik nog een

kwajongen was.

Toen men Zijne Majesteit hoorde lachen, schaterde de heele

galerij het uit. Een oogenblik heerschte er een buitengewone

vroolijkheid. Clorinde had als behendige vrouw begrepen dat men, door

Rougon, een middelmatig speler, te bewonderen, eigenlijk den keizer

vleide, die zich onbetwistbaar zijn meerdere toonde. Intusschen had

mijnheer de Plouguern, die Rougon zijn succès benijdde, nog geen

opmerking geuit. Zij stiet hem even met den elleboog aan, als bij

ongeluk. Hij begreep haar en stond opgetogen te kijken naar de eerste

schijf die nu door zijn collega geworpen werd. Toen riep mijnheer La

Rouquette, alles er op wagende, opgewonden uit:

--Heel mooi, prachtig geworpen!

Nadat de keizer de partij gewonnen had, vroeg Rougon om revanche. De

schijven gleden op nieuw over het groene laken met een geritsel

als van dorre bladeren, toen een gouvernante aan de deur van het

familiesalon verscheen met den kroonprins op haar arm. Het kind, dat

twintig maanden oud was, droeg een zeer eenvoudig wit jurkje: zijn

haar was verward en zijn oogen waren gezwollen van slaap. Gewoonlijk

bracht men hem 's avonds als hij wakker werd, bij de keizerin, opdat

zij hem een nachtkus kon geven. Hij keek naar het licht met dat diep

ernstige gezicht, dat kleine kinderen kunnen zetten. Een grijsaard,

een grootwaardigheidsbekleeder, was toegesneld, zoo vlug zijn jichtige

beenen het toelieten. En zich vooroverbuigend, met zijn van ouderdom

knikkend hoofd, had hij het handje van den prins gevat en kuste het,

terwijl hij met zijn gebroken stem mompelde:

--Monseigneur, monseigneur....

Het kind, verschrikt door de nabijheid van dat perkamentachtige

gezicht, wierp zich achterover en schreeuwde het luidkeels uit. Maar

de grijsaard liet hem niet los. Hij betuigde zijn toewijding. Men

moest het handje, dat hij op zijn lippen gedrukt hield, aan zijn

vereering ontrukken.

--Ga heen, neem hem mee, zei de keizer ongeduldig.

De vorst had de tweede partij verloren. Nu begon de derde. Rougon,

die de loftuitingen voor ernst had opgevat, deed zijn uiterste best. Nu

vond Clorinde dat hij zelfs te goed speelde. Ze fluisterde hem toe:

--Ik hoop dat ge niet zult gaan winnen?

Hij glimlachte. Maar plotseling liet zich een hevig geblaf hooren. Het

was Nero, de lievelingshond van den keizer, die van een openstaande

deur gebruik had gemaakt om de galerij binnen te snellen. Zijne

Majesteit gaf bevel hem weg te brengen en een kamerdienaar hield den

hond reeds bij den halsband, toen dezelfde grijsaard van zooeven weer

kwam aansukkelen onder den uitroep:

--Mijn mooie Nero, mijn mooie Nero!

En hij knielde bijna op het tapijt neer, om hem in zijn bevende

handen te nemen. Hij drukte zijn kop tegen zijn borst, hij zoende

hem en herhaalde:

--Ik bid u, sire, stuur hem niet weg. Hij is zoo mooi!

De keizer stemde er in toe dat hij bleef. Toen verdubbelde de grijsaard

zijn liefkoozingen. De hond werd niet bang, bromde niet. Hij likte

de magere handen die hem streelden.

Rougon maakte in dien tusschentijd allerlei fouten. Een schijf had

hij zoo onhandig geworpen, dat zij in het keurslijf van een dame

terecht was gekomen, die haar blozende uit haar kanten verwijderde. De

keizer won. Toen gaf men hem bedektelijk te verstaan dat hij daar een

beduidende overwinning behaald had. Hij gevoelde er een soort van

verteedering door. Hij ging pratend met Rougon heen, alsof hij hem

meende te moeten troosten. Zij liepen tot het einde der galerij,

de breedte van de kamer overlatende voor een klein bal dat men

organiseerde. De keizerin die het familiesalon juist verlaten had,

trachtte met een bekoorlijke bereidwilligheid de aangroeiende verveling

der gasten tegen te gaan. Ze had een gezelschapsspel voorgesteld,

maar het was al wat laat, men danste liever. Alle dames waren toen

in de galerij des Cartes vereenigd. Men zond een boodschap naar de

rookzaal, waar zich nog enkele heeren verborgen hielden. En toen men

zijn plaatsen innam voor een quadrille, ging mijnheer de Combelot

bereidwillig voor de piano zitten. Het was een mechanieke piano,

met een klein handvat, rechts van het klavier. De kamerheer zat

onafgebroken met een ernstig gezicht te draaien.

--Mijnheer Rougon, zei de keizer, men heeft me gesproken van een werk,

een vergelijking tusschen de Engelsche constitutie en de onze. Ik

kan u misschien documenten verschaffen.

--Uwe Majesteit is te goed.... Maar ik koester een ander plan, een

grootsch plan.

En Rougon, ziende dat de keizer zoo vriendelijk was, wou van de

gelegenheid gebruik maken. Hij legde zijn plan breedvoerig uit,

zijn droombeeld om een hoek van de Landes in vruchtbaren grond te

herscheppen, een stad te stichten, een nieuw rijk te veroveren. Terwijl

hij sprak hief de keizer zijn doffe oogen, waarin een kleine flikkering

verscheen, tot hem op. Hij zei niets, schudde van tijd tot tijd het

hoofd. Toen de ander zweeg, zei hij:

--Zeker... we kunnen altijd nog eens zien....

En zich tot een andere groep wendend, die door Clorinde, haar man en

mijnheer de Plouguern gevormd werd:

--Mijnheer Delestang, dien ons toch eens van uw advies. Ik denk nog

met genoegen terug aan het bezoek dat ik aan uw modelhoeve in Chamade

heb gebracht.

Delestang trad naderbij. Maar de kring, die zich om den keizer vormde,

moest naar een vensternis terugwijken. Mevrouw de Combelot had al

walsende, bijna liggende in de armen van mijnheer La Rouquette, de

zijden kousen van Zijne Majesteit met haar langen sleep omwikkeld. Voor

de piano genoot mijnheer de Combelot van de muziek die hij voortbracht;

hij draaide sneller en wiegde daarbij zijn keurig gekapt hoofd, nu

en dan keek hij naar de kast van het instrument, alsof hij verbaasd

was over de zware tonen, die bij sommige wendingen van den slinger

teweeggebracht werden.

--Ik ben dit jaar zoo gelukkig geweest prachtige kalveren te krijgen

door een nieuwe kruising, verklaarde Delestang. Jammer genoeg werden

de parken juist hersteld, toen Uwe Majesteit mijn hoeve bezocht.

En de keizer sprak over den landbouw, het fokken en vetmesten van vee,

langzaam, met korte woorden. Sedert zijn bezoek aan Chamade, had hij

een groote achting voor Delestang opgevat. Hij prees hem vooral omdat

hij op zijn hoeve de proef genomen had om zijn personeel te doen deelen

in sommige winsten en een pensioenfonds voor hen te stichten. Terwijl

zij met elkánder spraken, bleken zij dezelfde denkbeelden over de

verbetering van misstanden in de maatschappij te hebben, zoodat zij

elkander met een half woord begrepen.

--Heeft mijnheer Rougon u over zijn plan gesproken? vroeg de keizer.

--O, een prachtig plan, antwoordde Delestang. Men zou proeven op

groote schaal kunnen nemen....

Hij toonde een ware geestdrift. De veredeling der varkensrassen lag

hem na aan het hart; de mooie typen verdwenen in Frankrijk. Toen gaf

hij te kennen, dat hij een nieuwe methode van kunstmatige weiden

bestudeerde. Maar daartoe zouden onmetelijke terreinen noodig

zijn. Wanneer Rougon slaagde, zou hij zijn methode daar ginds

toepassen. Plotseling zweeg hij stil; hij bemerkte zijn vrouw, die

hem strak aankeek. Sedert hij Rougon's plan goedkeurde, had zij er

bleek en verstoord uitgezien.

--Manlief, mompelde zij, op de piano wijzend.

Mijnheer de Combelot, die stijve vingers had gekregen, opende de

hand en sloot die weer zachtjes, om ze weer leniger te maken. Hij wou

juist aan een polka beginnen, met den bereidwilligen glimlach van een

martelaar, toen Delestang hem kwam aanbieden zijn plaatsvervanger te

zijn, wat hij beleefd aannam, alsof hij een eereplaats afstond. En

Delestang begon op zijn beurt te draaien. Maar het was heel wat

anders. Hij had niet die vlugheid, die lenigheid in den pols, die het

spel van den kamerheer zoo aangenaam deed klinken, Rougon wenschte

intusschen een beslissend woord van den keizer te hooren. Deze vroeg

hem met ingenomenheid of hij daar geen groote steden voor werklieden

zou bouwen, zonder bezwaar kon men daar aan ieder gezin een lapje

grond, gereedschappen en voldoenden watertoevoer verschaffen; hij

beloofde hem zelfs inzage te geven van plannen door hem zelf ontworpen,

met gelijkvormige huizen, waarop alle benoodigdheden waren voorzien.

--Ik ben het volkomen met Uwe Majesteit eens, antwoordde Rougon,

ongeduldig door het nevelachtige socialisme van den vorst. Zonder

u kunnen we niets doen.... Er zullen natuurlijk onteigeningen bij

komen. Er zal een verklaring noodig zijn, dat het algemeen belang er

mee gemoeid is. En ik zal ook een maatschappij moeten oprichten.... Een

woord van Uwe Majesteit is noodig....

Het oog van den keizer werd weer dof. Hij knikte gedurig met het

hoofd. Toen, nauwelijks hoorbaar, herhaalde hij:

--We zullen zien.... we zullen het later eens hervatten....

En hij verwijderde zich, met zijn loomen tred midden door de figuren

van een quadrille gaande. Rougon zette een gezicht, alsof hij de

verzekering van een gunstig antwoord bekomen had. Clorinde was in de

wolken. Langzamerhand verbreidde zich onder de ernstige, niet dansende

heeren het gerucht, dat Rougon Parijs verliet, dat hij zich aan het

hoofd van een groote onderneming in het Zuiden ging stellen. Toen

kwam men hem gelukwenschen. Er bleef geen spoor meer over van de

aanvankelijke vijandige gezindheid. Nu hij zichzelf in ballingschap

begaf, kon men hem zonder gevaar de hand drukken. Het was een heele

verlichting voor vele gasten. Mijnheer La Rouquette liet het bal in

den steek en knoopte een gesprek aan met ridder Rusconi.

--Heel verstandig, hij zal daar groote dingen volbrengen, zei

hij. Rougon is een flinke kop; maar, ziet u, in de politiek, toont

hij geen tact te bezitten.

Daarop weidde hij uit over de goedheid van den keizer, die volgens

zijn zeggen, zijn oude dienaren liefhad zooals men zijn vroegere

maîtresses bemint. Hij raakte aan ze gehecht, hij voelde de oude

liefde weer opkomen, na de meest opzienbarende breuken. Dat hij Rougon

op Compiègne genoodigd had, kwam zeker omdat zijn goed hart weer

een zwakheid had gehad. En de jonge afgevaardigde haalde nog andere

gevallen aan van Zijner Majesteits goedhartigheid: vierhonderd duizend

francs had hij gegeven om de schulden te betalen van een generaal

die door een danseres geruïneerd was, achthonderd duizend francs

had hij als huwelijksgeschenk aangeboden aan een van zijn vroegere

bondgenooten van Straatsburg en Boulogne, bijna een millioen had hij

uitgegeven ten gunste van de weduwe van een hooggeplaatst ambtenaar.

--Zijn kas wordt geplunderd, zei hij ten slotte. Hij heeft zich tot

keizer laten uitroepen om zijn vrienden rijk te maken. Ik haal mijn

schouders op, als ik die republikeinen hem zijn civiele lijst hoor

verwijten. Hij zou tien civiele lijsten uitputten om wel te doen. Dat

is geld, dat weer aan Frankrijk ten goede komt.

Zoo sprekende oogden mijnheer La Rouquette en ridder Rusconi den keizer

na. Deze was de galerij geheel omgegaan. Hij bewoog zich voorzichtig

tusschen de dansende paren, die eerbiedig voor hem uitweken. Wanneer

hij achter de ontbloote schouders van een zittende dame voorbijging,

rekte hij even den hals uit en met zijn neergeslagen oogleden wierp

hij er een schuinschen blik op.

--En een vlug begrip! zeide ridder Rusconi zacht. Een buitengewoon man.

De keizer was dicht bij hen gekomen. Hij bleef daar een oogenblik

weifelend staan. Toen scheen hij Clorinde te willen naderen, die

er juist heel mooi en bijzonder vroolijk uitzag; maar zij keek hem

vrijmoedig aan, ze schrikte hem zeker af. Hij ging weer verder, de

linkerhand steunende in zijn zij en met de rechterhand de punten van

zijn knevels ineendraaiende. En toen mijnheer Beulin-d'Orchère vlak

voor hem stond, maakte hij een omweg, kwam schuins op hem af en zei:

--Danst u niet, mijnheer de president?

De magistraat bekende dat hij niet dansen kon, dat hij nooit in zijn

leven gedanst had. Daarop hernam de keizer, op aanmoedigenden toon:

--Dat hindert niets, men danst toch.

Dat was zijn laatste woord. Zoetjes aan bereikte hij de deur,

waarachter hij verdween.

--Een buitengewoon man, niet waar? zei mijnheer La Rouquette, in

navolging van ridder Rusconi. In het buitenland houdt men zich zeker

druk over hem bezig, hè?

De ridder antwoordde als een bescheiden diplomaat met een

hoofdknikje. Toch gaf hij toe dat geheel Europa de oogen op den

keizer gevestigd hield. Een woord, op de Tuileriën uitgesproken,

bracht de naburige tronen aan het wankelen.

--'t Is een vorst die de kunst van zwijgen verstaat, ging hij voort,

met een glimlach waarvan de fijne ironie den jongen afgevaardigde

ontging.

Beiden keerden galant naar de dames terug. Zij noodigden ze voor de

volgende quadrille uit. Een adjudant draaide al sinds een kwartier aan

den slinger van de piano. Delestang en mijnheer de Combelot schoten

toe om hem te vervangen. Maar de dames riepen:

--Mijnheer de Combelot, mijnheer de Combelot! Hij draait veel beter!

De kamerheer bedankte met een vriendelijke buiging en draaide met

een werkelijk meesterlijke volheid. Het was de laatste quadrille. De

thee werd rondgediend in het familiesalon. Nero, die achter een

sofa vandaan kwam, werd met sandwiches overladen. Groepjes vormden

zich en hielden vertrouwelijke gesprekken. Mijnheer de Plouguern

had een tulband naar een hoekje van een console meegenomen; hij at,

dronk nu en dan een slokje thee, verklaarde aan Delestang, met wien

hij zijn tulband deelde, hoe hij er eindelijk toe overgegaan was de

uitnoodiging naar Compiègne aan te nemen, hij, wiens legitimistische

gevoelens men toch kende. 't Was toch heel eenvoudig: hij meende zijn

medewerking niet te mogen ontzeggen aan een regeering die Frankrijk

van de anarchie verloste. Hij onderbrak zijn rede met de opmerking:

--Die tulband is uitstekend. Ik had slecht gedineerd van avond.

Te Compiègne gaf zijn spotlust zich bijzonder lucht. Hij sprak van de

meeste vrouwen die daar aanwezig waren, in zulke onkiesche termen, dat

Delestang er een kleur van kreeg. Hij eerbiedigde alleen de keizerin,

een heilige; zij toonde een voorbeeldige devotie, ze was legitimist en

zou zeker Henri V teruggeroepen hebben, als zij vrij over den troon

had kunnen beschikken. Een oogenblikje weidde hij uit over de zoete

genietingen der godsvrucht. Juist toen hij een onzedelijk verhaaltje

wou beginnen, keerde de keizerin, gevolgd door mevrouw de Lorentz,

naar haar vertrekken terug. Op den drempel maakte zij een diepe

nijging voor het geheele gezelschap. Iedereen boog stilzwijgend.

De salons werden ledig. Er werd luider gesproken, handdrukken werden

gewisseld. Toen Delestang zijn vrouw zocht om zich naar hun kamer te

begeven, vond hij haar niet meer. Eindelijk ontdekte Rougon, die hem

hielp zoeken, haar naast mijnheer de Marsy op een kleine sofa, in

hetzelfde zaaltje, waar de jaloersche mevrouw de Lorentz den graaf

zoo'n verschrikkelijke scène gemaakt had na het diner. Clorinde

lachte luid. Zij stond op toen zij haar man bemerkte. Nog steeds

lachend zei ze:

--Goeden avond, mijnheer de graaf.... Morgen, op de jacht, zult u

zien dat ik mijn weddenschap gestand doe.

Rougon keek haar na, terwijl Delestang gearmd met haar heenging. Hij

had met hen mee willen gaan om haar te vragen wat dat voor een

weddenschap was; maar mijnheer de Marsy hield hem met een bijzondere

voorkomendheid aan den praat. Toen hij vrij was, ging hij niet naar

zijn slaapkamer, maar begaf zich door een openstaande deur in het

park. De nacht was zeer donker, een Octobernacht, zonder een enkele

ster, zonder één windje, duister en doodsch. In de verte stapelden

de hoogopgaande boomen voorgebergten van schaduwen op. Ternauwernood

onderscheidde hij het voetpad, waarop hij liep. Op een honderdtal

schreden van het terras gekomen, bleef hij stilstaan. Met den hoed

in de hand koelde hij een oogenblik zijn hoofd af in de frissche

nachtlucht. Dat deed hem goed, gaf hem weer nieuwe kracht. En hij keek

onafgewend naar een helder verlicht venster, links in den voorgevel;

terwijl de andere vensters donker bleven, schitterde dat eene in de

sombere massa van het kasteel. De keizer waakte. Plotseling meende hij

zijn schaduw te zien, een kolossaal hoofd, doorsneden door de punten

van een knevel; daarop gingen twee andere schaduwen voorbij, de eene

heel schraal, de andere breed, zoodat ze al het licht wegnam. Hij

herkende duidelijk in de laatste het kolossale silhouet van een

agent der geheime politie, met wien Zijn Majesteit zich uren lang

verkoos op te sluiten; en toen de schrale schaduw weer voorbijgleed,

veronderstelde hij dat het wel de schaduw van een vrouw kon zijn. Alles

verdween, het venster herkreeg zijn rustig schijnsel, de strakheid

van zijn vlammenden blik, die zich verloor in de geheimzinnige diepten

van het park. Misschien dacht de keizer nu aan de ontginning van een

stuk grond in de Landes, aan de stichting van een arbeidersstad,

waar de uitdelging van het pauperisme op groote schaal zou worden

toegepast. Dikwijls kwam hij in den nacht tot een besluit. 's Nachts

teekende hij de besluiten, schreef hij manifesten, zette hij ministers

af. Rougon glimlachte; hij moest onwillekeurig aan een anecdote denken:

de keizer met een blauw schort aan, een politiemuts, van een stuk

krant gemaakt, op het hoofd, een kamer van Trianon behangende met

papier van drie francs de rol, om er een maîtresse te laten wonen;

en hij stelde zich voor hoe hij op het oogenblik in de eenzaamheid

van zijn kamer, in die doodsche stilte, bezig was met het uitknippen

van prentjes, die hij heel netjes met een penseeltje opplakte. Toen

hief Rougon de handen omhoog en riep:

--Zijn trawanten hebben hem gemaakt, wat hij is!

Hij haastte zich naar binnen. De kou beving hem, vooral aan de beenen,

daar zijn korte broek slechts tot de knieën reikte.

Den volgenden morgen tegen negen uur zond Clorinde haar dienstbode

Antonia, die zij meegenomen had, met de boodschap of zij en haar

man bij hem mochten ontbijten. Hij had een kop chocolade boven laten

brengen en wachtte hen. Antonia kwam vooruit, met het groote zilveren

blad waarop men hun op hun kamer twee koppen koffie had gebracht.

--Zoo, dat is gezelliger, hè? zei Clorinde bij het binnenkomen. Ge

hebt hier den zonkant. O, ge woont hier veel beter dan wij.

En zij liep de vertrekken eens rond. Het appartement bestond

uit een voorkamer, waarin rechts een deur die toegang gaf tot een

dienstbodenkamertje; achter de voorkamer bevond zich de slaapkamer,

een groot vertrek, bespannen met cretonne waarop groote roode bloemen,

met een mahoniehouten ledekant en een ontzaglijken haard, waarin

houtblokken vlamden.

--Wat drommel, riep Rougon, dan hadt ge moeten reclameeren! Ik zou

geen kamers op de binnenplaats aangenomen hebben. Ja, als men met alles

tevreden is!.... Ik heb het gisteren avond nog aan Delestang gezegd.

De jonge vrouw haalde de schouders op en mompelde:

--Hij, hij zou nog toelaten dat ze me op zolder lieten slapen!

Zij wou tot zelfs een kleedkamertje bezichtigen, waarvan het

heele garnituur uit Sèvres-porselein bestond, wit met goud, met de

keizerlijke initialen. Toen kwam zij voor den haard staan. Een kreet

van verrukking ontsnapte haar. Tegenover haar strekte het bosch van

Compiègne zich met zijn hoog geboomte mijlen ver uit; monsterachtige

kruinen verdrongen zich daar dicht opeen en verdwenen in een langzame

deining; onder de blanke zon van dien Octoberochtend zag men niets

dan poelen van goud, poelen van purpur, als een rijk gegalonneerde

mantel van het eene einde des hemels naar het andere uitgespreid.

--Kom, aan het ontbijt, zei Clorinde.

Ze ontruimden een tafel, waarop zich een inktkoker en een vloeiboek

bevonden. Ze vonden het grappig zichzelf te bedienen. De jonge vrouw

verklaarde lachend, dat zij zich bij het opstaan verbeeld had in een

herberg te zijn, die door een vorst gehouden werd en waar zij na een

lange reis, in haar droom afgelegd, was aangekomen. Dat toevallige

ontbijt, op zilveren bladen, verrukte haar als een avontuur, dat haar

in het een of andere onbekende land zou overkomen zijn.

Delestang verbaasde zich intusschen over de groote hoeveelheid hout

die in den schoorsteen brandde. Met een peinzend gezicht mompelde

hij eindelijk:

--Men heeft me wel eens verteld dat er dagelijks voor vijftienhonderd

francs hout in het kasteel verbrand wordt. Vijftienhonderd francs! Zeg,

Rougon, vindt ge het niet een beetje veel?

Rougon, die langzaam zijn chocolade dronk, knikte alleen met het

hoofd. Zijn gedachte waren geheel vervuld met de levendige vroolijkheid

van Clorinde. Dien morgen scheen er een koortsgloed in haar schoonheid;

haar groote oogen schitterden van strijdlust.

--Wat is dat toch voor een weddenschap waarvan ge gisteren avond

sprak? vroeg hij haar plotseling.

Zij begon te lachen. En toen hij aandrong:

--Dat zult ge wel zien, zei ze.

Toen werd hij langzamerhand boos, hij behandelde haar ruw. Het was

een echte scène uit jalouzie, met aanvankelijk bedekte toespelingen,

die al spoedig in onbewimpelde beschuldigingen overgingen: ze had de

algemeene aandacht op zich gevestigd, meer dan twee minuten lang had

ze haar handen in die van mijnheer de Marsy gelaten. Delestang zat

met onverstoorbare kalmte lange repen brood in zijn koffie te doopen.

--O, als ik uw man was! riep Rougon.

Clorinde was opgestaan. Ze plaatste zich achter Delestang, met haar

handen op zijn schouders.

--Nu, wat dan? vroeg zij.

En zich over Delestang heenbuigende, en met haar adem over zijn haar

gaande, zoodat het zich omkrulde:

--Niet waar, manlief, dan zou hij heel verstandig zijn, even verstandig

als jij?

Tot eenig antwoord boog hij zich terzijde en kuste de hand, die

op zijn linkerschouder rustte. Met een verlegen, ontroerd gelaat

keek hij Rougon aan; hij wenkte hem met de oogen, alsof hij hem te

verstaan wou geven dat hij misschien wel wat ver ging. Het had weinig

gescheeld of Rougon had hem voor een domkop uitgemaakt. Maar Clorinde

gaf hem een wenk en hij volgde haar naar het venster, waar zij met de

ellebogen op het steunijzer rustte. Een oogenblik bleef zij zwijgen,

de oogen gericht op den onmetelijken horizon. Toen zei ze zonder

eenige inleiding:

--Waarom wilt ge Parijs verlaten? Houdt ge dan niet meer van

me? Luister, ik zal verstandig zijn, ik zal uw raad opvolgen, als ge

er van afziet naar dat afschuwelijke land te trekken.

Hij werd op eens heel ernstig bij dat voorstel. Hij wees op de groote

belangen die voor hem op het spel stonden. Nu kon hij onmogelijk

meer terug. En terwijl hij zoo sprak, trachtte Clorinde tevergeefs de

werkelijke waarheid op zijn gelaat te lezen; hij scheen vast besloten

om te vertrekken.

--'t Is goed, ge houdt niet meer van me, hernam zij. Dus ben ik vrij

om te handelen naar goeddunken.... Dat zult ge zien.

Zonder eenige spijt te toonen, haar lachje zelfs terugvindend, verliet

zij het venster. Delestang, die nog steeds belang stelde in het vuur,

trachtte bij benadering het aantal schoorsteenen in het kasteel te

berekenen. Maar zij stoorde hem in dat werk, want ze had maar even den

tijd om zich te kleeden, als zij de jacht niet wilde misloopen. Rougon

ging met ze mee in de gang, breed als een kloostergang, met een

garnituur van groen moquette. Clorinde las op de deuren de namen der

gasten, die op kartonnen reepen, in smalle kartonlijstjes gevat,

geschreven stonden. Plotseling keerde zij zich aan het einde der

gang om; en daar het haar voorkwam, dat Rougon besluiteloos stond,

alsof hij haar wou terugroepen, bleef ze glimlachend staan. Maar hij

ging zijn kamer weer in, en sloot de deur driftig dicht.

Het ontbijt duurde dien morgen langer dan gewoonlijk. In de galerij des

Cartes werd druk gepraat over het weer, dat zich uitstekend voor een

jacht met windhonden leende. De hofrijtuigen reden even voor twaalven

weg. Men zou bij de Puits-du-Roi, een breed kruispunt midden in het

bosch, samenkomen. De keizerlijke jachtstoet stond daar al een uur

te wachten, de pikeurs te paard, met roodlakensche korte broek, den

rijk gegalonneerden driekanten hoed dwars op het hoofd, de drijvers

met zilveren gespen op de zwarte schoenen, om gemakkelijker door

het dichte kreupelhout te loopen; en de rijtuigen der genoodigden

uit de kasteelen in den omtrek vormden een halven cirkel, tegenover

den koppel honden, die door de drijvers werden vastgehouden, terwijl

groepjes dames en jagers in uniform in het midden deden denken aan

een ouderwetseh schilderij, een jacht onder Lodewijk XV, plotseling

in het leven teruggeroepen onder den zonnigen hemel. De keizer en

de keizerin gingen niet mee. Zoodra de jacht begon, keerden hun

chars-à-bancs naar het kasteel terug. Verscheidene gasten volgden

hun voorbeeld. Rougon had eerst nog getracht Clorinde bij te houden,

maar zij zweepte haar paard zoo geducht voort, dat hij grond verloor

en spijtig besloot terug te keeren; zijn ergernis werd nog grooter

toen hij haar heel in de verte naast mijnheer de Marsy zag galoppeeren.

Tegen halfzes kwam men Rougon verzoeken thee te komen drinken in de

kleine vertrekken der keizerin. Die gunst viel gewoonlijk slechts aan

geestige mannen ten deel. Hij vond er reeds mijnheer Beulin-d'Orchère

en mijnheer de Plouguern, en laatstgenoemde vertelde juist op een

heel kiesche manier een zeer gewaagde aardigheid, die met een vroolijk

gelach aangehoord werd. Intusschen kwamen de jagers terug. Mevrouw de

Combelot kwam binnen en wendde een groote vermoeidheid voor. En toen

men haar naar het een en ander vroeg, antwoordde zij met technische

termen:

--O, het dier heeft zich meer dan vier uren laten nazitten.... Verbeeld

u, hij is nog een oogenblik op de vlakte verschenen. Daar is hij wat

op adem gekomen. Eindelijk heeft hij zich bij de mare Rouge laten

vangen. Een prachtig hallali!

Ridder Rusconi gaf met een ongerust gezicht een ander nieuws.

--Het paard van mevrouw Delestang is op hol geslagen.... Zij is in

de richting van Pierrefonds uit het gezicht verdwenen. Men heeft nog

niets van haar gehoord.

Toen werd hij met vragen bestormd. De keizerin scheen zeer

bedroefd. Hij vertelde dat Clorinde al dien tijd in verbazend

snellen draf gereden had. De beste jagers hadden haar bewonderd. Maar

plotseling was zij een zijlaan ingeslagen.

--Ja, voegde mijnheer La Rouquette er bij, ze had het arme dier ook

zoo afgeranseld!.... Mijnheer de Marsy is haar achterna gerend om

haar hulp te bieden. Hij is ook niet meer terug gezien.

Mevrouw de Lorentz stond van haar zitplaats achter de keizerin op. Ze

dacht dat men haar glimlachend aankeek. Ze werd doodsbleek. Nu

bewoog zich het gesprek over de gevaren die men bij de jacht kon

oploopen. Eens had een hert, dat op het erf van een hoeve gevlucht

was, zich zoo verwoed tegen de honden gekeerd, dat een dame in de

daardoor ontstane verwarring haar been had gebroken. Daarop begon

men vermoedens te opperen. Als mijnheer de Marsy er in geslaagd was

het paard van mevrouw Delestang tot stilstand te brengen, waren zij

misschien afgestapt om even uit te rusten; er waren genoeg gelegenheden

in het bosch om dat te doen. En mevrouw Lorentz verbeeldde zich

dat de glimlachjes verdubbelden, terwijl men haar jaloersche woede

tersluiks bespiedde. Rougon zweeg en trommelde opgewonden een roffel

op zijn knieën.

--Bah, wat zou het zijn, als zij den nacht buiten doorbrachten,

zei mijnheer de Plouguern binnensmonds.

De keizerin had bevel gegeven dat Clorinde, zoodra zij terug was,

een uitnoodiging ontving om thee te komen drinken. Plotseling hoorde

men zachte uitroepen. De jonge vrouw stond op den drempel, met een

frisschen blos, glimlachend, zegevierend. Zij bedankte Hare Majesteit

voor de belangstelling die zij haar toonde. En op heel kalmen toon

verklaarde zij:

--Het spijt me wezenlijk, dat men zich ongerust over mij heeft

gemaakt.... Ik had met mijnheer de Marsy gewed dat ik het eerst bij

het doode hert zou zijn. Zonder dat verwenschte paard....

Daarop ging ze vroolijk voort:

--We hebben geen van beiden gewonnen of verloren, ziedaar!

Maar ze moest haar avontuur uitvoeriger vertellen. Ze toonde niet de

minste verlegenheid. Na een razenden galop, wel tien minuten lang,

was haar paard gevallen, zonder dat zij zich bezeerd had. En daar

ze een beetje van streek was geraakt, had mijnheer de Marsy haar een

oogenblik in een schuur doen zitten.

--Dat hadden we wel gedacht! riep mijnheer La Rouquette. U zegt in

een schuur?.... Ik had gezegd in een paviljoen.

--U zult daar niet gemakkelijk gezeten hebben, zei mijnheer de

Plouguern spottend.

Clorinde bleef glimlachen en antwoordde langzaam:

--Neen, opperbest. Er lag stroo. Ik ben gaan zitten.... Een groote

schuur vol spinnewebben. 't Begon al donker te worden. Heel grappig!

En mevrouw de Lorentz aanziende, hernam ze, op nog langzamer toon,

zoodat haar woorden bijzonder nadrukkelijk klonken:

--Mijnheer de Marsy is heel goed voor me geweest.

Van het oogenblik af dat Clorinde haar ongeval vertelde, had mevrouw de

Lorentz twee vingers heftig tegen haar lippen gedrukt. Bij de laatste

bijzonderheden sloot zij haar oogen, alsof de toorn haar dreigde te

doen bezwijmen. Ze bleef nog een oogenblik; maar ze kon zich niet

langer inhouden, en ze verliet de kamer. Mijnheer de Plouguern sloop

haar nieuwsgierig na. Clorinde maakte onwillekeurig een zegevierend

gebaar.

Het gesprek nam een andere wending. Mijnheer Beulin-d'Orchère sprak

over een schandelijk proces; het betrof een aanvraag om scheiding

wegens onmacht van den man; en hij vertelde sommige feiten in zulke

kiesche magistraatstermen, dat mevrouw de Combelot, die het niet

begreep, om nadere uitlegging verzocht. Ridder Rusconi had zeer veel

succès met de halfluide voordracht van Piemonteesche volksliederen,

minneliedjes, die hij vervolgens in het Fransch vertaalde. Te midden

van dat gezang kwam Delestang binnen; hij kwam uit het bosch, dat

hij twee uren lang in alle richtingen doorkruist had om zijn vrouw

op te sporen; men glimlachte om het zonderlinge gezicht dat hij

zette. Intusschen scheen de keizerin een plotselinge vriendschap voor

Clorinde opgevat te hebben. Ze liet haar naast zich zitten en praatte

met haar over paarden. Pyrame, het paard dat zij zoo pas bereden had,

galoppeerde wat hard; den volgenden dag zou ze haar Cæsar laten geven.

Rougon was bij Clorinde's binnentreden voor een venster gaan staan;

hij hield zich alsof hij bijzonder veel belang stelde in de lichtjes,

die links van het park een voor een werden aangestoken. Hij bleef

daar geruimen tijd in de duisternis staren. Eindelijk keerde hij zich

om, met een onverstoorbaar kalm gelaat, toen mijnheer de Plouguern,

die weer binnengekomen was, hem naderde en hem toefluisterde:

--O, een ontzettende scène!.... Ik ben haar achterna gegaan, zooals u

gezien hebt. Ze kwam Marsy juist aan het eind van de gang tegen. Ze

gingen een kamer binnen. Daar heb ik Marsy ronduit hooren verklaren

dat hij meer dan genoeg van haar had.... Ze is als een krankzinnige

de kamer uitgeloopen, naar het kabinet van den keizer.... Ik geloof

het stellig, dat ze de beruchte brieven op het bureau van den keizer

heeft neergelegd....

Op dit oogenblik kwam mevrouw de Lorentz weer te voorschijn. Ze zag

doodsbleek, de haren hingen haar om de slapen, ze hijgde naar adem. Ze

nam haar plaats achter de keizerin weer in, met de wanhopige kalmte

van een patiënt, die een levensgevaarlijke operatie op zichzelf

heeft toegepast.

--Ze heeft de brieven bepaald neergelegd, herhaalde mijnheer de

Plouguern, haar aandachtig beschouwende.

En daar Rougon hem niet scheen te begrijpen, boog hij zich achter

Clorinde over en vertelde haar de geschiedenis. Ze hoorde hem opgetogen

aan, haar oogen schitterden van vreugde. Eerst toen men tegen het

etensuur de vertrekken der keizerin verliet, scheen Clorinde Rougon's

tegenwoordigheid op te merken. Zij nam zijn arm, en terwijl Delestang

achter hen liep, zei ze:

--Nu, hebt ge het gezien?.... Wanneer ge van morgen aardig geweest

waart, zou ik niet bijna mijn beenen gebroken hebben.

Dien avond kregen de honden hun jachtmaal bij fakkellicht, op het

plein voor het paleis. Bij het verlaten van de eetzaal keerden de

gasten niet onmiddellijk naar de galerij des Cartes terug, maar

verspreidden zich in de salons aan de voorzijde, waar de vensters

wijd open stonden. De keizer nam plaats op het middelste balkon,

waar een twintigtal personen hem konden volgen.

Beneden, van het hek tot aan de vestibule, vormden twee rijen dienaren

in galalivrei, met gepoederde pruiken, een breeden doorgang. Ieder

hunner hield een lange piek, aan wier uiteinde pitten brandden in

met spiritus gevulde bekers. Die hooge groene vlammen dansten in de

lucht, zonder de duisternis te verlichten; ze deden alleen de dubbele

rij scharlakenroode vesten uitkomen, die paarsachtig schenen. Aan

weerszijden van het voorplein stond een dicht opeengehoopte menigte,

burgers van Compiègne met hun dames, een gewemel van bleeke gezichten

in de duisternis, waaruit nu en dan de weerschijn der spiritusvlammen

een afschuwelijken kop, een kopergroenkleurig renteniersgezicht deed

uitkomen. In het midden voor het hooge bordes lag de afval van het hert

opgestapeld, daarover lag de huid van het dier, met den kop naar voren;

terwijl aan het andere einde, tegen het hek, de jachthonden wachtten,

omringd door de pikeurs. Daar stonden de drijvers in groene rokken,

met lange witte kousen, met toortsen te zwaaien. In een helderen rooden

gloed dwarrelde een dichte rook omhoog, die langzaam naar de stad

dreef, en in dien vuurgloed stonden de honden, dicht opeengedrongen,

met open bek te hijgen.

De keizer bleef staan. Nu en dan vertoonde een opflikkering der

toortsen zijn ondoorgrondelijk gelaat. Clorinde had gedurende het

geheele diner al zijn gebaren bespied, zonder iets anders in hem te

ontdekken dan een stille afgematheid, het verdrietige humeur van een

zieke die in stilte lijdt. Een enkele maal meende zij op te merken,

dat hij mijnheer de Marsy van terzijde aanzag met zijn halfgesloten

oogen. Op het balcon bleef hij gemelijk aan zijn knevel draaien,

terwijl de gasten achter hem op de teenen gingen staan om te zien.

--Komaan, Firmin, zei hij ongeduldig.

De pikeurs bliezen de Royale. De honden huilden met uitgerekten

hals, half op hun achterpooten opgericht. Plotseling, juist toen een

knecht den hertekop aan de razende honden liet zien, liet Firmin,

die op het bordes stond, zijn zweep dalen; de jachthonden, die dat

teeken afwachtten, renden hijgend van begeerte in drie sprongen het

plein over. Maar Firmin had zijn zweep weer opgeheven. De honden, op

eenige schreden van het hert tot stilstand gebracht, legden zich een

oogenblik plat op den buik, met trillenden rug en een schor gehuil

van verlangen. Ze moesten weer achteruit naar het andere einde,

bij het hek.

--Ach, die arme dieren! zei mevrouw de Combelot, op een kwijnenden,

meewarigen toon.

--Prachtig! riep mijnheer La Rouquette.

Ridder Rusconi applaudisseerde. De dames bogen zich opgewonden

voorover, met een zenuwachtige trilling om de mondhoeken, vol

verlangen om de honden te zien eten. Men gaf ze hun beenen maar niet

zoo dadelijk, dat wekte de emotie nog meer op.

--Neen, neen, nog niet, lispelden enkele stemmen.

Intusschen had Firmin tot tweemaal toe zijn zweep opgeheven en weer

doen dalen. De honden schuimbekten van woede. De derde maal hief

hij de zweep niet meer op. De knecht was snel met de huid en den

kop van het hert weggegaan. De honden kwamen toespringen en rolden

over het afval; hun woedend geblaf veranderde in een dof gebrom, een

krampachtige trilling van genot. Men hoorde de beenderen kraken. Dat

was een voldoening, op het balcon, aan de vensters; de dames drukten

glimlachend haar witte tanden opeen; de mannen haalden diep adem,

hun oogen schitterden en hun vingers klemden zich om een uit de

eetzaal meegebrachten tandenstoker. Op het plein was er plotseling een

apotheose; de pikeurs bliezen fanfares; de drijvers zwaaiden met hun

toortsen, Bengaalsch vuur baadde de vreedzame gezichten der burgers

van Compiègne in een rooden regen.

De keizer keerde zich onmiddellijk om. En toen hij Rougon naast zich

zag, scheen hij uit het diepe gepeins te ontwaken, waarin hij sedert

het diner verkeerd had.

--Mijnheer Rougon, zei hij, ik heb nog eens over uw voorstel

nagedacht.... Er zijn bezwaren, veel bezwaren.

Hij hield op, opende de lippen en sloot ze weer. Toen, bij het

heengaan, zei hij nog:

--U moet in Parijs blijven, mijnheer Rougon.

Clorinde, die dit hoorde, maakte een zegevierend gebaar. Toen het

gezegde van den keizer van mond tot mond ging, werden alle gezichten

ernstig en bezorgd, terwijl Rougon zich langzaam door de verschillende

groepjes naar de galerij des Cartes begaf.

Daar beneden knaagden de honden hun beenen af. Zij kropen woedend onder

elkander door om in het midden van den hoop te komen. Het was een veld

van bewegende ruggen, die elkander verdrongen, zich uitrekten en zich

uitspreidden als een levende plas, in een bloeddorstig gebrom. De

kaken bewogen zich met een gulzige haast, begeerig om alles te

verslinden. Korte gevechten eindigden in een gehuil. Een groote brak,

een prachtig dier, nijdig dat hij te veel aan den rand stond, liep

achteruit en was met éen sprong midden in den troep. Hij slokte een

groot stuk van de ingewanden op.

Zijn Excellentie Eugène Rougon · 第 8 / 17 题